Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
ZINNEN: zo luidt de titel van de nieuwste bundel van Bart Janssen (1959). Het woord ‘zin’ heeft vele betekenissen: vijftien volgens Van Dale. Het slaat op de zintuigen, waarvan we er sinds Aristoteles vijf hebben, en op het zinnelijke. Maar als we zeggen dat iemand niet goed bij zijn zinnen is, dan bedoelen we niet dat hij zijn zintuigen, wel dat hij zijn verstand verloren heeft. We kunnen zin hebben voor het schone of voor harmonie, dat wil zeggen: over het vermogen beschikken om een bepaalde, vaak geestelijke werkelijkheid te waarderen. We kunnen iets in de zin hebben of iets zinnens zijn, dan hebben we ons iets voorgenomen. Bij zin in koffie of zin in een wandeling denken we aan lust, bij opgeruimd van zin aan een gemoedstoestand. We vragen naar de zin van het leven en vinden dat sommige uitspraken geen zin of betekenis hebben. Dat alles en nog veel meer zetten we uiteen in een reeks syntactisch met elkaar verbonden woorden die we een zin noemen. Al deze betekenissen spelen mee in de bundel van Bart Janssen. De gedichten zijn onherleidbaar meerzinnig en meerduidig: hun betekenis of zin kan niet gereduceerd worden tot een overkoepelende eenduidigheid. Meteen vormen ze het poëtisch bewijs dat zingeving altijd opnieuw vertrekt van het zintuiglijke, dat het zinnige altijd verankerd ligt in het zinnelijke en een materiële neerslag zoekt in een talige articulatie of inscriptie.
Meerduidig, schreef ik, niet te herleiden tot één betekenis, raadselachtig dus, moeilijk te doorgronden. Niet ontoegankelijk, want je vindt wel een toegang, maar eens binnen raak je moeilijk buiten. De gedichten vormen een labyrint, je gaat er dwalen als in een doolhof, je loopt er verloren, want ze sleuren je mee, ze slaan je in de ban. De dichter zelf zinspeelt hierop in het laatste gedicht, dat de treffende titel ‘Hermetisch’ kreeg en dat begint met de imperatief ‘Ontspoor het pad’. Het onovergankelijke werkwoord ‘ontsporen’ heeft een lijdend voorwerp gekregen: ‘het pad’. Lezen is dolen: niet door opsporing het pad ontdekken, maar het pad ontsporen, ontregelen, uit het spoor raken, het spoor bijster zijn en toch op het pad blijven. Lezen is dus niet begrijpen of grip krijgen, maar gegrepen worden, geraakt, verbijsterd soms. Zoals het gedicht met de titel ‘Hermetisch’ aangeeft, schikt een dergelijke lectuur of hermeneutiek zich naar de letterkundigheden van de Griekse god Hermes, de zwerver-boodschapper en de uitvinder van het schrift.
De paradoxale logica die ik zojuist schetste, tekent vele gedichten. Ze geeft de gedichten een filosofische inslag en dwingt de lezer om bepaalde overtuigingen of inzichten te herzien. Zo bijvoorbeeld het gedicht ‘Identiteit’. Dat begint als volgt:
Geëigend in hun dolle schijn
vorderen zij wederkerigheid
van het slag dat hen ontspringt
Mijn identiteit zie ik elke dag bevestigd in de spiegel, elke dag stel ik in de spiegel vast dat ik ben en blijf wie ik ben. Volgens Jacques Lacan, die de psychoanalyse op Franse leest schoeide, leert de baby zichzelf en zijn of haar moeder kennen en herkennen in de spiegel. Identiteit is dus niet oorspronkelijk, ze berust niet in zichzelf, ze is tot stand gekomen na een toe-eigening. ‘Geëigend’ zegt het gedicht met een germanisme: wat mij eigen is, is resultaat van een bewerking. Identiteit heeft iets te maken met af- en weerspiegeling: identiteit berust op identificatie met een beeld. Ik zie mezelf in de spiegel: de wederkerigheid die de spiegel waarborgt, is slechts geruststellend voor wie het bedrieglijke van de weerspiegeling miskent. (Bijvoorbeeld: hoe mijn rechterhand verandert in de linkerhand van de weerspiegelde.) Daarom zegt het gedicht dat de wederkerigheid die mensen in de identiteit vorderen, hen altijd ontspringt. Hun eigenheid blijft schatplichtig aan ‘dolle schijn’, aan het onberekenbare van wat alleen maar schijnt en schijn is.
De paradoxale logica structureert niet alleen een filosofische bespiegeling over wat het betekent om aanspraak te maken op een identiteit. Janssen ziet haar ook aan het werk in de fysieke of lichamelijke werkelijkheid, bijvoorbeeld in het gedicht ‘Fantoompijn’:
Volmaakt hij zich in de verminking,
doorbloedt hij de beschadiging
met zijn intact verstek, laat hij
in zijn ontbreken het letsel onverlet
– weet de pijn precies zijn hand
aan een stomp te zijn.
Akelig subliem hoe de dichter hier de pijn weet te beschrijven van iemand bij wie een lichaamsdeel is geamputeerd. De geneeskunde heeft het fenomeen beschreven: de hand is er niet meer en toch doet ze pijn. Bij Janssen is de ontbrekende hand niets meer tenzij pijn. Of juister: de pijn is hand, ze weet precies de hand te zijn aan een stomp. De verminking en beschadiging zijn volmaakt, ze laten geen wonde achter, maar een ‘intact verstek’, een complete afwezigheid. Het letsel is ‘onverlet’, het letsel heeft geen schade opgelopen. Om de paradox op de spits te drijven: de hand is weg, maar het letsel is ongedeerd, het bestaat met de precisie van pijn.
De bundel bevat ook prachtige beschrijvingen van natuurfenomenen, zoals de reeks gewijd aan het blauwe uur, de tijd bij valavond als de dag in de schemering een laatste keer kleurt. Dat klinkt zo: ‘Getint ruilt aarde gelatenheid voor aanzien in’ – de dag gaat niet langer gelaten ten onder, maar geeft zichzelf een laatste keer aanzien. Of: ‘Vindt een tint telkens haar graagte terug, zoekt zij weerstand tegen haar matiging’ – zoals in het eerste vers de gelatenheid ingeruild werd voor aanzien, zo wordt nu weerstand geboden tegen het matte van de matiging en gekozen voor de gretigheid, de ‘graagte’, van de kleur. Janssen zegt steevast ‘tint’, dat twee letters gemeen heeft met ‘zin’; het is een van de talrijke klankassociaties in deze bundel die zo rijk is aan ‘klinkklare zin’. Nog uitbundiger: ‘Viert licht zijn overgave in een tint, lost het zijn afvaart met een opgang in, vouwt het een bres over de toppen van zijn uitgelaten kanteling’ – het blauwe uur is een feest van licht en kleur, het licht verdwijnt niet maar komt een laatste keer op, de dag kantelt naar zijn einde, maar het afscheid is een uitgelaten viering. Ten slotte:
Wraakt een tint het sterfelijke licht,
zet zij het op een spoor
dat de afloop mist, sleurt zij
het zonder verlet uit
zijn aanwezigheid weg, haalt zij
verhaal op zijn ontstentenis.
In dit gedicht wordt het blauwe uur beschreven in juridische termen. Het licht wordt gewraakt, de sterfelijkheid ervan wordt afgekeurd. De blauwe kleur haalt verhaal, ze wil niet weten van de dreigende ontstentenis, de dreigende afwezigheid, van het licht en leidt het licht op een zijspoor zodat het zijn afloop, zijn ondergang, mist.
De aangehaalde verzen vertonen twee kenmerken die de poëzie van Janssen typeren. Ten eerste, concrete ervaringen worden beschreven door middel van abstracte termen of begrippen: ‘ontstentenis’, ‘overgave’, ‘matiging’. Misschien moeten we zeggen dat Janssen in zijn gedichten uitwerkt wat Van Dale te kennen geeft, namelijk dat het onderscheid tussen het zinnelijke en het bovenzinnelijke of tussen het materiële en het spirituele of het concrete en het abstracte op losse schroeven staat. Tegen traditionele opvattingen in wordt hier geopperd dat het bovenzinnelijke zich nooit losmaakt van het zinnelijke en dat het abstracte altijd vergroeid is met het concrete. Ten tweede, het is onmogelijk om te bepalen in welke toonaard deze zinnen geschreven zijn. Er staat immers niet: ‘een tint wraakt het sterfelijke licht’, wel: ‘wraakt een tint het sterfelijke licht’, alsof het hier niet om een mededeling in de indicatief of aantonende wijs gaat, maar om een vraagzin waarin het werkwoord vooraan staat. Of alsof het een voorwaardelijke zin betreft en geen mededeling, zoals in ‘Schijnt de zon, dan gaan we wandelen; regent het, dan niet.’ De zin ‘schijnt de zon’ met het werkwoord vooraan (zoals in een vraagzin) heeft hier de betekenis van ‘als de zon schijnt’. De poëzie van Janssen is geschreven in een toonaard die de indicatief en de conditionalis, de mededeling en de vraag, het stellige en het voorwaardelijke onlosmakelijk met elkaar verknoopt. Misschien moeten we zeggen dat poëzie geboren wordt uit die onontwarbare knoop en dat ze de onmogelijke opdracht aanvaardt om in die verwarrende veelstemmigheid stand te houden.
Als laatste proeve van Janssens kunnen nog het gedicht ‘Op sax’, dat deel uitmaakt van een reeks gedichten over muziek:
Hoor, hoe de toon de krop
ontrolt, stuwing uit zijn treurnis
put, adem tot zijn hunkering
strekt, zich in zijn zwier
verslikt – zijn laagten ophikt
onder de deun die hem ontschiet.
Op de saxofoon spelen, is blazen: het is het werk van de adem, en de keel, ‘de krop’, er wordt geslikt en gehikt. ‘De toon ontrolt de krop’, want een krop is ook een ronde stronk – denk aan een krop sla. En klinkt een saxofoon niet alsof je een krop in de keel hebt? Die treurnis is evenwel niet terneerdrukkend, maar stuwend. In de cesuren tussen de lange en korte tonen die elkaar slikkend en hikkend opvolgen, schiet de deun zwierig hunkerend weg.
Er schuilt een onvergelijkelijke zeggingskracht in deze gedichten, die telkens opnieuw op zoek gaan naar wat ze te zeggen hebben en daarbij geïnspireerd worden door een eigenzinnige verbeelding en een fijnzinnig gevoel voor ritme en klank. Deze schijnbaar volmaakt gesloten gedichten verbergen een kier: het is de opening die de onbeantwoordbare vraag naar zin inleidt.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.