Recensies, Samenleving

De onuitroeibaarheid van het heilige

De macht van het heilige

Hans Joas

‘Van God los / Laat nu toch die God los / Er is niemand in de kosmos / ’t Is zonde van de tijd’, zingt Stijn Meuris. Het is zijn muzikale oproep om de laatste restjes van een geloof in het transcendentie op te geven en de immanentie – lees: de definitieve leegte van de kosmos – te aanvaarden. Met zijn lied onderschrijft Meuris het bekende paradigma van de moderniteit als een proces van voortschrijdende rationalisering en dus ook secularisering. Wie zich nog door de religie laat leiden, bevindt zich in de achterhoede. Sinds de verlichting heeft de rede de plek van de religie ingenomen als de universele gids en heeft zich in Europa een maatschappijmodel ontwikkeld gebaseerd op wetenschap, efficiëntie en het idee van vooruitgang.

De prijs die daarvoor betaald werd, noemde de Duitse socioloog Max Weber in zijn lezing Wetenschap als beroep (1919) ‘de onttovering van de wereld’. Weber verwees met die omschrijving naar de toenemende intellectualisering en het geloof dat alles uiteindelijk te weten en te verklaren is. Als alles te berekenen valt en dus technisch te beheersen, dan hebben wij, modernen, niet langer nood aan magische middelen om met onberekenbare krachten om te gaan: ‘Dat echter betekent de onttovering van de wereld’, zo luidde Webers nuchtere verdict. Het is een van de belangrijkste en krachtigste argumenten geworden in de strijd tegen de religie en haar achterhaalde inzichten. Het rationaliserings-, seculariserings- of onttoveringsproces – het zijn haast synoniemen geworden – is lineair en onomkeerbaar. Iedere andere beweging, in welke richting dan ook, is zonde van de tijd. Toch is het precies dat wat de Duitse socioloog Hans Joas in zijn boek De macht van het heilige wil doen: de moderniteit loskoppelen van de voortschrijdende secularisering en in relatie brengen met processen van ‘(her)sacralisering’. De provocatieve ondertitel van de studie luidt: ‘een alternatief voor de geschiedenis van de onttovering’. Joas stelt niet meer of minder dan het fundament van het moderne westerse zelfbegrip ter discussie.

Religie is ‘in’. Het is een onderwerp dat de voorbije decennia veel journalistieke en mediatieke aandacht kreeg. Je zou dus kunnen zeggen dat het boek van Joas zeer zeitgemäβ is. Toch gaat De macht van het heilige niet expliciet in op actuele discussies over het verval van de kerk, de islam, het jihadisme, de zoektocht naar spiritualiteit, etc. De titel van het boek verwijst daarenboven niet naar ‘religie’ maar naar het ‘heilige’, wat een ander en ruimer begrip is. De titel van Joas’ studie van de geschiedenis van de mensenrechten, Die Sakralität der Person (2012), maakt reeds duidelijk dat zijn definitie van ‘sacraliteit’ breder is dan de strikt religieuze betekenis en een humanistische invulling krijgt. Wat bij Joas wel snel duidelijk wordt is dat hij religie als een eigen, authentieke sfeer ziet en niet als de uitdrukking van economische belangen zoals bij Marx, of van Nietzscheaanse macht, of van naïeve kinderlijke verlangens zoals bij Freud of meer recent van de werking van het brein zoals Dawkins beweert.

 

Dubbel perspectief

Joas’ biografische achtergrond is niet zonder belang voor een beter begrip van zijn werk en de interne samenhang ervan. Hij werd in 1948 geboren en groeide op in een zeer katholieke omgeving. Zijn vader was een overtuigde nazi (en bleef dat ook) en zijn moeder een sociaal-democrate. Door zijn interesse in de geschiedenis van het nationaalsocialisme ontwikkelde Joas wat hij zelf in een interview ‘een dubbel perspectief’ noemt: ‘Hoe kon het gebeuren? Waarom kunnen mensen die geen duivels zijn zulke dingen geloven en doen? Ik zeg “die geen duivels zijn”, want ik hield van mijn vader. Dat is vandaag nog steeds belangrijk voor mij: naar zulke bewegingen en regimes kijken en niet alleen vanuit een moreel perspectief.’ Een armoedige jeugd maakte hem ontvankelijk voor onderwerpen als rechtvaardigheid, gelijkheid, sociale politiek en de welvaartsstaat. Daarnaast werd zijn opvoeding getekend door een diep katholieke oriëntatie. In zijn wetenschappelijke werk heeft hij gezocht naar een verbinding tussen al deze elementen. Een cruciale ontmoeting was die met het Amerikaanse pragmatisme.  In het pragmatisme staat de mens als handelend en probleemoplossend wezen centraal. Handelingen en ideeën worden in de eerste plaats op hun effectiviteit, functionaliteit en maatschappelijk nut bevraagd. Het is een filosofische stroming die in Europa geen goede reputatie heeft omdat ze geassocieerd wordt met utilitarisme en kapitalisme. Ten onrechte, vindt Joas, die het pragmatisme in verband brengt met de democratie en met een stapsgewijze, wikkende en wegende verbetering van onze leefomstandigheden.

De macht van het heilige is het eerste boek van Joas dat in het Nederlands verschijnt. Het maakt deel uit van zijn uitwerking van ‘een theorie van het heilige’. Hij wil komen tot empirisch en wetenschappelijk onderbouwde uitspraken over de processen van (de)sacralisering. Het betoog van Joas is helder, maar academisch. De fundamenten van zijn theorie zoekt hij in drie wetenschappelijke domeinen: de religiegeschiedenis, de psychologie van de religie en de sociologie van de religie. Voor het eerste domein gaat hij in discussie met de Schotse filosoof en historicus David Hume (1711-1776), die de eerste empirisch gefundeerde universele geschiedenis van de religie schreef, los van theologische vooronderstellingen. Voor een beter begrip van de individuele religieuze ervaring steunt Joas op het werk van de Amerikaanse pragmatische filosoof en psycholoog William James (1842-1910), wiens Vormen van religieuze ervaring (1902) een klassieker is. Voor de sociologische en antropologische dimensie ten slotte werkt Joas verder op de studies van onder anderen Emile Durkheim (1858-1917), de vader van de sociologie, die onderzoek deed naar de religie van de Australische Aboriginals en de Noord-Amerikaanse indianen.

De indruk zou kunnen ontstaan dat het boek van Joas een zuiver academische studie is, geschreven voor andere academici. Voor een groot deel is dat ook het geval. Een kwart van De macht van het heilige – meer dan honderd pagina’s – bestaat uit voetnoten en een indrukwekkende bibliografie. Joas’ denken voltrekt zich nadrukkelijk in een bepaalde traditie van religiewetenschap, waarin hij als een archeoloog te werk gaat en minutieus het kaf van het koren scheidt. Joas zet zijn belezenheid niet in om de lezer met een uitgebreide feitenkennis te overdonderen, maar om te zoeken naar nieuwe inzichten in het onderzoeksveld. Zo is zijn studie een poging om het werk van de vergeten socioloog en theoloog Ernst Troeltsch (1865-1923) te herwaarderen en uit de schaduw te halen van diens collega, de wereldberoemd geworden Max Weber (1864-1920). Het feit dat Troeltsch theoloog was en Weber een radicaal secularist heeft volgens Joas een cruciale rol gespeeld in de receptie van hun werk. Beiden schreven belangrijke studies over de religie, maar het was de secularist die het meest ‘objectief’ werd bevonden. Het is een mooi voorbeeld van de impact van het ‘paradigma van de onttovering’.

 

Axiale revolutie

Maar naast de meer academische discussies en interpretaties biedt Joas’ boek heel wat algemene inzichten die een andere blik werpen op het functioneren van het religieuze en het heilige in onze samenleving. Hij hanteert daarbij een breed historisch perspectief. Een belangrijk concept, dat hij aan de filosoof Karl Jaspers ontleent, is de ‘axiale revolutie’. Volgens Jaspers vond er tussen 800 en 200 voor onze tijdrekening op verschillende van elkaar onafhankelijke plekken in de wereld een cruciale evolutie plaats in het religieuze en filosofische denken. Naast het monotheïsme in het Midden-Oosten ontstonden in China het confucianisme en taoïsme, in India het hindoeïsme en boeddhisme en in Griekenland het rationalisme. Het is de overgang van een mythisch tijdperk waarin het goddelijke nog in de wereld aanwezig was naar een tijdperk van systematische reflectie op de fundamentele voorwaarden van het menselijke bestaan. Dat betekent meteen het ontstaan van de idee van de transcendentie, dat op gespannen voet staat met het wereldse.

Met het pragmatisme heeft Joas gemeen dat hij de handelende mens in het centrum van de geschiedenis plaatst. Hij schreef niet toevallig studies met titels als Die Kreativität des Handelns (1992) en Die Entstehung der Werte (1997). De mens is een wezen dat zijn onmiddellijke werkelijkheid overstijgt door het creëren van hogere idealen. Die idealen worden niet als mentale constructies ervaren, maar als deel van een diepere realiteit. Van hieruit is de sprong naar het geloof niet groot: ‘Ervaringen van zelfoverstijging leiden onherroepelijk tot een toekenning van de eigenschap van het heilige.’ Zijn filosofische antropologie van de Idealbildung werkt Joas verder uit tot een alternatief voor de theorie van de secularisering. De mens wordt gekenmerkt door ‘de wil tot het ideaal’ dat de waarde van iets ‘heiligs’ kan krijgen. Veel zaken kunnen gesacraliseerd worden en zijn dat in de loop van de geschiedenis ook: koningen, politieke leiders, stammen, naties, het volk, … Impliciet en expliciet krijgen Joas’ analyses hier ook een belangrijke politieke dimensie. De gevaren van de ‘collectieve zelfsacralisering’ heeft de twintigste eeuw als geen andere laten zien. Na de ‘axiale revolutie’ en de diepgaande maatschappelijke impact ervan, is de ‘sacralisering van de persoon’ een tweede belangrijke revolutie in de radicale desacralisering van de macht. Met de idee van het transcendente werd een absoluut punt gecreëerd van waaruit de wereldse macht kon worden bekritiseerd en ter verantwoording geroepen. Wat niet wil zeggen dat de wereldse machten niet geprobeerd hebben om zich die transcendentie toe te eigenen en te regeren in naam van God. De sacralisering van de persoon, die zich geïnstitutionaliseerd heeft in de mensenrechten, zet de desacralisering van de staat, de heerser, de gemeenschap of de natie verder.

Toch is niets een gewonnen zaak. Joas is voorzichtig met het beschrijven van allesomvattende historische processen. Geschiedenis is voor hem een contingent gebeuren en om de geschiedenis te begrijpen moeten we iedere ‘hegeliaanse verzoeking’ vermijden. De processen van sacralisering of desacralisering hangen immers samen met steeds verschuivende en wisselende machtsconstellaties. Hun effecten kunnen niet worden voorspeld en kunnen zowel positief als negatief zijn: processen van (de)sacralisering kunnen de macht zowel bevestigen als bekritiseren. Meer dan eens zet Joas zich af tegen onderzoekers die de neiging hebben om op basis van beperkt empirisch onderzoek veralgemeningen te maken. ‘Het seculariseringsproces’ of ‘de terugkeer van de religie’ zijn dergelijke gemakkelijke veralgemeningen. Door zijn ruime invulling van ‘het heilige’ maakt Joas duidelijk dat sacraliserings- en desacraliseringsprocessen gelijktijdig plaatsvinden en dat het bestaan van ‘seculiere heiligheden’ geen contradictio in terminis is. Met De macht van het heilige schreef Joas een academische studie over de binnen het moderne denken moeilijk te bevatten notie van ‘het heilige’. Joas’ wetenschappelijke degelijkheid en nuchterheid zijn een weldaad te midden van de hedendaagse vaak verhitte en ongenuanceerde discussies over de plek van de religie.

Lemniscaat, Rotterdam, 2019
Vertaald door: Huub Stegeman
ISBN 978 90 477 1090 5
426p.

Geplaatst op 12/12/2019

Tags: De macht van het heilige, Emile Durkheim, Hans Joas, Karl Jaspers, Max Weber, Religie, William James

Categorie: Recensies, Samenleving

Reacties

  1. A. Sprakelaar

    Typisch, of grappig, of misschien wel dramatisch (in de Griekse zin van het woord, de toe-eigening van het goddelijk handelen in het menselijk domein, in de vorm van het Griekse drama) dat men er sinds de desacraliseringsstorm van de verlichting in het westen nog steeds mee bezig is met een humanistisch alternatief te komen voor de Ander, voor al datgene wat we toeschrijven aan dat wat ons mens-zijn overstijgt, en steeds blijven we uitkomen bij juist die kwaliteiten, of uitingsvormen van een goddelijk wezen, een bezieldheid die we wensen te ontkennen. M.a.w., datgene wat ons mens-zijn ten enenmale kleurt, wat de horizon van ons denken, handelen en zijn (en dus ook niet-zijn) uitmaakt, lijkt de noodzaak te zijn van een Anders-zijn, een goddelijk zijn, waarzonder we niet als mens kunnen zijn. We kunnen dus niet mens zijn zonder de Idee of aanwezigheid van een niet-mens-zijn. Het één kan niet zonder het ander, maar is complementair en noodzakelijk. Dit boek lijkt me de zoveelste poging een substituut in het leven te willen roepen van het heilige, datgene wat we apart zetten, en moeten zetten, van een god-zijn waarzonder mens-zijn blijkbaar onmogelijk is.

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.