De allerlaatste romanticus?

De weldoener

P.F. Thomése

De vijftigjarige componist Sierk Wolffensperger, hoofdpersoon van De Weldoener van P.F. Thomése, meent ingewijd te zijn in de ‘mysteries van het goede, ware en schone’, maar deze verheven kennis redt hem niet van een jammerlijke, door een wispelturige tiener bewerkstelligde ondergang. De weldoener zet ons een gedateerde componist voor die vervuld is van een hoogdravend, zo men wil humanistisch kunstideaal, een commerciële succescomponist die zijn tegenpool is, een schrijnend generatieconflict en een onverschillige samenleving die geen kunst nodig heeft om zich te vermaken. Zou een roman met deze ingrediënten niet iets te zeggen hebben over de fameuze ‘ontwaarding’ van de literatuur, waarover ophef ontstond na de verschijning van De revanche van de roman van Thomas Vaessens? De weldoener mag in het licht van deze ontwaarding dan herkenbare thema’s aanroeren, bij nader inzien is het allerminst zonneklaar wat de strekking is van de bijdrage die roman aan het debat zou leveren – voor zover over zo’n bijdrage gesproken zou kunnen worden bij een principieel dubbelzinnig genre als literatuur.

Een schrijver met meerdere gezichten


Vaessens schetst een beeld van een postmoderne cultuur waarin het lezen van literatuur,zijn glans heeft verloren. Ook voor wie geen lezer was vertegenwoordigde literaire kunst tot laat in de twintigste eeuw nog een hogere waarde, iets wat respect verdiende – omdat dat nu eenmaal zo was. Auteurs en critici koesterden het credo van de autonomie en zuiverheid van literaire kunst en van de artistieke en morele waarde van een verzameling literaire werken die alom aandacht en bewondering verdiende. Literatuur stond voor een hogere graad van vorming, voor een ontwikkeld, misschien wel beter mens-zijn. Nu constateert Vaessens niet alleen de teloorgang van dit humanistische cultuurideaal, hij kwalificeert het tevens als een achterhaalde ideologie. Postmoderne theorie, door haar relativisme weliswaar mede de oorzaak van een culturele impasse, heeft in zijn ogen overtuigend aangetoond dat de waarden in kwestie pretentie zijn en geen vanzelfsprekendheid hebben. Ze blijven niet overeind voor de kritische blik van poststructuralistische taaltheorie, ideologiekritiek of literatuursociologie. Literatuur dient zich daarom, wil zij nog toekomst hebben, te bevrijden uit haar ivoren toren en zich te engageren: minder literair, meer maatschappelijk ‘direct’.

De weldoener is volgens de achterflap een ‘liefdesroman’ en daar heeft hij op het eerste gezicht ook wel wat van weg. Nu is de liefde, en dan vooral de onmogelijke liefde, van oudsher een dankbaar vehikel voor een abstracter thema als het kunstenaarschap. De onbereikbaarheid van de geliefde is de brandstof van de verbeelding. Zo beleeft Sierk zijn meest gloedvolle momenten als hij zich niet in één ruimte bevindt met zijn tienergeliefde Beertje. Weliswaar vluchten ze samen, maar dat is allerminst een bewijs van een wederzijdse liefde. Beertje is in de eerste plaats een product van zijn verbeelding, een kunstwerk, zijn nieuwe creatieve onderneming die hem volledig in de greep krijgt nu van zijn reeds voltooide compositie ‘Duisternissen’ nog slechts de uitvoering rest. Dat werk is nu overgeleverd aan amateurs, moeizame koorrepetities en een miezerig publiek. De trivialiteit van de uitvoering en het dagelijks leven in het algemeen ervaart Sierk als een bedreiging voor het ware kunstenaarsgemoed. In het gunstigste geval slaagt hij erin zich voor de alledaagsheid af te sluiten of onverschillig te zijn. Zo kon het gebeuren dat hij zijn hemelse Beertje helemaal niet opmerkte als lid van het koor waarmee hij ‘Duisternissen’ repeteert. Want als koorlid was zij ‘een van de velen, een grijze gestalte uit de middenmoot, bouwstof voor het alledaagse, en niet het meisje dat door hem werd opgetild, dat ontwaakte in zijn almachtige armen. Zijn creatie.’ Kortom, het is minder de minnaar dan de kunstenaar Sierk die centraal staat in deze roman. Een weldoener zijn betekent hier de goedheid hebben om het onopgemerkte te verkiezen tot stof voor kunst en die uitverkiezing dankt het alleen aan de liefdevolle ontvankelijkheid van de kunstenaar.

Vanwege zijn reputatie van schrijver met meerdere gezichten vraagt de kritiek zich bij voorbaat bij een nieuw boek van Thomése af wélke Thomése zij zal tegenkomen. Het aardige is dat De weldoener de verhulling en de schijngestalte zelf aan de orde stelt, evenals de keerzijde ervan, namelijk het verlangen naar werkelijkheid en authenticiteit. ‘Weg met de personae, die maskerade van pseudo-identiteiten’, denkt Sierk als hij met zijn geliefde de bewoonde wereld wil ontvluchten. Ook in de vorige roman van Thomése, J. Kessels. The novel (2009), was die identiteitskwestie al prominent aanwezig. De grens tussen de schrijver Thomése en zijn personages vervaagtin deze fictionele geschiedenis , wat de roman tot een soort hand-van-Escher maakt: een zichzelf tekenende tekening, resultaat en wordingsproces in één.

Ook de verteller in De weldoener en zijn personage Sierk zijn beiden de demiurg van hun eigen kosmos, maar ze vallen niet samen. Als aan het slot de tot dan toe tamelijk volgzame Beertje zich losmaakt uit het verhaal van Sierk en zijn beeld niet langer houdbaar is, neemt de verteller de regie geheel over. Als vormgever van het geheel beschikt hij over het voorrecht van het slotakkoord en daarin komt de dramatische ironie tot een hoogtepunt. Sierk droomde er aan het begin van zijn avontuur van om in een radicale breuk met zijn burgerlijke bestaan ‘uit de vlammen te herrijzen als de mooie vogel die hij in wezen is’. Nu komt hij reddeloos en anoniem om in het vuur dat veroorzaakt is door zijn onverschillige ideaalmeisje

Het leven als kunstwerk


Welk kunstideaal wordt hier te gronde gericht? De held van De Weldoener is een romanticus, ‘onze allerlaatste romanticus’ zelfs, die met een ‘beethoviaanse kop’ en miskend door H*** loopt, een ‘figuur uit een andere eeuw’. Inderdaad is het niet moeilijk om beginselen van de negentiende-eeuwse romantische esthetica te herkennen in leven en werk van Sierk. In zijn vermetele voornemen om zijn leven als een kunstwerk op te vatten en esthetisch vorm te geven, zien we een verbeelding aan de macht die zich van de feiten maar betrekkelijk weinig aantrekt. Had de Franse Revolutie niet voor het eerst getoond dat de maatschappelijke orde geen natuurlijk gegeven was, maar door de mens zelf ter hand genomen kon worden? Je eigen geschiedenis als project: een zwaarwegende verantwoordelijkheid, maar ook voorzien van het aura van het artistieke pionierschap.

Zo is ook Sierks kunstenaarschap antiburgerlijk en gruwt hij van het nuttigheidsdenken dat in de ogen van de Romantici verantwoordelijk was voor de onttovering van de wereld. Zijn werken zijn in het ideale geval een zinvol, in zichzelf besloten systeem, zuiver en autonoom: ‘een gesloten wereld waar alles klopt en samenhangt. Het notenschrift kent zijn eigen ordening, ver van alle verwarring en betekenismisère’. Zijn blik houdt hij gericht op de horizon en daarachter. De oneindigheid is het oord waarnaar hij met Beertje op weg isals hij koers zet naar het Zwitserse hooggebergte, ‘dramatisch decor voor ontstijgers en ontstegenen’ Evenals J. Kessel. The novel is De weldoener deels als roadnovel de belichaming van het romantische reismotief, waarin het draait om de ‘onverhoopte terugkeer naar de vergeten domeinen van het nooit bereikte leven’.

Het chalet in dat sublieme hooggebergte blijkt echter onderdeel te zijn van een skigebied en vakantiepark, even banaal als de binnenstad van H*** of de nieuwe wijken die Sierks componeerhutje belagen. Wat een hoogtepunt had moeten zijn, is een dood spoor.

Welk beeld krijgen we intussen van die andere componist, die we in de zijlijn zijn tegengekomen? Deze Lou Wehry, in zijn succes de omgekeerde Sierk, is evenzeer een romanticus die van zijn leven een kunstwerk maakt, maar dan door het publiek naar zijn pijpen te laten dansen en zich te conformeren aan het beeld dat het publiek van een componist heeft. Misschien weerspiegelt dit paar wel ambivalenties van Thomése zelf, wiens pleidooi voor (klassieke) literaire waarden en auteursautonomie het schrijven van parodistische en amusante romans niet in de weg staat.

Maar al met al lijkt Wehry toch weinig meer dan een cynicus. Het beklemmende van de roman is dat er geen geloofwaardig alternatief is voor het romantische kunstenaarsideaal dat in het lot van Wolffensperger het onderspit delft – anders dan in termen van een survival of the fittest. De Franse Revolutie, om terug te komen op de wortels van de Romantiek, had de mens niet alleen opgezadeld met de twijfelachtige verantwoordelijkheid voor zijn eigen geschiedenis, ook de volksmassa werd nu gemobiliseerd en kwam haar deel uit de ruif opeisen. Wanneer we De weldoener als een dialoog met ‘een andere eeuw’ beschouwen, laat de roman zien dat de onvermijdelijke democratisering van de samenleving een nogal ongure uitkomst heeft gekregen, afgaande op het beeld dat Thomése schetst van de bewoners van de ‘postindividualistische consumentenhel’ en hun succesartiesten.

Het enkelspoor van de binaire begrippen


De kunstopvatting van Sierk is unzeitgemäss, behoort kennelijk tot de geschiedenis. 
Door zijn ondergang en het beeld dat we van de massasamenleving krijgen, lijkt de romanwereld van De weldoener geen plaats meer te bieden aan de klassieke en verheven opvatting over kunst. De ontwaarding van de literatuur in een postmoderne cultuur en de achterhaaldheid van een wereldvreemd humanistisch kunstideaal – we kunnen ons ook na lezing van De weldoener iets voorstellen bij het beeld dat Vaessens schetst van onze culturele situatie.

Of ligt de zaak gecompliceerder? De paradox van de roman is dat deze zelf in een beslissend opzicht de belichaming is van de kunstopvatting die de naïeve Sierk fataal wordt. Ook voor De weldoener is het nodig om ‘de laatste bladzijde’ te kennen teneinde ‘de betekenissen met terugwerkende kracht’ te ontdekken, zoals Sierk die in het kunstwerk van zijn leven wil vinden, ook al is ‘verdwalen’ in de ‘compositie’ niet uitgesloten en geldt het adagium ‘iets is niet wat het is’. De Weldoener maakt aanspraak op de status van een ‘autonome’ roman, conform een goed deel van de kwalificaties die Sierk gebruikt voor zijn kunst, een roman waarin de delen vormgeven aan betekenissen die lokaliseerbaar, maar niet exact bepaalbaar zijn. En juist door de paradoxale verhouding tussen het verhaal van de teloorgang van een kunstideaal en de klassieke vorm worden we op indringende, vervreemdende manier getuige van een botsing van waarden.

Moeten we deze roman nu scharen onder de relicten, een hedendaags overblijfsel van een literatuurideaal zonder toekomst, zoals de theorie van Vaessens ons noopt te doen? Immers, eenduidig engagement ontbreekt, er wordt dankbaar gebruik gemaakt van het maskerademotief en dramatische ironie, en het valt niet mee om de auteur te identificeren met één van zijn personages. Opvallend is dat de roman in de kantlijn ook een debatje aangaat met postmoderne theorie, die zoals gezegd in het boek van Vaessens figureert als weerlegging van het naïeve geloof in literaire waarden. ‘In de muziek is al in de late middeleeuwen de polyfonie ontwikkeld, waarin de verschillende melodielijnen elk hun eigen weg kunnen gaan’, overweegt Sierk. ‘Het eenentwintigste-eeuwse denken daarentegen tuft nog steeds zijn rondjes op het enkelspoor van de binaire begrippen.’ Deze manier van denken heeft een moeizame verhouding tot het wezen van de kunst, omdat die zich nu eenmaal maar zeer ten dele laat persen in het keurslijf van de ‘overzichtelijke categorieën’ als ‘goed of fout, waar of onwaar, mooi of lelijk’. ‘Iets eindigt in dit denken altijd kleiner dan de denker zelf, een handzaam pakketje dat hij onder zijn arm kan steken terwijl hij op de bus wacht.‘ Ook in De weldoener is aldus sprake van engagement – maar dan moet je wel bereid zijn een ruimhartige omschrijving van dat begrip te hanteren.

Links

Contact, Amsterdam, 2010
ISBN 9789025435431
296p.

Geplaatst op 29/06/2011

Deel:

Reacties

  1. nico van der sijde

    Mooi en doorwrocht stuk, met ook een intrigerende verwijzing naar Vaessens. En wat denk je Harold: heeft Vaessens niet een soort ‘blinde vlek’ voor het soort engagement zoals jij dat hier signaleert? Een engagement dat juist zo indringend naar voren komt door de SPANNING tussen verhaal en vorm?

    Beantwoorden

  2. Gijsbert Pols

    Opnieuw een criticus op deReactor die niet de moeite neemt om op een interessante vraag in te gaan – jammer. Of zit Harold van Dijk op de camping en bereidt hij alsnog een doorwrocht antwoord voor? Anticiperend daarop het volgende. Ik vond het soort engagement dat Vaessens in zijn boek bepleitte al op het vrijblijvende af en heb daarom moeite met de oproep tot een nog ruimhartiger omschrijving, zoals die hier aan het einde van het stuk wordt gedaan. Is dat ‘engagement’ niet het nieuwe pakkie waarin een onttroonde keizer (namelijk de literaire auteur) wordt gehesen om hem in deze nihilistische tijden alsnog de schijn van relevantie te geven? De beschrijving van het boek versterkt mijn vermoeden: een miskend genie dat geen meisjes kan krijgen en aan zijn eigen obsessies ten onder gaat, een succesvolle kunstenaar die ontmaskerd wordt als cynische charlatan en een even stompzinnige als gemakkelijke karikatuur van ‘postmoderne theorie’ – ja, om dáár belang aan toe te kennen is enige ruimhartigheid in het constateren van ‘engagement’ wel geboden. Of, om het iets minder polemisch te formuleren: is het boek van Thomése niet eerder symptoom van de teloorgang van een bepaald kunstideaal dan een commentaar er op? Al tijdens het lezen van ‘Vladiwostok!’ had ik de indruk dat Thomése zijn werk graag als maatschappijkritiek verkoopt, maar de misstanden die hij beschrijft (in het geval van ‘Vladiwostok!’ was dat de obsceniteit van het politieke en mediale bedrijf) alleen maar reproduceert. Dat is geen engagement, maar opportunisme. Of ten minste onvermogen.

    Beantwoorden

  3. nico van der sijde

    Zo, alsnog een reactie die deels op mijn reactie ingaat!

    Ik weet niet of deze ‘weder reactie’ recht doet aan Thomése , want diens werk ken ik onvoldoende. Maar het lijkt mij wel interessant om, meer dan Vaessens doet, aandacht te schenken aan engagement via de vorm. Van Dijk zegt volgens mij dat Thomése bepaalde spanningen en tegenstellingen voelbaar maakt in stijl en constructie van zijn boek, en zoekt daar het engagement. Pols zegt volgens mij dat Thomése in nog weer een ander boek bepaalde misstanden die hij hekelt, in feite door zijn wijze van vertellen juist reproduceert: voor echt engagement en protest had Thomése dan (aldus Pols, als ik Pols goed volg) een andere vorm moeten kiezen.

    Nu ja, het zou leuk zijn als Harold van Dijk over dit alles zijn ongetwijfeld goed onderbouwde mening gaf! Al was het maar omdat inhoudelijk debat een van de doelen van De Reactor is. Of niet soms!?

    Beantwoorden

  4. Harold van Dijk

    O.k., uit de tent gelokt (thuis, niet op een camping)… nu ja, gelokt… gesommeerd. Maar ik conformeer mij met genoegen aan de mores van De Reactor. Vaessens beweert dat de overgeleverde roman door zijn ‘autonomie’ zichzelf maatschappelijk buitenspel heeft gezet. Deze autonomieopvatting heeft het lang volgehouden, maar sluit niet meer aan bij deze tijd. Empirisch gezien een merkwaardige constatering: er worden nog volop autonome romans geschreven, ja zelfs romans waarin deze gedachte à la Vaessens wordt geproblematiseerd zijn vaak als zodanig te beschouwen. Zijn pleidooi heeft dus een normatief karakter, hetgeen dan weer merkwaardig is in het licht van zijn aanval op het ‘humanisme’, dat hij immers verwijt een ideologie (bijvoorbeeld die van de autonomie en ‘zuiverheid’ van literatuur) als norm uit te dragen.

    Wat de roman De weldoener interessant maakt is (behalve dat hij goed geschreven is) dat hij inhaakt op debatten over hedendaagse en overgeleverde waarden, ondermeer door de spanning tussen vorm en inhoud. Alleen dat al is een statement, een vorm van engagement. En zo werkt engagement in literatuur eigenlijk altijd: een roman kan meer of minder directe relaties onderhouden met actuele debatten of maatschappelijke kwesties, het is de intrinsieke onbepaaldheid of ambivalentie van de inhoud, veroorzaakt door de spanning met of door de vorm die vaak doorslaggevend is voor het literaire aspect. Het gaat al met al niet om een oplossing, maar om een vorm van ‘re-enactment’ van conflicten.

    Het uitweidinkje (en meer is het niet in de roman) over postmodernisme beschouw ik als iets minder stompzinnig dan Pols omdat het wel degelijk raakt (en dat is natuurlijk een associatie van mij) aan een probleem dat ik heb met het boek van Vaessens, te weten zijn verwarring tussen de, ongetwijfeld deels nuttige, theoretische inzichten van deconstructivistische en ideologiekritische aard omtrent (onder andere) literair taalgebruik (waarbij dat ‘literair’ dikwijls als een pretentie wordt beschouwd), en de literaire praktijk, waarin auteurs en lezers tamelijk onbekommerd literaire ‘ervaringen’ met elkaar delen die gebaseerd zijn op allerlei door die theorie voor onwenselijk of onhoudbaar verklaarde ideologische veronderstellingen, zoals bijvoorbeeld de aanname van de eenheid van vorm. Allerlei voor succesvolle literaire communicatie noodzakelijke ‘humanistische’ waarden, kortom. Vaessens omarmt in zijn boek de theoretische ontmaskering van een op esthetische waarden gebaseerd literatuurbegrip, omdat hem dit van pas komt in zijn aanval op de ‘humanistische traditie’, die hem blijkbaar erg dwars zit, maar ziet zich vervolgens voor de opgave gesteld om een bepaalde vorm van literatuur veilig te stellen voor de toekomst. En dat kan natuurlijk alleen als er ook een reden is om over literatuur als genre te spreken. Wat je dus ziet is dat hij op het eind van zijn boek gas terugneemt, getuige zijn afzwakking dat ‘laatpostmoderne’ literatuur niet allereerst op literaire aspecten moet worden beoordeeld en zijn relativering van het belang van ‘cultural studies’. Maar het probleem blijft toch dat Vaessens in zijn aanval op het humanisme min of meer het einde van de geschiedenis afkondigt en vervolgens uitkomt op een vorm van literatuur waarin het accent geheel op een bepaald soort, tamelijk eenzijdig engagement komt te liggen.

    Beantwoorden

  5. nico van der sijde

    Kijk! Dat zijn nog eens antwoorden! Dank!

    Beantwoorden

  6. Gijsbert Pols

    Inderdaad, dit verheldert heel veel. Ik ga mijn rugzak pakken en reserveer een plaatsje voor Thomése … lezend in mijn campingstoeltje zal ik me ongetwijfeld voor mijn haastige vermoeden van stompzinigheid gaan schamen.

    Beantwoorden

  7. nico van der sijde

    Hoewel ik dus helemaal tevreden ben met de reactie van Harold van Dijk heb ik toch een aanvullingkje, dat weinig met Thomése te maken heeft maar wel iets met Vaessens. Die Vaessens namelijk heeft volgens mij niet alleen in zijn algemeenheid weinig oog voor engagement via de vorm (als tyisch literaire ‘re-enactment’van conflicten, zoals Van Dijk in zijn reactie uitlegt), maar is ook nog eens vrij toondoof voor precies dat soort engagement bij postmoderne figuren en bij deconstructivisten. Postmodernisme en deconstructivisme is volgens Vaessens vooral ontmaskering van en kritiek op pretentie en ideologie. Dat vind ik allemaal best, maar tegelijk is het vaak ook een soort poging om, door het gebruik van een gebroken zichzelf totaal deconstruerende vorm, ‘iets’ voelbaar te maken dat aan alle vorm en ordening ontsnapt. Gravity’s Rainbow van Pynchon haalt zijn eigen vorm op alle manieren onderuit, en maakt precies DAARDOOR (bij benadering) de waanzin voelbaar van WO II. Teksten van Derrida lopen uit in een onoverzichtelijk labyrint, en maken precies DAARDOOR bij benadering de ‘ervaring van het onmogelijke’ voelbaar: ervaringsgebieden waar het denken met de bek vol tanden staat, zoals bijvoorbeeld erotische vervoering of het tamelijk verpletterende besef van onze eindigheid. De zinnen van David Foster Wallace draaien eindeloos in zichzelf rond, en exact dat maakt dan iets voelbaar van het hopeloos in cirkels ronddraaiende brein van een depressiepatient. Al dat soort vormexperimenten zijn wel degelijk te zien als engagement, namelijk als de oproep tot aandacht voor datgene wat ons begrip verre overstijgt maar er niettemin toch overduidelijk is.

    Nou ja, daarmee wil ik dus niet postmoderne auteurs heilig verklaren of zo. Ik wou alleen maar even een kleine duit in het zakje gooien in het (door Van Dijk zijdelings aan de orde gestelde) debatje over Vaessens.

    Beantwoorden

  8. Gijsbert Pols

    Ja maar dan zie ik, zittend in mijn campingstoeltje met de laptop op schoot, toch wel een probleem. Ik kan meekomen in de kritiek op Vaessens: engagement lijkt bij hem toch vooral een kwestie van betrokkenheid bij de publieke zaak. Daarmee verwaarloost hij de kwestie van vorm. Thomése, althans over de Thomése van ‘Vladiwostok!’, is een goed voorbeeld: dat werk getuigt zeker van een dergelijke betrokkenheid, maar door de literaire vorm die hij aan die betrokkenheid geeft, lift hij naar mijn idee vooral mee op een erg populair vooroordeel over politici – een vooroordeel dat er kort gezegd op neerkomt dat politici hypocriete oplichters zijn, allemaal. In hoeverre een literair werk geëngageerd is, moet daarom wel degelijk ook aan de hand van de vorm worden bepaald. Althans, dat lijkt me vanuit literair-kritisch perspectief vruchtbaarder. Alleen gaat het me te ver om het begrip van engagement volledig tot een vormgkwestie te maken. Ik ben het helemaal eens met de veronderstelling dat Pynchon, Derrida en Foster Wallace (schitterend rijtje, overigens) iets articuleren wat in gangbaar discours onuitgesproken blijft. Maar is hun werk daarom al geëngageerd? Of beter: is het vruchtbaar om daarom van een geëngageerd werk te spreken? Volgens mij doen we er beter aan om van engagement te spreken waar een auteur door zich in zijn werk op zo’n manier uitspreekt dat de lezer tot een politieke stellingname gedwongen wordt: de vorm maakt iets zichtbaar, maar die zichtbaarheid is niet vrijblijvend. In hoeverre Pynchon, Derrida en Foster Wallace nu tot stellingname dwingen, durf ik niet te zeggen. Maar het is zeker dat na ‘J’accuse’ niemand nog om de zaak Dreyfus heen, wat alles te maken had met het feit dat Zola zijn essay vorm gaf als aanklacht. In de context van de actuele discussie over de maatschappelijke functie van de kunst lijkt me het hanteren van een spits toegesneden begrip van engagement van groot belang.

    Beantwoorden

  9. nico van der sijde

    Aha, Gijsbert Pols wil een meer toegesneden begrip van egagement, meer in de zin van “dwingen tot een politieke stellingname”. Meer een ‘j’accuse’, dus! Dat kan (als ik Pols goed begrijp) wel gepaard gaan met allerlei literaire vormgevingsprincipes, maar vorm alleen is voor zo’n toegesneden engagement nog niet genoeg. Afijn, daar zit wat in. Al zou ik zelf geloof ik spreken van “oproepen tot” (en liever niet van dwingen tot). En ik aarzel wat over “politieke stellingname”, maar ja, gewoon ‘stellingname’ is ook weer zo vrijblijvend.

    Overigens is ook dat meer toegesneden begrip van engagement nog wel zichtbaar bij postmodernen. ‘The public burning’ van Coover is een grote aanklacht tegen de Amerikaanse politiek en alle leugens rondom de Rosenberg-processen. Pynchons ‘Gravity’s Rainbow’ en zeker ook ‘Against the day’ is een fel protest tegen conventies die de wereld versimpelen, en een felle oproep onze reet af te vegen met die conventies en naar totaal andere wegen te zoeken. En Derrida neigde vooral in zijn latere geschriften tot een nogal eigen soort Marxisme, tot een ‘messianique sans messianisme’ (het messiaanse zonder messias): beetje cryptisch ongetwijfeld, maar het leidde wel tot inzet voor de Palestijnse kwestie en bewonderende stukken over Nelson Mandela, de anders-globalisten en de activisten van mei ’68. Ook de essays van David Foster Wallace zou ik toch wel even willen noemen, met name zijn lange essay over McCain waarin hij op werkelijk geniale wijze allerlei dubbelzinnigheden in het Amerikaanse politieke landschap problematiseert, inclusief zijn eigen (= dat van Foster Wallace) cynisme t.a.v. de Amerikaanse politiek. Sloterdijks laatste boek (met tot in de titel aan toe de oproep dat we ons leven moeten veranderen) lijkt mij ook geen verkeerd voorbeeld.

    Complicerend is misschien wel dat die postmoderne figuren nooit een SIMPEL engagement aanhangen. De complexiteit en meerduidigheid is deel van hun wezen, en doordesemt dus ook hun engagement. Deels IS die complexiteit zelfs hun engagement, namelijk in hun oproep ‘Geloof die simplistische politieke verhalen niet!’. Maar ja, als ik Pols goed begrijp, dan is ‘toegesneden engagement’ voor hem zeker nog geen SIMPEL engagement. Dus dat zou moeten kunnen.

    Overigens wil ik met dat alles niet beweren dat engagement bij alle postmodernen nou zo voorop staat. Bij David Foster Wallace bijvoorbeeld gaat het volgens mij eerder om verrijken van ons aller wereldbeeld dan om aanzetten tot politieke stellingname. En de oproep van Sloterdijk aan ons allen om ons leven te veranderen heeft toch ook wel veel weg van persoonlijke zelfvervolmaking, wat iets anders is dan politieke stellingname. Ik wou alleen maar betogen dat engagement niet ontbreekt bij de postmodernen, ook niet het engagement in de toegesneden zin des woords.

    Beantwoorden

  10. Gijsbert Pols

    Ik voel me goed begrepen en kan me helemaal vinden in de argumenten die Nico van der Sijde aanvoert om het ‘engagement’ te verduidelijken dat in de werken van de genoemde postmoderne auteurs aangetroffen kan worden. Dat het daarbij om een complex en meerduidig engagement gaat, of om een engagement dat tot een complexe en meerduidige stellingname oproept en als zodanig weerstand biedt aan de simplistische politieke verhalen die ons om de oren vliegen, neem ik zonder meer aan. Één opmerking nog: het boek van Sloterdijk, waarvan ik nog altijd diep onder de indruk ben, lijkt me zeer zeker een oproep tot persoonlijke zelfvervolmaking. Alleen is die oproep in een tijd waarin een schaamteloos consumentisme de norm is geworden ook een politieke stellingname.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.