Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Kan u mij het openingsgedicht van Tussen mij, de jongste bundel van Maria Barnas (1973), helpen begrijpen? Ik heb meer vragen dan antwoorden.
Je tuin staat vol leugens weet je
als je om de dove slakken heen maait
en maar je ze niet eerst allemaal
met een boogje
waarom zo sierlijk shredder
over de sloot gooit naar het weiland
waar de schapen staan te staren
wijdbeens met dode ogen.
Ze spiegelen een vrouw aarzelend
aan de rand van een afgrond.
Vandaag oefent ze niet
dat het hummen van de snelweg
een lied van de aarde is.
Weet ze soms niet dat haar pretenties
danspatronen zijn van alle secure
shredders die haar voorgingen?
Het moment waarop ik mezelf
uitschakel een slak
oppak en maar net hard genoeg
knijp om grip te krijgen
op het slijmerige leven
zacht genoeg om niet dood.
Uitschakelen: ik ben er niet
om iets buiten mezelf mogelijk
te maken en maar weten
dit is hoe vernietiging aanvangt.
Hoe ik gooi
en maar maai
maal en mijn vingers
slakken zijn (herhaal)
We kunnen het er, denk ik, over eens zijn dat hier een vrouw in de tuin werkt. Vermoedelijk zoekt ze vaker verbinding met de natuur; vandaag oefent ze – waarschijnlijk uitzonderlijk – niet dat ‘het hummen van de snelweg / een lied van de aarde is’. Een ander geluid domineert dit tafereel: de titel van dit gedicht en van de openingsreeks is ‘Shhhr’. Het toestel dat de vrouw in haar hand heeft, lijkt zichzelf, terwijl het werkt, tot stilte aan te manen. De eerste zoekresultaten die je krijgt als je het woord ‘shredder’ intikt op Google zijn kantoorartikelen, versnipperaars. Ik ga er, hoe absurd het tafereel in het gedicht ook is, van uit dat de protagonist daar niet mee aan de slag is in haar tuin, en zelfs niet met zo’n machine waarin gesnoeide takken worden verhakseld. De hoofdfiguur moet zich bedienen van een grastrimmer – geen robuuste, brede grasmaaier, maar een smal en wendbaar toestel waarmee men heel precies kan werken, als men wil.
Er zijn ongetwijfeld betere tuiniers. In ‘Ha-ha’ uit de slotreeks klinkt het: ‘nee / ik kan niet naar buiten ik ben aan het lezen / lees liever over tuinieren dan dat ik iets doe / in de tuin’. Het gras wordt niet gelijkmatig gemaaid; er wordt niet gestaag doorgewerkt. De arbeid wordt voortdurend onderbroken door de pogingen van het hoofdpersonage de slakken te sparen. Daarbij lijkt sprake van een dubbele modus operandi. De hoofdpersoon probeert om ze heen te maaien, wat een gek gazon oplevert. Maar ze huldigt ook het zelfbedachte principe – er is sprake van ‘pretenties’ – uit de eerste drie strofen en verlangt van zichzelf dat ze de slakken uit de tuin evacueert, over een slootje heen een weiland, dus terug de woestere natuur in. Daarvoor moet ze zichzelf en haar weerzin overwinnen. Het wordt lang uitgesteld en het komt er pas in de zevende strofe, ‘Het moment waarop ik mezelf / uitschakel een slak / oppak en maar net hard genoeg / knijp om grip te krijgen / op het slijmerige leven // zacht genoeg om niet dood’. O wat is ze secuur. O wat een goed mens. Gelooft u dat? Of twijfelt u samen met mij? Wil de vrouw de slakken redden, of verjagen uit haar paradijs?
De retorische vraag ‘waarom zo sierlijk shredder’ vormt als geïsoleerd vers op zichzelf de tweede strofe – vers vier loopt verder in vers zes. In de zesde strofe is er sprake van ‘danspatronen […] van alle secure / shredders die haar voorgingen’. Sierlijk dansen met de shredder!? Terwijl een ongeval zo snel gebeurd is!? De titel zou in plaats van het continue gezoem het specifieke, kortstondiger geluid kunnen zijn dat de machine maakt als er een slak in sukkelt.
Ik moet het scherper formuleren, het durven vragen: heeft de vrouw diep vanbinnen een sadistisch plezier in het ‘redden’ van de slakken? Valt zij in wezen samen met de shredder, de vernietiger, en is de zwierige zwaai waarmee ze het slijmerige beest het weiland inkeilt een wegwerpbeweging? ‘[U]itschakel een slak’: het kan als een imperatief klinken voor iemand die zich weinig aantrekt van scheidbare werkwoorden – de passage maakt in ieder geval duidelijk hoe sterk Barnas is in enjambement. Overleven slakken zo’n worp over een sloot naar een weiland wel? Het zal ze toch geen deugd doen, denk ik dan. Eten schapen – ze worden hier weinig aantrekkelijk voorgesteld, zo wijdbeens en met ‘dode ogen’ – eigenlijk slakken – néé, toch!?
Overdrijf ik nu, met die achterdocht en die verdachtmakingen? Misschien wel. Er zit veel dierenliefde in de bundel. Maar soms ook iets destructiefs. Wanneer in ‘Lied’ de mooiste schaal van de moeder – het pronkstuk, de schaal voor de gasten – breekt, klinkt het: ‘Achteraf wisten we niet zeker / of onze angst de schaal te breken / een verlangen was’. Een schaal is nog geen dier, natuurlijk.
In ieder geval, de hoofdfiguur benoemt het mechanisme van het zichzelf-uitschakelen expliciet. En hoewel dat mechanisme vaak ontstaat uit versterving en nobele intenties, focust zij op de gevaarlijke kant ervan: ‘en maar weten / dit is hoe vernietiging aanvangt’. Hoevelen van die jonge enthousiaste Duitsers gingen in de late jaren 30 van de vorige eeuw in de tuin van hun oma helpen? Zovele donkere verhalen uit de geschiedenis, kleine en grote, echoën in deze verzen.
Het uitschakelen van zichzelf lijkt uiteindelijk te leiden tot de vernietiging van zichzelf. Aan het eind is de vrouw, die eerst nog ‘aarzelend / aan de rand van de afgrond’ stond, een mechaniek geworden. Er staat geen punt aan het eind van het gedicht – geen enkel van deze gedichten wordt op die manier afgesloten, trouwens; ze blijven in zovele opzichten open – dus de haast machinale beweging van maaien, malen en gooien is eindeloos. In de slotstrofe zijn de vingers van de hoofdfiguur echter ook slakken. Op een dag zal zij een soortgelijk lot ondergaan.
Toen ik Els Moors (1976) voor Poëziekrant interviewde over haar jongste bundel Voer voor struikrovers (2025), zei zij: ‘Ik denk dat ik zowel de struikrover ben als het voer. Het is zoals met de jager en zijn prooi; die hebben een soort afspraak. Er is een mooi beeld… Ik heb het in The Songlines van Bruce Chatwin gevonden; het staat ook in Massa en Macht van Elias Canetti. De jager neemt de gedaante aan van de prooi terwijl hij jaagt. Hij loopt zoals zijn prooi, verft zijn lichaam in de kleuren van het dier en kopieert de geluiden. Jager en prooi worden één’.
Ook in de nieuwe Barnas is niets ondubbelzinnig. Als het openingsvers ‘Je tuin staat vol leugens weet je’ luidt, mag daarbij gerust gedacht worden aan de eigen intieme tuin, de diepste kern van de mens. Men is zelfs niet eerlijk met zichzelf. Men is een meervoud, trouwens, lijkt ook de boodschap van de titel – Barnas houdt van verrassende en wat ontwrichtende uithangborden.
Meervoud
Men is een meervoud. In het titelgedicht is de hoofdfiguur koortsachtig op zoek naar een schrijfplek, maar haar leven als moeder staat haar op dat moment in de weg. De dichter en de moeder zijn verschillende identiteiten in haar, die geregeld in conflict komen. Dat blijkt ook uit ‘Wil je mijn obstakel zijn?’ uit de eerste reeks. Daar zijn de slaap en het opgaan in de natuur belangrijk. Men wordt een slak, een boom, een bos; vele gedichten lijken het relaas van een droom. Wie is men als men zich in het parallelle universum van de slaap bevindt, als men versmelt met de natuur? Is men dan nog zichzelf, is men een rijkere versie van zichzelf? In ‘Wil je mijn obstakel zijn’ wordt een moeder brutaal uit haar droomwereld gerukt door een zoon die haar wil reduceren tot obstakel in zijn basketbaloefening.
Het ik en de complexiteit daarvan, alsook de trieste cocktail van aan- en afwezigheid, spelen al een rol in het motto uit Bread of Angels (2025), het recentste deel uit de memoires van Patti Smith: ‘And so, though visible to all, I would sometimes disappear’. Het ik is, of de ikken zijn, onvatbaar. Het gedicht ‘En trouwens’ uit de tweede reeks begint met: ‘Kan iemand me vertellen / of ik een inner child heb of ben // ik iemand anders misschien / als ik haar moet omhelzen / ben ik dat dan niet zelf?’. Toen men nog geen inner child had maar een kind was, was het leven simpeler: ‘Heel was ik / toen ik in bomen / klom met hele armen / en benen de takken / hingen en sprongen / de bast omarmend / die van ons was’. Met de jaren verandert er veel. Door bewustwording. Door lichamelijke ongemakken ook. Het gedicht ‘Echo’ dat begint met ‘Waarom belt hij niet?’ gaat niet over een romantische ontgoocheling; er wordt gewacht op een arts die het resultaat van een onderzoek zou meedelen. De ik wil hem vertellen ‘dat ik / ben vergeten hoe samen te vallen met dit vlees dat mij omhult // dat ik ooit mijn lichaam was en dat ik op een dag een lichaam / had. Dat mijn ik-gewrichten er nog van kraken’.
Bij de ervaring van het ik spelen ook de taal en het culturele erfgoed een rol. De taal heeft hier iets performatiefs; een roep- of troetelnaam heeft zijn impact op de identiteit, blijkt uit het gedicht ‘Wij’: ‘Als je Maria heet en Mariken wordt / genoemd geloof je dat je er wel bent / maar door een ander vervangen / ook ergens anders rondzwerft. Waar // ben je dan?’. Er wordt daarbij gedacht aan het verhaal van Mariken van Nieumeghen uit de zestiende eeuw, dat aspecten heeft van een mirakelspel. Mariken raakte van het paadje af en leefde zeven jaar samen met de duivel. De moraal van het verhaal is dat iedereen die werkelijk berouw heeft vergiffenis kan krijgen door bemiddeling van Maria. ‘En dat mirakels van goden / of duivels komen geeft vleugels / die zich om mijn lichaam wikkelen / me inbakeren in een slaap // dieper dan die van mij’ : de ik-figuur voelt zich geborgen in de traditie, het grotere geheel. Die traditie, dat grotere geheel manifesteert zich ook in haar. ‘Ik was mezelf en toch ook alle anderen’, klinkt het in ‘Wij’.
Dit leidt ertoe dat de ik-figuur geregeld een woordvoerster wordt, de stem van de stemlozen. Bij momenten is de spreekstem expliciet en militant feministisch, zonder dat deze poëzie aan poëtische kwaliteit inboet. In ‘Ghosts and how to see them’, het titelgedicht van de slotreeks, reageert ze op eeuwen van sois belle et tais-toi en stelt ze zelf vragen bij haar toon – door het gewicht van de traditie weet ze niet goed hoe ze moet klinken –, vragen die overgaan in een oproep:
Ben ik te uitgesproken?
Dit lichaam het hoeft niet mooi te zijn
wat ervan wordt verlangd wat het kan
zeggen zeg iets!
over hoe het is om soms meer gedaante
dan aanwezig te zijn en vermoeden
dat deze haperende bestaansvorm
voortkomt uit een lange lijn gedaanten
die een geschiedenis belichamen
waarin het vrouwenlichaam
het is niet mooi de vrouw werd ontzegd.
Weten we niet hoe we eruitzien
en hoe we moeten klinken
als dat voor ons werd bepaald
waardoor ik wij
niet volledig kan kunnen bestaan
klinkt dit niet mooi mooi
dat is het ook niet
daar gaat het niet om. Laat mij zomaar
zijn en bij vlagen wij’
In ‘Tegenactie’ klinkt het nog feller. Het gedicht begint met een overweging die de hoofdfiguur zelf meteen ironisch of zelfs sarcastisch weglacht: ‘Misschien is mijn hele leven wel bruikbaar voor wat ik wil schrijven / over er zijn maar me niet aanwezig voelen ja haha lekker makkelijk / maar waarom niet denk ik nu ik op mijn hurken de vloertegels / van de badkamer schrob met een zeldzaam aplomb’. Even later klinkt het: ‘Tegen wie / ik het heb? Tegen mezelf en een zelf in iedereen die het niet wil horen // dit wordt het verslag van wegvagen en uitvagen en terugslaan / met alles wat ik in me heb en wie ik in me meedraag’. Grote schoonmaak. Ook in ‘Raakgodin’ heeft de wraakgodin die aan het woord is het moeilijk met de manier waarop er eeuwenlang, generatie na generatie met vrouwen is omgegaan ( het element ‘ervende’ in ‘Het is maar een zw / ervende baarmoeder zeiden ze / wanhopig op zoek naar een kind’ ) en voorziet zij een soort dag des oordeels. Dan ‘zullen de vragen / met de kracht van w / raakgodinnen / een kleurverloop / doen opvlammen in onze woede // om hoe ons het zwijgen werd’ – zo dreigend eindigt het gedicht.
Tranenkruikje
In ‘Tegenactie’ wordt verwezen naar muziek van The Cure; de newwaveband wordt bij naam genoemd. In een verantwoording staat een woordje uitleg bij de gekozen motto’s. In ‘Raakgodin’ is de verwijzing subtieler. Het beeld van het tranenkruikje – een kruikje dat men vaak in antieke graven vindt en waarin, naar men meende, de bloedverwanten van de overledene hun tranen verzamelden – kan de lezer herinneren aan het gedicht ‘Tränenkrüglein’ van Rainer Maria Rilke (1875-1926), waarin zo’n tranenflesje jaloers lijkt op de collega’s die wijn en olie mogen omvatten – zijn eigen inhoud heeft hem gebroken en leeggemaakt. De panter uit het gedicht ‘Nabeelden’, over een bezoek aan de zoo waar men aan beide kanten van de tralies gevangenzit, is eveneens een referentie aan een gedicht van Rilke. Barnas eindigt met ‘Achter de spijlen slijten / mijn passen een kring om wat een wil // moet zijn die sterk is en een zelf’. Dat hele in wezen onvatbare zelf, en het zich willen bevrijden en ontvoogden, wordt ook een tredmolen, een gevangenis.
en maar
‘Het is maar een zw / ervende baarmoeder zeiden ze / wanhopig op zoek naar een kind’: het zal inmiddels duidelijk zijn dat de taal, de vorm in de poëzie van Maria Barnas bijdraagt tot de boodschap, dat ze die onderstreept en zichtbaar maakt. In het openingsgedicht staat driemaal ‘en maar’ – het woordgroepje komt later in de bundel terug. Het kan het aarzelende, stamelende en/of het enthousiaste over elkaar heen buitelen van woorden in de spreektaal tonen. Om een soort poëtische algebra te proberen: als de ‘en’ het affirmatieve is, de ‘maar’ het negatieve, dan tonen deze woorden samen de dubbelheid van alles. In combinatie met andere woorden voegen ze nuances toe, zoals in ‘en maar net hard genoeg’, of intensifiëren ze een gevoel van medeplichtigheid, zoals in ‘en maar weten / dit is hoe vernietiging aanvangt’.
De gelaagdheid van deze poëzie wordt niet alleen bereikt door de taal in al haar rijkdom, maar ook in al haar gebrekkigheid in te zetten. Of wat vindt u van dit poëtische gestotter uit het al genoemde ‘En trouwens’ over het ‘inner child’: ‘Wie laat ik achter als ik / je bent goed zoals je bent / blijf zeggen huilt ze / zonder einde en w / wie weet wat dat betekent. // Haar troosten is een afscheid / en we splijten en het spl / spijt me ik wil je niet kwijt’. In het gedicht ‘Twee’ vallen grote delen van woorden weg: ‘Was het dat de wolken / terugweken toen we stapten in het w // was het dat het gras hoger / reikte dan w’. Die woorden (wij? wit?) schitteren door afwezigheid.
Terwijl de bundel de indruk lijkt te willen wekken spreektalig, snel en slordig te zijn – ook doordat vele gedichten een soort stream of consciousness schijnen, of de gedichten die het relaas van een droom zijn een stream of unconsciousness – is hij door en door doorwrocht. De manier waarop Barnas haar reeksen en de bundel als geheel opbouwt, de manier waarop ze met motieven, herhalingen en hernemingen werkt – er zijn kleine elektrische schokjes van herkenning, van déjà-vu verspreid over het hele boek – mag indrukwekkend genoemd worden. De vier reeksen waaruit Tussen mij bestaat hebben alle een focus. Het opgaan in de natuur in ‘Shhhr’. Dood en uiteenvallen in ‘Ben je de paarden weer aan het vermijden’. Het afscheid van een psychisch zieke ex-geliefde in ‘Pillen en sneeuwvlokken’ (‘Zie jij ook hoe de kamer verschuift / als je je afwendt wat zie je zie je het? // Hij werd pas rustig als ik zou zien / wat hij zag’). De moederfiguur en erfgoed in het algemeen in ‘Ghosts and how to see them’. De reeksen zijn verschillend en vormen toch een coherent geheel. Verder hebben deze gedichten vaak een hoog visueel gehalte, wat niet wil zeggen dat men ze ooit helder op het netvlies krijgt. Barnas slaagt erin toegankelijk te lijken en de lezer tegelijk respect in te trappen, voor de standpunten die in de bundel zitten, maar ook en vooral voor het fundamentele raadsel van de poëzie. Vele delen van mij hebben deze bundel graag gelezen.
Reacties
Martin Berghoef
Anneleen De Coux leest een gedicht en vertrouwt het meteen niet.
Dat kan. Wantrouwen is een mooie motor. Maar je moet wel ergens parkeren.
In haar stuk over Tussen mij van Maria Barnas zie je iemand die een slak oppakt en er een ideologie van maakt. Voor hij goed en wel beseft dat het gewoon een nat beestje is dat onder een randje kroop.
Ze begint sterk. Echt. Ze zit dicht op de taal, hoort dat “uitschakelen”, voelt dat er iets schuurt.
En dan gebeurt het.
Dan wil ze winnen.
Plots wordt elk grasprietje verdacht.
Elke handeling een mogelijk misdrijf.
Elke nuance een bekentenis die nog net niet is uitgesproken.
Ergens halverwege duiken de jaren dertig op.
Altijd gezellig, de jaren dertig.
Alsof elk gedicht dat een beetje morele wrijving toont meteen een trein richting geschiedenisles moet nemen.
Dat is geen lezen meer.
Dat is gewicht heffen met andermans regels.
Ze stelt vragen. Veel vragen.
Van die vragen die al weten wat het antwoord moet zijn.
“Is dit sadistisch?”
Nee.
Of beter: dat is de minst interessante vraag die je hier kan stellen.
Wat ze mist, is eenvoud.
Niet domheid — eenvoud.
Het gedicht zegt:
ik doe iets kleins
ik zet mezelf uit
ik voel dat dat fout is
en ik ga toch door
Meer heb je niet nodig.
Maar De Coux wil er een systeem van maken.
Een mechaniek. Een moreel laboratorium.
Ze zet er TL-licht op waar het gedicht net in halfduister wil blijven staan.
En dat “of vergis ik me?” dat ze tussendoor laat vallen —
dat is geen twijfel, dat is decor.
Want vergissen mag, maar dan moet je ook durven stoppen.
Nu gaat ze door.
En nog eens.
En nog eens.
En voor je het weet heeft ze een slak drie keer gered, vier keer verdacht en vijf keer historisch ingekaderd, terwijl het gedicht allang ergens anders zit.
Kort gezegd:
Ze leest scherp
maar knijpt te hard
en je voelt het beestje al lang niet meer bewegen.
Neske Beks
“Vele delen van mij hebben deze bundel graag gelezen.”, schrijft Anneleen Decoux als laatste zin in een recensie die ik per toeval las en die me achterlaat met een knoop in de maag. De bundel durf ik hierna niet te lezen. Woorden als eerlijk genoeg en militant feminisme hebben zich zo in mijn lezersoog geboord dat ik niet meer durf.
Het is nog voor acht en ik begin de dag met het verdriet van Anneleen, dat ik tussen de woorden voelde. Schreven recensenten maar vaker vanuit wat ze graag gelezen hebben. Als ik recenseer voor de boekengids is dat de voorwaarde die ik mezelf stel.
Anneleen, een arm om je schouder. De wereld is shrrr, maar het komt vast goed.
P.s. in 2016 maakte ik een korte film, Maria een portret over Barnas, die Mariken/Marieke genoemd wordt door intimi. Veel geleerd over woorden en geluiden. Zie dat ook eens, Anneleen.
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.