Autobiografie, Recensies

Driemaal tien

Wat ik nog weet

Annie M.G. Schmidt

Je zou het, met wat slechte wil, een allegaartje kunnen noemen. De verantwoording van uitgeverskoppel Tine van Buul en Reinold Kuipers, die samen van 1960 tot 1979 Querido leidden en die allebei in het eerste decennium van dit millennium overleden, is wat vaag, maar wat dat betreft duidelijk genoeg. Wat ik nog weet, dat voor het eerst verscheen rond de tachtigste verjaardag van Annie M.G. Schmidt (1911-1995), bestaat voor een deel uit ‘columns’ die zij in de eerste helft van de jaren ’50 in Het Parool liet verschijnen en die ‘soms niet’ in de bundelingen van die columns werden opgenomen om hun autobiografische aard. Toen Schmidt ‘na een onderbreking van vele jaren’ opnieuw aan die krant ging meewerken en iedere week een stukje leverde onder de titel ‘Wat ik nog weet’, kreeg die autobiografische literatuur het vervolg waarop al lang gehoopt werd. ‘Deze cursiefjes, enkele al te afwijkende uitgezonderd, plus iets uit Dàt was nog eens lezen! (1972) en NRC Handelsblad (dit past er als slotstuk bij), vormen met de oudere, in verwachting bewaarde teksten Wat ik nog weet’, luidt het. Het weze duidelijk dat we hier niet te maken hebben met een wetenschappelijke en tekstkritische editie. Wel hebben we te maken met een mooi opgebouwd en aangenaam leesbaar boekje, dat Annie M.G. Schmidt en het verleden waaraan zij op haar eigen wijze herinneringen ophaalt weer zeer levendig maakt. Dat in deze heruitgave ook het laatste interview met haar – door journalist, romanschrijver en biograaf Alex Verburg – is opgenomen, versterkt die levendigheid alleen maar.

 

Elektriciteit

Wat ik nog weet kan de lezer, zeker de lezer die met Schmidts boeken is opgegroeid, nostalgisch stemmen, maar wellicht meer naar die kinderlijke leeservaringen dan naar het verleden dat hier beschreven wordt. Schmidt had veel om op terug te kijken. Wie leefde van 1911 tot 1995 heeft zowat de hele bewogen twintigste eeuw meegemaakt, en zeker wie vond dat de twintigste eeuw pas in de jaren ’20 van start ging.

 

Er wordt vaak gezegd dat de twintigste eeuw pas begonnen is in 1914. Althans in Europa met de Eerste Wereldoorlog. Maar het kleine Zeeuwse boerendorp had de hele wereldoorlog door geslapen […]. Voor ons begon de twintigste eeuw pas in de jaren twintig en eigenlijk door de komst van het elektrische licht. Het was alsof de heer Philips wou laten zien hoe stoffig het dorp eruitzag nu het bestraald werd door zijn peer.

 

Dat stoffige dorp was Kapelle, waar Annie M.G. Schmidt opgroeide als domineesdochter. Voor de elektriciteit naar Kapelle kwam, ging Kapelle, tussen haakjes, al eens naar de elektriciteit. Het relaas van een bezoek aan een tentoonstelling daarover in Amsterdam met haar ouders – een hele uitstap met een overnachting – is buitengewoon vermakelijk.

 

In het hotel hadden we een kamer met ons drieën. We stonden op een kluitje bij het knopje van het elektrische licht. ‘Niet aankomen!’ riep m’n moeder. Maar m’n vader keek olijk en zei: ‘Er zij licht.’ Toen draaide hij het knopje om. ‘En er wàs licht,’ zei hij eerbiedig en geroerd. We wiegden alle drie heen en weer van verrukking.

 

Evoluties die de hele wereld veranderden vormen in Wat ik nog weet de achtergrond, komen soms op de voorgrond, gaan in ieder geval hand in hand met de evoluties in het persoonlijke leven van Annie M.G. Schmidt.

 

Ausgebaut

Zo is er de oorlog. Toen Annie met haar studie sukkelde, hielp een vriend van de familie haar uitvliegen. Of hielp hij haar uitbuiten? Hij regelde dat ze au pair kon worden in een adellijke familie in Hannover.  De Tweede Wereldoorlog stond al op een vuurtje te pruttelen. Tegen die voormalige vriend des huizes zou Annie het later – wat ouder, minder naïef en inmiddels directeur van de bibliotheek van Vlissingen – nog moeten opnemen toen hij oorlogsburgemeester was en haar bib wat meer Duitsgezind wou. Maar in 1930 stelde niemand in de nochtans ontwikkelde familie Schmidt zich vragen – liever Hannover dan het eerste voorstel Parijs in ieder geval (‘Parijs!’ riep mijn moeder verschrikt uit. ‘[…] Dan kan ik haar net zo goed meteen in een bordeel doen.’) Moeder Geertruida komt Annie, die het contrast tussen de kitsch binnen en de grimmige sfeer buiten én het vele onbezoldigde huishoudelijke werk toch al beu was, op haar verjaardag in Hannover verrassen met een bezoek, en weghalen:

 

Mijn moeder beheerste de kunst om met een allerliefste glimlach de hatelijkste dingen te zeggen. En ’s middags bij de Kaffee mit Kuchen zei ze poeslief: ‘Ich habe die Idee, dass meine Tochter hier ein bischen wird ausgebaut.’ […] Ze wilde zeggen: uitgebuit. De tantes waren verrukt. Ausgebaut, jawohl. Gegroeid, rijper geworden, verrijkt. Jawohl. 

 

Dankzij het misverstand kon Annie zonder ruzie uit Hannover vertrekken. Een soortgelijk misverstand was minder in haar voordeel toen ze, naar aanleiding van de prestigieuze Hans Christian Andersenprijs die ze in 1988 kreeg, aan een Engelstalige journalist wou vertellen dat ze opgevoed was met zijn sprookjesboeken en zei: ‘I’m fed up with Andersen’.

 

Revolutie

Naast de elektriciteit en de oorlog kwam het feminisme haar leven binnen in de vorm van een portefeuille met nationale en internationale tijdschriften die tweemaal per week met paard en koets werd geleverd; ze beschouwde het als de grootste weelde van hun bestaan. De feministische ideeën staken haar voor het overige erg conservatieve moeder zo aan dat er klachten kwamen bij de dominee over wat zijn vrouw allemaal verkondigde in haar vrouwenclubjes.

Kort, concreet en treffend schetst Schmidt ook de seksuele revolutie die Kapelle aandeed (nou ja) in de gedaante van het stadsmeisje Linda dat privé-catechisatielessen volgde bij haar vader en dat zich plots een ander kapsel en een wat schaarsere kledingstijl aanmat. Haar vader nam de vlucht voorwaarts naar de kerk.

 

Jammer, Linda. Dominee is niet goed. Hij heeft het benauwd. Hij is ziek.’

‘Maar ik zag hem nu net lopen,’ zei Linda. ‘Buiten. Hij holde naar de kerk.’

‘Daar heb je ‘t,’ zei m’n moeder. ‘Als hij het benauwd heeft holt hij altijd naar de kerk.’

 

Wat die kerk betreft, waren er ook evoluties zichtbaar. Het was niet zo dat er in het domineesgezin rotsvast werd geloofd. Wanneer Annie onder invloed van een streng gelovige  verloofde wat fanatieker werd, kwam haar dat thuis vooral op ironie te staan. En wanneer de verloving uit was – Annie, die je ziet uitgroeien van een naïef kind tot een vrijgevochten vrouw met liberale ideeën, voelde er weinig voor te bidden voor het vrijen – reageerde haar moeder laconiek met ‘Goddank’.

 

Mevrouw

Er is hierboven bijna evenveel sprake geweest van Annies moeder als van Annie zelf. Dat is niet toevallig. De vrouw die voordien twee dochters verloor (‘Ik was de derde Anna Maria Geertruida Schmidt’, zo klinkt het aan het begin van hoofdstuk 2) eiste haar als kind volledig voor zich op. De moeder – en in het bijzonder haar ambitie een ‘mevrouw’ te worden, dus goed te trouwen – staat al centraal in het eerste hoofdstukje. Een mevrouw werd ze en bleef ze, ook toen ze stokoud was, dementeerde, uit het bejaardentehuis werd gegooid en niet terecht kon bij haar radeloze kinderen.

 

Met mijn broer reed ik erheen, verzamelde al mijn moed en vroeg: ‘Wanne, zou mijn moeder bij jou mogen wonen?’

Ze verstond me niet. Wanne was doof geworden, nadat ze bij ons van de zoldertrap was gevallen en een zware hersenschudding had opgelopen. Ik moest de vraag luid herhalen en schaamde me diep. Het zou logisch zijn geweest als ze had geroepen: ‘Wàt! Je ouwe moeder in huis nemen die me altijd heeft uitgebuit? Bij wie ik honderd gulden per jaar verdiende? In de pastorie waar ik op het meidenkamertje moest slapen, waar ik van de zoldertrap ben afgemieterd en doof ben geworden? Waar ik in de keuken moest eten, waar ik – toen er nog geen wc was – jarenlang de pispotten heb moeten legen? Hoe durf je me zoiets te vragen?’

Zo’n antwoord verwachtte ik, en het zou een heel terecht antwoord geweest zijn. Maar ze zei niets van dien aard; ze begon te stralen. ‘Mevrouw bij mij hier?’ vroeg ze. ‘Mijn mevrouw? Natuurlijk vind ik het fijn als ze komt, maar mijn huisje is zo eenvoudig. Ze is het veel deftiger gewend.’

 

Deze mevrouw had ook qua levenshouding en taalgebruik een grote invloed op Annie M.G. Schmidt, die haar verleden hier met een registrerende maar ook steeds wat ironische blik beschrijft. De korte teksten in Wat ik nog weet vertonen dezelfde economie van woorden en de onderkoelde humor van bijvoorbeeld haar Jip en Janneke, haar Wiplala, alsook het spreektalige dat even nuchter als sappig is. De roots daarvan worden duidelijk in ‘Prieel’, in een weergave van een gesprek van haar moeder en tante:

 

‘Ach Truida,’ zei tante Mieke. ‘Mijn Siebe is een Fries. Dat zegt toch alles? Friezen zijn geen mensen.’

‘Je bedoelt dat je nergens met ‘m over kan praten?’ vroeg m’n moeder.

‘Precies. Nergens over. Volstrekt onmogelijk om mee om te gaan.’

‘Maar Mieke,’ zei m’n moeder. ‘Johan is net zo. Luistert ook niet, ook volstrekt onmogelijk om mee om te gaan. Zal ik je eens wat zeggen? Mannen zijn onmogelijk om mee om te gaan. Ach, lieve Mieke. Mannen zijn geen mensen!’

‘Zeer waar,’ zei tante Mieke. Ze schaterden allebei en dronken thee.

 

In het interview met Alex Verburg bevestigt Schmidt het belang van haar moeders uitspraken en erkent ze: ‘[D]e houding van mijn moeder tegenover het hele leven was zoiets ironisch en spottends, dat heb ik toch wel ontzettend van haar overgenomen, en geërfd waarschijnlijk.’

 

Een jaar of tien

Het interview dat Verburg van Schmidt heeft afgenomen, dat anders moest worden dan alle andere (‘Want ik voel me soms net een afgekloven bot’) en dat het laatste vraaggesprek met haar zou blijken, gaat over de bevrijding – in de eerste plaats die na de oorlog, maar ook over haar nakende dood en hoe ze die precies zag. Op het moment van het interview vond ze het leven nog opwegen tegen de ongemakken van de oude dag – niet zo lang daarna werd ze niettemin levenloos aangetroffen met een lege fles wijn en lege blisters medicatie. Aan Verburg vertelde ze met enthousiasme over haar oceanische gevoel, over haar leven mét haar lieve doden, en over het eeuwige of niet zo eeuwige voortbestaan van haar werk. Schmidt was al gelukkig met de weerklank die haar boeken tijdens haar leven hadden gevonden.

 

Wat ik erg apprecieer, zijn die drie generaties die langs mijn tafel liepen als ik boeken signeerde. Grootouders van een jaar of zestig, die mijn werk aan hun kinderen hebben voorgelezen, en die kinderen lezen het nu weer aan de kleinkindertjes voor. En die drie hebben ervan genoten, vinden het mooi, en dan komen ze met flodderige, stukgelezen Fluitketeltjes aan en daar moet dan nog een handtekening in. Dat vind ik enig, énig. Maar dat heeft niks te maken met op een voetstuk zetten [want daar hou ik niet van]. Dat is gewoon: we hebben je lief, je hebt een hoop voor ons gedaan en dat vinden we heerlijk. Daar ben ik gelukkig mee.

 

Als Alex Verburg haar vraagt of ze het belangrijk vindt dat ze nog even niet vergeten wordt, antwoordt ze, even koket als down-to-earth: ‘Jawel, hoor. Je kan alleen nooit zeggen of over vijftig of zestig jaar na mijn dood… Maar ik weet zeker dat het nog wel een jaar of tien zal doorgaan en daar mag ik ook al blij mee zijn.’

Het is een goede zaak dat Wat ik nog weet, dit mooie document, dertig jaar na Schmidts dood samen met het laatste interview is herdrukt in een democratisch geprijsde paperbackversie. In die vorm is zij ongetwijfeld weer onder een heel aantal kerstbomen terechtgekomen, wat aantoont hoezeer zij, net als haar kinderboeken, dertig jaar later nog leeft.

Querido, Amsterdam, 2025
ISBN 9789025320119
192p.

Geplaatst op 13/01/2026

Tags: Alex Verburg, Annie M.G. Schmidt, Wat ik nog weet

Categorie: Autobiografie, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.