Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Onder de titel Het woord en de wereld verzamelde Piet Gerbrandy (1958) een aantal essays die hij sinds 2018 schreef. Duidingen van een dichter, zo luidt de ondertitel. En daarmee is eigenlijk al veel gezegd. Vier kernbegrippen – taal, realiteit, interpretatie en poëzie – in een esthetisch evenwichtige, allitererende vorm gegoten.
Die vier begrippen maken onmiddellijk duidelijk dat de inzet van Gerbrandy’s poëtica hoog is. De gedachte waarmee het eerste essay opent, bevestigt dat alleen maar: ‘De goden hebben ons verlaten, ze zijn ondergedoken […]’. In deze essays wordt nagedacht over het schrijven en lezen van poëzie in het teken van verlies. Een essay verderop in de bundel opent als volgt: ‘Ons bestaan is gebroken, net als deze zin, die in klanken, woorden en zinsdelen uiteenvalt, ook al poogt hij slechts één gedachte uit te drukken.’ Of nog een andere opener: ‘Er moet een tijd zijn geweest waarin poëzie, filosofie, wetenschap en religie nog niet van elkaar gescheiden waren, maar samen thuishoorden in een domein van traditionele kennis en speculatie dat in aanzien stond als een bron van wijsheid.’ Deze spanning tussen verbrokkeling en het verlangen naar samenhang en betekenis loopt als een rode draad door de bundel.
Piet Gerbrandy is dichter, classicus en docent en die drie figuren zijn nadrukkelijk aanwezig, al zijn ze niet altijd goed van elkaar te onderscheiden. Hun stemmen schuiven voortdurend over elkaar heen: ze bewegen zich tussen literatuur uit de oudheid (Plato, Sappho, Ovidius) en moderne poëzie (Lucebert, Gorter, H.C. Ten Berge, Annemarie Estor), tussen persoonlijke betrokkenheid (een titel als ’Hoe een ex-gereformeerde classicus de Bijbel probeert te lezen’ zegt voldoende) en afstandelijke cultuurhistorische, filosofische en antropologische beschouwing, tussen een ver verleden en de brandende actualiteit. En het moet gezegd dat Gerbrandy zich met veel gemak, kunde en helderheid over al die terreinen verplaatst. De veelheid van essays – het zijn er 23 – maakt dat een brede waaier van schrijvers en al dan niet samenhangende onderwerpen aan bod komt: het geheim van Lucebert, de ambigue erotiek in Plato’s Symposium, het sublieme bij Dante, Gorters communisme,.. In een aantal essays concentreert Gerbrandy zich op zeer specifieke technische aspecten van de poëzie. Op de versregel bijvoorbeeld: wat is een goede en dus memorabele versregel? Gerbrandy heeft het in dit verband over ‘krachtige, soms ook milde, in ritme en klank gecondenseerde energie die haar stroomstoten per regel afgeeft.’ Of hij weidt uit over de paradoxen van het sonnet (‘de blues van de Europese lyrische traditie’).
Daarnaast gaat hij in op brede culturele en maatschappelijke onderwerpen, zoals het offer en het literatuuronderwijs. De keerzijde is dat je soms wat meer zou willen weten dan je krijgt. De essays breken soms te snel af. Nieuwsgierig maken ze in elk geval.
Gerbrandy noemt het gedicht niet toevallig ‘een resonantieruimte, die je met rust moet laten en de tijd moet gunnen om geheel zichzelf te zijn’. Een erg rijke formulering die iets zegt over de verhouding tussen poëzie lezen, tijd nemen en betekenissen laten ontstaan. Daarnaast begrijpt Gerbrandy poëzie vanuit het fenomeen van de symbiose: ‘Het gedicht, dat zich manifesteert in de vorm van letters die klanken afbeelden, heeft mij nodig om tot betekenen te komen. Ook heeft het beroep gedaan op een dichter om tot stand te kunnen komen. Zo ontstaat er een systeem van schrijver, tekst en lezer die elkaar behoeven om een zinvolle afwisseling van ideeën te realiseren. Dichter en lezer communiceren via de fungi van taal, of omgekeerd: het gedicht gebruikt ons om zich voort te planten.’ Gerbrandy vraagt zich ook af wat het zou opleveren indien we omgekeerd de werkelijkheid en de natuur als literaire verschijnselen zouden lezen. Het is uiteindelijk een spel met metaforen in beide richtingen en wie is daar sterker in dan de dichter? Toch is dat geen vrijblijvend spel: ‘Poëzie is, kortom, de taal waarmee we het diepst kunnen doordringen in wie, wat en waar we zijn.’ Tegelijk is die taal ook en vooral vorm of, zoals het in een ander essay heet: ‘Poëzie is muziek die al dan niet via omwegen zinvolle gedachten meedeelt’. Hoe chaotisch of onzinnig een combinatie van woorden ook is, we zullen als mensen net zolang zoeken totdat we er een min of meer coherent geheel van hebben gemaakt, aldus Gerbrandy: ‘Verhalen hebben geen eigenaars. Ze staan mij toe heel even een specifieke betekenis aan ze toe te kennen, maar al gauw trekken ze verder, vrij en onvervaard.’ In de chaos van het leven proberen we een kosmos te lezen, hoe precair en voorlopig die ook is.
Verticale lectuur
Het plezier voor een niet-classicus om een classicus te lezen is dat hij gegidst wordt door een wereld waarmee hij mee vertrouwd is – althans dat denkt hij vanuit zijn algemene vorming – maar er dan compleet in verloren loopt. Plots ruiken er naast de bekende literaire en filosofische referenties namelijk een hele hoop andere namen en figuren op die om aandacht vragen en het vertrouwde beeld van de Oudheid verstoren. Neem nu de mij tot nog toe onbekende Claudius Claudianus, een jong gestorven dichter uit de vierde eeuw met een wat vage biografie wat betreft afkomst en levenseinde. Het opstel dat Gerbrandy aan hem wijdt geeft onmiddellijk zin om meer van hem te lezen.
Iemand die met de oudheid bezig is, is bezig met een aantal van de fundamenten van onze westerse beschaving. De antieke schrijvers en filosofen hebben immers niet alleen het beeld dat we van de mens hebben mee bepaald, ze hebben ook de taal en de verhalen geleverd om daarover te spreken. En dat samen met de christelijke theologie en literatuur. Voor Gerbrandy is het christendom trouwens net zo goed een antieke religie als de cultus van Demeter of Dionysos. Hij laat de Oudheid doorlopen tot minstens de zesde eeuw en ziet haar ingebed in de bredere context van de veel oudere culturen van Egypte en Mesopotamië.
Zo subtiel en genuanceerd Gerbrandy is over de Griekse en Romeinse Oudheid, zo hard en soms wat eenzijdig is hij over het christendom en dan vooral over het Nieuwe Testament: ‘Jezus zelf maakt het echter het bontst. Bij herlezing van Matteüs viel me meer dan ooit op wat een naar, betweterig mannetje hij is, een goeroe vol ressentiment die zonder spoor van aannemelijkheid beweert een heel speciale band met zijn Vader te hebben.’ Ook in het antropologisch geïnspireerde opstel over het offer krijgt het christendom een veeg uit de pan: ‘Het lijkt erop dat de christenen de grondslagen van het offer niet doorzien hebben, of er halfbewust een spel mee hebben willen spelen.’ Nochtans verwijst Gerbrandy in hetzelfde opstel onder anderen naar de Franse denker René Girard die precies aan het christendom een centrale plek toeschrijft in het doorzien en het ontmantelen van het offer- en het zondebokmechanisme.
Gerbrandy heeft aandacht voor de intellectuele en artistieke doorwerking van de klassieke erfenis in het moderne denken en in de moderne poëzie, maar maakt omgekeerd ook gebruik van eigentijdse literaire inzichten om de antieke schrijvers te interpreteren. Zo prijst Gerbrandy – de door hemzelf voor het eerst in het Nederlands vertaalde – De opleiding tot redenaar van Quintilianus, een Romeinse docent retorica uit de eerste eeuw, aan als een nog steeds waardevolle gids bij het opvoeden van jongeren tot welbespraakte en cultureel ontwikkelde burgers. Omgekeerd vindt hij bepaalde moderne noties – zoals ‘de dood van de auteur’ (Roland Barthes) – reeds in aanzet terug in teksten uit de late oudheid – onder andere die van de reeds vermelde Claudius Claudianus – die niet langer vragen om een continue en lineaire (horizontale) lectuur, maar om een (verticale) lectuur die stilstaat bij details die zowel naar een abstract (spiritueel of kosmologisch) domein verwijzen als naar de traditie (vooral via citaten en allusies). Het is een vorm van lezen – de allegorische duiding – die de klassieke teksten uit hun gecanoniseerde betekeniskaders haalt.
Klassieke erfenis
Dat doen ook de recente maatschappelijke en culturele ontwikkelingen. Er is het voorbije decennium heel wat gebeurd en Gerbrandy legt er in zijn lectuur rekenschap van af: de Black Lives Matter-beweging en de kritische verwerking van het westerse kolonialisme, imperialisme en racisme; #Metoo en de kritiek van de traditionele man-vrouwrelatie en het ecologische bewustzijn hebben zijn duidingen mee gevormd. Dat kan ook moeilijk anders, want het gaat om een fundamentele herinterpretatie van de canon en om een herschikking van de – nog steeds voor een groot deel op de oudheid gebaseerde – humanistische erfenis. Soms brengt Gerbrandy verleden en heden heel erg dicht bij elkaar, zoals in het essay over Ovidius: ‘In Metamorfoses is aanranding routine geworden, zelfs in die mate dat het na enige tijd begint te vervelen. […] Veertien keer is Jupiter, de onbetwiste Harvey Weinstein van de Oudheid, de dader. Apollo komt achtmaal aan de beurt en zijn alter ego Sol tweemaal.’
Gerbrandy stond vele jaren in het onderwijs en ook die context speelt geen onbelangrijke rol in deze essays. Uit eerste hand immers merkt hij dat een bepaalde kennis niet meer wordt doorgegeven en dus niet meer creatief wordt gemaakt: ‘In Nederland zijn we slecht in het beheren van onze literaire traditie. Literatuuronderwijs is een lachertje geworden, zowel op middelbare scholen als aan universiteiten, en de cultuur-historische horizon van zelfs de meest hoogopgeleide lezers reikt niet verder dan enkele decennia terug. […] Kunnen we ons een Duitse, Italiaanse of Engelse academicus voorstellen die zo in gebreke blijft?’ Het geldt in elk geval ook voor Vlaanderen en ik maak me sterk dat er ook in de ons omliggende landen verschuivingen plaatsvinden en dat T.S. Eliots beroemde adagium – dat je, als je na je vijfentwintigste nog dichter wil blijven, moet weten in welke traditie je staat – aan kracht en appel heeft verloren. Gerbrandy vraagt zich dan ook terecht af of ‘we het wel eens [zijn] over de definitie van een brede intellectuele ontwikkeling.’ Ook de recente maatschappelijke sensibiliteiten spelen hier een rol: ‘Dat we met een veranderde demografie en een postmoderne bewustwording van allerlei vormen van uitsluiting en onderdrukking op een andere manier naar ons verleden moeten kijken dan pakweg een halve eeuw geleden gebruikelijk was, is duidelijk, maar dat impliceert niet dat we de traditie overboord moeten gooien.’
Gerbrandy blijft die traditie met verve (kritisch) verdedigen. In zijn opstel over de intellectuele vorming houdt hij een stevig en gepassioneerd pleidooi voor het humanistisch ideaal tegenover een op efficiëntie en op kwantificeerbaarheid gericht onderwijs. Het gaat in het onderwijs, aldus Gerbrandy, niet om het afvinken van een lijst van vaardigheden, maar om iets dat veel omvattender is: ‘Je moet eerst de ziel voeden, dan komen de vaardigheden vanzelf. En die voeding bestaat in poëzie, muziek, verhalen, beelden, tradities en wat we vroeger ‘kennis der natuur’ noemen. De taak van het onderwijs, op welk niveau ook, bestaat erin hen die nog niet volwassen zijn van de culturele en wetenschappelijke rijkdom van de humaniteit te doordrenken.’ Wat zeker is, is dat Gerbrandy’s essays doordrenkt zijn van die rijkdom. Het ogenschijnlijke gemak waarmee hij zich tussen moderne en klassieke poëzie, tussen algemene antropologische beschouwingen en gedetailleerde tekstanalyses, tussen historische kennis en eigentijdse interpretaties beweegt, kan niet anders dan het resultaat zijn van intense studie en van diep geloof in de maatschappelijke waarde daarvan. Of dat een ouderwetse leerhouding is? Ik hoop met Piet Gerbrandy van niet: ‘Eruditie is niet ouderwets. Eruditie zou bij uitstek een 21e-eeuwse vaardigheid kunnen zijn.’ Kennis als een ruimte waarin verleden en heden, traditie en experiment op alle mogelijke manieren creatief en kritisch met elkaar resoneren, daar is het Gerbrandy in zijn opstellen uiteindelijk om te doen.
Reacties
Ben Sloot
Voortreffelijke boekbeschoueing. Kritisch, informatief en stimulerend.
Merci.
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.