Essays, Filosofie

Folterfragmenten

Bekentenissen en banvloeken

Emil Cioran (vert. Jan Sietsma)

‘In 1995 stierf hij een natuurlijke dood in Parijs’, staat er te lezen in de flaptekst van Bekentenissen & banvloeken (2022). Het gaat over Emil Cioran, Roemeens-Frans filosoof en schrijver van het boek dat in 1987 verscheen als Aveux et Anathèmes. Vrolijk is het niet en het thema zelfmoord komt vaak terug. Vanaf de verschijning van Pe culmile Disperări (Op de toppen van de wanhoop, 1934) tot zijn laatste boek is dat de rode draad: waarom er geen einde aan maken? De zin die het meest met hem verbonden wordt is niet zonder reden ‘Een boek is een uitgestelde zelfmoord’. Het zegt dan ook veel dat uitgeverij Noordboek Filosofie het nodig achtte te specificeren dat, jawel, de auteur een natuurlijke dood gestorven was.

Autobiografisch. Bestaat er in de letterkundige wereld een modewoord dat nog hardnekkiger is? Meer nog dan een modewoord is het voor velen een manier van lezen. Uiteindelijk stellen we ons allemaal die vraag wat er achter de fictie ligt. Is ze écht met Bob Dylan in bed beland? Heeft zijn vader hem écht misbruikt? Verloor de auteur ook zélf zijn fortuin op vijfenveertigjarige leeftijd om zich dan terug te trekken op een ranch nabij Bagdad in Arizona met een crackverslaafde? Maar, nog veel belangrijker: maakte hij zich uiteindelijk van kant? Schrijf over zelfmoord en lezers leggen het werk naast de biografie.

Wat een anticlimax dan – of in het Cioranees: een anti-paroxysme – om in het Wikipedia-artikel over Cioran aan te komen bij de sectie ‘Death’ en te lezen dat de auteur rond wiens nek u een strop had ingebeeld vredig is ingeslapen op vierentachtigjarige leeftijd. We voelen ons verraden nadat we de diepste wanhoop gelezen hebben zonder dat daarnaar gehandeld wordt, om erna te moeten beseffen dat de auteur uiteindelijk de moed niet had gevonden of zich had getroost op een manier die we zelf nog niet kennen.

Het thema zelfmoord schept de intiemste band tussen de schrijver en zijn lezers. Terwijl een boek louter een product van zijn schepper is, voelen we het in deze unieke gevallen aan als een verlenging, een bekentenis gefluisterd in het oor. Hoe spijtig ook, dat is het niet. Emil Cioran was neerslachtig, absoluut, maar zijn filosofie van de zelfmoord ook gecompliceerd. We dienen in zijn doodsoverpeinzingen geen dramatische voorafschaduwing te lezen, maar veeleer een moedige poging zich te verzoenen met dat wat voor ons het natuurlijkst is: de dood, ook al gebeurt die door eigen hand. Om ons einde dan slechts met kleine letters te schrijven was niets minder dan nalatig:

Aangezien ik dag in dag uit in het gezelschap van de Zelfmoord heb verkeerd, zou het van mijn kant onbillijk en ondankbaar zijn erop af te geven. Wat is er gezonder, natuurlijker? Wat niet gezond of natuurlijk is, is een uitzinnige zucht tot bestaan, een ernstig gebrek, het gebrek bij uitstek, mijn gebrek.

Die ‘zucht tot bestaan’ start bij de geboorte, misschien wel het toppunt van onnatuurlijkheid, want daarna volgt ‘het Leven, de anomalie bij uitstek’. De geboorte is voor Cioran onnatuurlijk in de zin van ‘ongewoon’, ‘contra-intuïtief’, maar ook ‘catastrofaal’ en ‘onmenselijk’. Hij was wat men noemt een anti-natalist, iemand die geboren worden verschrikkelijk vindt en de ouders die er de oorzaak van zijn als immoreel beoordeelt. Men dient niet de dood te bestrijden, maar de geboorte, meent de anti-natalist. In het post-Roe tijdperk zou Cioran niet pro-life zijn, maar ook niet pro-choice. Eerder anti-life.

Cioran moet zich vaak genoeg ingebeeld hebben dat een abortus een stokje voor zijn geboorte in het Roemeense Rășinari in 1911 zou hebben gestoken. Naar eigen zeggen waren de vierentachtig jaren die volgden niets meer dan een aaneenschakeling van slapeloze nachten, goedkope maaltijden in Parijse studentencafetaria’s en uitputtende grafomanie. Niet bepaald iets om je ouders dankbaar voor te zijn. Toch volhardde Cioran in het leven, al was het maar om zijn ongeboren kinderen blij te maken: ‘O, als de kinderen die ik nooit heb gewild eens wisten welk geluk ze aan mij te danken hebben!’

 

*

 

Bekentenissen & banvloeken wordt meestal omschreven als een collectie aforismen, een term die doorgaans wordt opgevat als ‘beknopte wijsheden’. Lees: de spreuken van de Bond Zonder Naam of Loesje, maar dan een tikkeltje origineler. Die karakterisering is niet fout, maar dan moeten we onze opvatting van wat een aforisme kan zijn herzien. Tot Ciorans aforismen behoren immers niet alleen wijze slagzinnen, maar ook stijloefeningen, excentrieke definities, sloganeske tekstcommentaar, herinnerde dialoogfragmenten, jolige karakterschetsen, elliptische wanhoopskreten, seculiere mantra’s, biografische anekdotes, groteske microficties, nietzscheaanse polemieken, wildeaanse epigrammen, pascaliaanse pensées, scèneschetsen in telegramstijl, filosofische entr’actes tussen banale levensfragmenten, liederlijke variaties op ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’, en, zoals hij ze zelf beschrijft, ‘syllogismen van bitterheid’.

Hoewel de Franse filosofie het genre ondertussen heeft omarmd, worden aforisten in het academische discours nog al te vaak afgedaan als esoterische profeten. Hun werk is te fragmentarisch en te individueel om als een coherente theorie te bestuderen. De vrijheid die Cioran in het aforisme ervoer – ‘die overwinning van een gedesintegreerd ik’ – verklaart waarom zijn werk zo weinig becommentarieerd wordt: academici verkiezen consistente boven gespleten denkers. Geen betere manier volgens Cioran dan het aforisme te verdedigen met … een aforisme: ‘Fragmenten, vluchtige gedachten, zegt u. Kunnen we ze wel vluchtig noemen wanneer het obsessies betreft, gedachten dus die juist het kenmerk hebben dat ze niet vluchten?’

Ciorans denken is niet in een schema te gieten of bij één bepaalde filosofische traditie onder te brengen. Meer dan wie dan ook is hij een eclectisch filosoof, met invloeden uit Oost en West, een uitgebreide kennis van literatuur en theologie en een interesse in alle aspecten van de menselijke conditie. In Bekentenissen & banvloeken haalt hij de meest uiteenlopende denkers, schrijvers en religieuze figuren aan, wier gedachten hij als een naarstige snuffelhond afgaat in een zoektocht naar het ultieme inzicht.

Wat zijn tijdgenoten betreft waren het vooral de Franse existentialisten die Ciorans oeuvre mee kleurden, maar in dit laatste werk zet hij de opper-existentialist Jean-Paul Sartre tweemaal op zijn kop. Waar Antoine Roquentin in Sartres roman La Nausée (1938) nog jaloers was op een kastanjeboom omdat die door zijn geworteldheid niet de last van de vrijheid kende, denkt Cioran dat de rollen omgekeerd zijn: ‘Je zou zeggen dat de materie, uit jaloezie op het leven, er alles aan doet om het in de gaten te houden, om zo zijn zwakke plekken te vinden, en het te straffen voor zijn initiatieven en voor zijn verraad.’ De onbezielde wereld is volgens Cioran onze eeuwige vijand, volgens Sartres Roquentin ons onbereikbaar ideaal. De échte vijand, meent Sartre, is de mening van onze medemens: ‘L’enfer, c’est les autres.’ Maar in die oordeelbereidheid zit voor Cioran iets verrukkelijks: ‘De buitengewone deugd van de laster is dat die een vacuüm om je heen laat ontstaan zonder dat je er een vinger voor hoeft uit te steken.’

Ook mystiek, gnostiek en oosterse filosofie zijn alomtegenwoordig in dit werk, maar de meest directe lijn is te trekken naar Blaise Pascal, de zeventiende-eeuwse Franse filosoof die Cioran in dit werk meermaals expliciet vermeldt. Niet alleen vond Cioran het net zoals Pascal nodig in korte fragmenten te schrijven, maar ook hebben hun diagnoses van de menselijke conditie veel met elkaar gemeen. ‘Onze plek is ergens tussen zijn en niet-zijn’, schrijft Cioran. In zijn Pensées (1669) zegt Pascal iets gelijkaardigs; hij spreekt over de ‘disproportie van de mens’ als oorzaak van onze miserie. De mens bevindt zich namelijk tussen twee oneindigheden: het niets en het alles (dat met God geassocieerd wordt). Tegenover het niets voelen wij ons groot en belangrijk – een megalomanie die Pascal grandeur noemt. Tegenover het alles, daarentegen, voelen wij ons nietig. Deze tegenstrijdige gevoelens verklaren de verscheurdheid die ieder mens in zijn relatie tot het universum ervaart. Onze plaats in het midden is geen vast centrum, maar een wankel evenwicht. Dat laat zich ook lezen in deze uitspraak van Cioran: ‘Wat betekent de uitdrukking in zichzelf rusten eigenlijk voor ons, aan wie elk fundament ontbreekt, in ons en buiten ons?’ Voor een voortdurend vallend wezen is er geen rust.

Ciorans onderzoek naar het mens-zijn is naast een poging de mens te begrijpen ook de aanzet voor een praktische levensfilosofie. In navolging van antieke Indische en Grieks-Romeinse stromingen zoals de Advaita Vedānta-school en het stoïcisme heeft hij niet zozeer waarheid maar bevrijding op het oog. In Bekentenissen & banvloeken houdt hij, verspreid over een dozijn aforismen, een pleidooi voor nietsdoenerij. Voor de hand liggend is het feit dat iets doen futiel is. ‘Niets te hebben bereikt en overwerkt het graf in,’ zucht Cioran. Diep vanbinnen weet de burn-outgeneratie dat wel, maar wat wij productiviteitsbeesten niet beseffen is dat nietsdoen van grote waarde is, ja, zelfs productief! Om ‘het wezenlijke in te zien’, schrijft Cioran, ‘mag je geen enkel vak uitoefenen. Alleen de hele dag gestrekt liggen, en zuchten…’ De dagelijkse afmatting is ‘de doodsvijand van de meditatie’. Meer dan onze werkuren zijn het de uren die we uit diepe verveling op de klok zien wegtikken die ‘ons vormen, individualiseren en onderscheiden’. Wij associëren nietsdoen met passiviteit, luiheid en de resulterende schaamte. Fout, zegt Cioran: ‘We kunnen trots zijn op wat we hebben gedaan, maar we zouden nog veel trotser moeten zijn op wat we niet hebben gedaan. Die trots moet nog worden uitgevonden.’

Hoe overtuigend ook, Cioran beseft maar al te goed dat het dolce fare niente voor de meesten niet tot de mogelijkheden behoort. En dat niet alleen omwille van financiële overwegingen, maar door iets wat tot de kern van het menselijke bestaan behoort:

In plaats van op de gezichten van voorbijgangers te letten, keek ik naar hun voeten, en al die onrustige types werden gereduceerd tot stappen die zich haastten – maar waarheen? En toen werd me duidelijk dat het onze missie was om door het stof te zeulen, op zoek naar een van ernst verstoken mysterie.

Cioran erkent dat wij nood hebben aan wat Pascal divertissement noemt: een escapistische drang tot handelen om niet stil te moeten staan bij onze ‘disproportie’. Een eindeloze vakantie, schrijft hij, zou in de actuele wereld ‘leiden tot massale zelfmoorden en ongekende slachtpartijen’. Opgelegde nietsdoenerij behoort niet tot de opties zolang we onze handelingsdrift niet weten te overwinnen.

In de tussentijd kunnen we proberen onszelf steeds minder te gaan identificeren met wat wij voortbrengen. Wij zijn onze producten niet, lijkt Cioran te zeggen. Het ideaal dat hij vooruitschuift noemt hij ‘onthechting’. Hierbij is niet zozeer sprake van emotionele onthechting, zoals het stoïsche apatheia; het gaat eerder om de mens die zijn verbondenheid met de wereld en de drang die te bewerken – materiaal of immaterieel – opheft. In een andere context spreekt hij over ‘het beëindigen van de zielsverhuizing door verlichting’, volgens mij een verwijzing naar het concept mokṣa in oosterse filosofische doctrines, zoals de Indische Sāṅkhya-school. Het concept kan men vertalen als ‘bevrijding’ en wordt bereikt wanneer het Ik zijn eenheid (saṃyoga) met de Natuur (waartoe zijn lichaam behoort) weet te doorbreken. Het is dan ook niet vergezocht te beweren dat mokṣa een wezenlijke invloed heeft gehad op Ciorans opvattingen rond verlossing.

Dat klinkt allemaal heel beloftevol, maar hoe doe je dat juist, jezelf onthechten van de wereld? Verlossing blijkt niet zo simpel te zijn. Dan toch maar zelfmoord plegen? Op de vraag die Albert Camus het meest fundamenteel vond, gaf Cioran een van de doeltreffendste antwoorden tot nog toe: ‘Je van het leven ontdoen betekent jezelf het genoegen ontnemen er de spot mee te drijven.’ Toch vergaat ons soms eens het lachen en dienen we onze troostdorst op een andere manier te stillen. Wanneer ‘bestaansnieuwsgierigheid’ ons noopt toch verder te leven, is het soms niet zo slecht onverschrokken in de afgrond te kijken, want ‘door het lijden en het lijden alleen houden we op marionetten te zijn’.

En toch. Zou u er niet veel voor overhebben te horen wat een doorgewinterde lijder omschrijft als ‘de weerlegging van al mijn banvloeken’, ‘de enige manier om met het Hoogste in aanraking te komen’, ‘die beschermengel van de willozen’? Of waarover hij beweert ‘dat zij boven het leven verheven is – en uiteraard ook boven de dood’? Meer dan Bekentenissen & banvloeken lezen hoeft u niet te doen …

 

*

 

Noordboek Filosofie heeft zich in korte tijd ontpopt tot een van de interessantste uitgeverijen van ons taalgebied. Dat de uitgevers nu ook Emil Cioran tot een Nederlandstalig publiek willen herintroduceren is alleen maar toe te juichen. Niettemin stel ik mij de vraag of de lezer erbij gediend is aan de hand van dit werk met Cioran kennis te maken. Bekentenissen & banvloeken is niet alleen Ciorans laatste werk, maar ook relatief onbekend en weinig representatief voor zijn denken. Erger nog is dat het kwalitatief gezien mijlenver afstaat van zijn vroegere publicaties. Zijn beste boeken, Précis de décomposition (Korte uiteenzetting van verval, 1949) en De l’inconvénient d’être né (Over het ongemak van geboren zijn, 1973), zijn reeds in het Nederlands verschenen, maar een niet-vertaald Roemeens of ouder Frans werk zou een logischere keuze geweest zijn.

Ik betwijfel dat deze vertaling in Nederland of Vlaanderen voor een Ciorenaissance gaat zorgen. Ciorans humor en scherpzinnigheid schijnen bij momenten door, maar we lezen ook veel truïsmen, platitudes en al te pathetische of obscure uitspraken. Truïsme: ‘Elk verlangen roept bij mij een tegenverlangen op, zodat, wat ik ook doe, uiteindelijk alleen telt wat ik niet heb gedaan.’ Platitude: ‘Het feit dat het leven geen zin heeft, is een reden om te leven; de enige overigens.’ Pathetisch: ‘Ik heb zojuist een biografie doorgebladerd. Het idee dat alle personen die worden beschreven alleen nog in dit boek bestaan kwam mij zo ondraaglijk voor dat ik moest gaan liggen om een beroerte te voorkomen.’ Obscuur: ‘Deze dichter schrijft als de bliksem.’

Lezers van dit boek zullen Cioran als ongrijpbaar ervaren. Dat zal er na verdere lectuur niet beter op worden. Zijn radicale individualiteit, die, zoals Peter Sloterdijk in de introductie schrijft, leidt tot zijn ‘onnavolgbaarheid’, maakt van hem een mysterie. Cioran geeft ook zelf toe dat hij door zijn vele contradicties ‘niet de aangewezen persoon was om te protesteren tegen mensen die zichzelf zo ostentatief tegenspreken’. Toch was het vellen van ‘onverzoenlijke oordelen’ volgens hem ‘de enige manier om niet vals te spelen’. En uiteindelijk is het als lezer niet onze taak te bestuderen wat de schrijver denkt. ‘Literaire kritiek berust op een misvatting’, schrijft Cioran, ‘je moet niet lezen om anderen, maar om jezelf te begrijpen.’

 

 

Recensie door Emiel Roothooft

Noordboek Filosofie, 2022
Vertaald door: Jan Sietsma

Geplaatst op 08/09/2022

Categorie: Essays, Filosofie

Naar boven

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.