Proza, recensie

De Bronzen Uil 2025: ‘De dragers’ van Daan Borrel

De dragers

Daan Borrel

Drager, zn., ‘iemand die iets draagt, bijvoorbeeld een zware last of iets belangrijks.’ De lichtheid van die laatste twee woorden is ondraaglijk. Toch staan ze in het woordenboek alsof het om een nodige toevoeging gaat. Wie iets sjouwt, doet dat omdat het dragen intrinsiek waardevol is. Zo suggereert de definitie ook het omgekeerde, namelijk dat het ondenkbaar is dat we ons een betekenisloos gewicht op de hals halen. Dat we nooit iets zouden dragen wat voor ons geen belang heeft.

In welke mate is er nog zorg voor de ander in een wereld waar die logica geldt? In haar debuutroman De dragers (2024), genomineerd voor De Bronzen Uil 2025, legt Daan Borrel ons die vraag voor. Zij laat Maria, Sanae en Vita aan het woord, drie vrouwen die net bevallen zijn of op het punt staan te bevallen, en betekenis proberen te vinden in een post-partumleven. Zij zijn de dragers in deze roman, maar ofschoon zij ‘iets belangrijks’ meesjouwen, blijft hun fysieke en mentale last onbeantwoord. Ze moeten op zoek naar de zin van een nieuw bestaan in een maatschappij die hen achterlaat met de voldragen wetenschap dat het kind voor, tijdens en na de arbeid hun probleem is.

In de verbeelding daarvan behelst De dragers een poging de last te verdelen en ons deelgenoot te maken, zonder dat de politiek buiten schot blijft. De personages moeten daarbij niet minder menselijk zijn dan symbolisch en kritisch, een uiterst delicaat narratief evenwicht.

Intersectioneel proza

Elk hoofdstuk geven Maria, Sanae en Vita de vertelstok door. Wie er spreekt, zien we steeds in de titels van de hoofdstukken, maar ook in de bladspiegels. Maria’s gedachten zijn links uitgelijnd, Sanae’s taal is uitgevuld, en Vita spreekt in gecentreerde, dichtvormige regels. We volgen Maria tussen september 1996 en maart 1997, Sanae tussen november 2023 en april 2024, en Vita tussen februari en augustus 2035. Het eerst genoemde jaartal markeert steeds het moment waarop de vertellers moeder zijn geworden, of wanneer zij, zoals in het geval van Vita, moeder zullen worden.

De roman begint bij Maria, een advocate die pas een keizersnede heeft ondergaan maar over twee weken alweer aan de slag gaat. Die afspraak bevestigt haar baas Ronald de Winter aan de telefoon. Bij aanvang van het gesprek had hij al even kort gepolst naar de bevalling, en gelukkig is alles zo goed gegaan dat hij er met een ‘mooi’ van afkomt. Hij vervolgt zoals zijn achternaam doet vermoeden: ‘Mijn vrouw zegt altijd: het is net als doodgaan, je moet er in je eentje doorheen.’ Het moet vooruitgaan, want hij heeft een zaak voor haar. Nadat de Marokkaanse moeder Layla Achachbar tijdens een thuisbevalling overlijdt, beschuldigt haar familie de gynaecoloog van doodslag door nalatigheid. Maria, die nauwelijks bevallingsrust heeft gehad, herkent zichzelf in Achachbar en rilt van de zaak, maar Ronald ziet een buitenkans: ‘typisch een zaak voor jou.’

Daarna ontmoeten we de Marokkaanse rijinstructrice Sanae tijdens haar bevalling. Het verloopt zodanig stroef dat ze een spoedkeizersnede moet ondergaan. Ze komt terecht bij een onherkenbaar gekleed chirurgisch team, en wordt nadien gewekt als de moeder van Noor door een Marokkaanse verpleegkundige, ‘en echt, op dat moment ben ik daar zo blij om.’ De rust is zoals bij Maria van korte duur. Ze ‘mag’ snel naar huis, en daar zal ze diezelfde avond nog de familie verwelkomen, ook al kan ze ‘amper zitten, lopen, opstaan, mezelf aankleden, het is echt vreselijk’.

Er volgt nog een hoofdstuk waarin Maria Achachbars familie spreekt, vooraleer het de beurt is aan Vita. Zij is zwanger in een toekomst waarin niks meer politiek lijkt dan in verwachting zijn. Het eerste dat we lezen, is dat er eieren op Vita’s voordeur zijn gegooid en er met dikke zwarte viltstift ‘STOP MET ’ op is geschreven. Het is het werk van de ‘baringstoppers’, die vinden dat er geen mensen meer bij kunnen. Zij richten zich tegen Vita vanwege haar lidmaatschap aan ‘Wombs For All’. In tegenstelling tot de stoppers wil de WFA het ouderschap democratiseren, en verenigt het draagmoeders die zich ten dienste willen stellen van het niet-heteronormatieve gezin. Zo is Vita voor Lucas en Miko.

Aan de hand van die verschillende plots creëert Borrel een fijn en subtiel web om klasse in te vangen. In de afzonderlijke dagelijkse levens van de vertellers vallen verschillen niet zo op als wanneer die levens naast elkaar worden gezet. Om te gaan werken kan Maria terugvallen op de opvang, een ‘comfort’ waar Sanae van verstoken blijft: na de bevalling oefent zij nog slechts één keer haar job uit. Het merendeel van haar tijd rijdt ze rond met haar kind, hopend dat Noor ‘als een normale baby’ in slaap valt. Bij Vita schemert dan weer door dat zij draagmoeder is voor een welgesteld koppel, dat zich ‘een abonnement op de enige chique koffietent in hun buurt’ kan permitteren.

Het schrijnendst blijft evenwel het contrast met Layla Achachbar. Anders dan haar leven de drie moeders in De dragers nog, al was het ook voor Sanae enigszins kantje boord. Vooral op dit punt blijkt de roman de fictionele tegenhanger van het interviewboek Baren buiten de box (2024). Daarin zoekt Borrel samen met verloskundige Bahareh Goodarzi naar oorzaken voor het statistische feit dat zwangerschappen bij mensen van kleur grotere risico’s inhouden dan bij witte mensen. Hun gesprekken met wetenschappers en beleidsmakers laten zien dat de kans op vroeggeboorte bijvoorbeeld minder verband houdt met genetische factoren dan met sociale en maatschappelijke ongelijkheid. Eerder spelen er vooroordelen zoals te zien in de verdediging die Achachbars advocaat voert: ‘Vrouwen afkomstig uit de Afrikaanse regio [hebben] een lagere pijngrens, waardoor ze hun klachten regelmatig vergroten.’

Borrel zet haar intersectionele blik kracht bij door de moeders met elkaar in de tijd te verbinden. Niet voor niks ontleent ze haar motto aan kunstenares en activiste Rasheedah Phillips. In Black Quantum Futurism (2015) beschrijft zij een lineaire voorstelling van de tijd als een zelf aangeleerde illusie, die systemische ongelijkheid in de hand werkt. Het besef dat verleden, heden en toekomst met elkaar in verbinding staan, stelt ons volgens Phillips daarentegen in staat een gelijker speelveld te scheppen.

De dragers doet dat door de levens van de vertellers in elkaar te laten overlopen. Maria blijkt bijvoorbeeld de advocaat van de tante van Sanae, terwijl Vita dichter bij Maria lijkt te staan dan op het eerste gezicht lijkt. Het verleden is nooit afgesloten en het gaat erom, aldus Sanae’s moeder, om iemand te worden die dat kan dragen. Door verbindingen over de tijd heen te leggen, maakt Borrel ruimte voor gemeenschap tussen en empathie voor de moeders. Het gebrek daaraan is dan het voornaamste pijnpunt dat Borrel in dit boek blootlegt.

Over overleven

‘We dragen elkaar’, vertelt Vita haar baby. Moeders en kinderen kunnen in De dragers hoogstens bij elkander terecht. Zo weigert Maria eerst een verschil te zien tussen haar en haar man Harmen: ‘Wij zijn godverdomme gelijkwaardig.’ Evenwel is zij het die onder druk het werk hervat en onvoldoende hersteld in de rechtbank staat. Na haar bevalling legt Sanae haar relatie wel onder de microscoop. Over haar man Mohammed zegt ze bijvoorbeeld ‘dat ik niet voor hem hoef te zorgen en hij niet voor mij’, wat haar tot een pertinent besluit brengt: ‘wij bestaan alleen als we niet voor elkaar hoeven te zorgen’.

Het probleem verergert alleen maar in Vita’s tijd. In gang gehouden door koffie werkt iedereen zich kapot. Een ‘koffiecrisis’ (die veel weg heeft van de coronacrisis) brengt even rust, maar na twee maanden vinden ‘ze’ het wel welletjes en worden er weer tonnen koffiebonen het land in gepompt. De meedogenloze maatschappij waarin Vita leeft, dwingt moeders op hun beurt vervreemd te raken van hun kind. Intimiteit bestaat slechts in de terugblik, in het vergeten van de opofferingen die ‘je van de maatschappij moest / maken om te kúnnen zorgen’. Pas achteraf, nadat het allemaal voorbij is, krijgt het leven met het kind betekenis: ‘laat je nooit wijsmaken dat moorden het zware werk is / […] / zorgen is veel zwaarder’.

Daarom probeert Vita haar heil te vinden in een leefgemeenschap. De zorg voor de kinderen wordt er gedeeld, wat wordt voorgesteld alsof moeders andermans kind kunnen beschouwen als het hunne en vice versa. Hoewel de eerste indruk positief is, doorprikt Vita al snel de schone schijn. Het eten smaakt niet, de kinderen willen vooral door de eigen ouder worden opgetild, en de gemeenschap vervalt in de patronen van de buitenwereld. Hoe verschilt een aangeduide ‘kinderdienst’ immers van een kinderopvang? Het is, aldus Vita, ‘same old shit over and over again vriendin / we proberen te genezen van het individualisme / maar er bestaat geen snelle antibioticakuur’.

In tegenstelling daarmee biedt het boek voor mij wel een overtuigende kuur tegen toekomstarmoede, in de eerste plaats door het gebrek aan vooruitzicht als verlamming af te beelden. Hoewel de vertellers (letterlijk) de toekomst uitdragen, beperken hun contexten hen overlevers te worden. Zoals filosoof Byung-Chul Han het typeert in De crisis van het narratieve (2023, vert. 2024) betekent overleven een toestand waarin het individu beperkt is tot het oplossen van problemen. Immers, ‘wie alleen problemen oplost, heeft geen toekomst,’ schrijft Han. In de roman zijn Maria en Sanae als moeders gedwongen om de oplossingen aan elkaar te rijgen, een situatie die ook Vita wacht volgens haar gynaecoloog: ‘ De ironie is hier dat het individu de verantwoordelijkheden van ‘het systeem’ op zich dient te nemen.

Bij wijze van oplossing suggereert Han dat verhalen vertellen de toekomst ‘opent’ en ‘hoop’ biedt, al is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Bij Borrel benadrukt uiteraard de alternerende vertelling het belang van de narratieve handeling, maar het is vooral aan de hand van de fantasie dat we kunnen bepalen of er ons hoop rest. Verbeelding fietst namelijk als een motief door De dragers, en rijdt soms los het bewustzijn van de vertellers binnen.

Er is bijvoorbeeld een scène waarin een zwerm spreeuwen Maria’s lichaam in vliegt, ‘via mijn vagina mijn buik in. Ik hap en slik ze, scherpe pootjes, puntige snavels, in één keer door.’ Sanae ervaart gelijkaardige oprispingen, al zijn ze traumatischer van aard. Zij ziet af en toe gruwelijke verkeersongelukken met vooral kinderen als slachtoffer. Bij Vita blijkt de fantasie evenwel helemaal afwezig. Terwijl de verbeelding de eerste twee moeders even verlost uit de sleur, valt op hoe de fantasie bij haar eerst verengt tot een nachtmerrie en ten slotte verdwijnt. Die erosie heeft ook een talige neerslag. Maria maakt nog gebruik van hoofdletters en eindleestekens, maar bij Sanae vallen die weg. Vita breekt dan soms weer zinnen op en spreekt in enjambementen. Zo blijkt dat samen met de toekomst ook de verbeelding en de taal op het spel staan.

Sterke vertellers

Borrel wil, denk ik, meer dan een verhaal vertellen, en met haar verbeelding ook een politiek effect sorteren. Per slot van rekening is dat de inzet van intersectioneel proza. Dergelijk proza streeft naar een mate van toegankelijkheid en realisme, opdat de sociale en maatschappelijke kritiek helder naar voren komt. Als gevolg daarvan heerst het gevoel dat er meer ruimte te winnen was in het tijdsweefsel dan de korte cameo’s van de vertellers in elkaars leven, of de gimmick van de verschillende bladspiegels.

En toch doet dat niks af van de waarde van deze roman. De verfijnde manier waarop de auteur klasse in beeld brengt, blijft een overtuigende ontmaskering van de macht die ze in elk van ons leven heeft. In dat kader is het bovendien een grote verdienste dat Borrel erin slaagt mensen neer te zetten met wie we meeleven, zonder dat de vertellers uitgroeien tot meelijwekkende symbolen. Maria, Sanae en Vita zijn allesbehalve tere beestjes: ‘En dan rijd je, het is zo makkelijk, eigenlijk, maar je moet het wel even doorhebben,’ vertelt Sanae, ‘we gaan hier gewoon rechtdoor’. Borrel maakt alvast dat we het doorhebben.

Een recensie over De dragers van Daan Borrel door Jan-Bart Claus in samenwerking met het Algemeen-Nederlands Verbond en het Willemsfonds in het kader van De Bronzen Uil.

De Bezige Bij, 2024
ISBN 97894033195018
252p.

Geplaatst op 21/10/2025

Tags: Algemeen-Nederlands Verbond, Daan Borrel, De Bronzen Uil, De dragers, Intersectioneel proza, Rasheedah Phillips, Willemfonds

Categorie: Proza, recensie

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.