In memoriam

Debutante van de dood. In memoriam Friederike Mayröcker (1924-2021)

150 jaar had ze willen worden, Friederike Mayröcker, want niets vreesde ze zozeer als de dood. Schrijven was haar manier om die angst te bezweren; het stond voor haar gelijk aan leven en elke dag dat er geschreven kon worden betekende uitstel van de dood.

Nog in de zomer van 2020 verscheen een boek van haar, da ich morgens und moosgrün. Ans Fenster trete, en voor haar 96ste verjaardag op 20 december 2020 gaf ze nog een radio-interview aan de Duitse zender rbb – op de website van de zender is het interview te horen, samen met een lezing, door haarzelf, uit haar laatste boek en vergezeld van enkele unieke foto’s van haar vertrouwelinge Edith Schreiber. En hoewel ze in het interview aangaf dat haar hoge leeftijd haar zwaar viel, beklemtoonde ze ook de positieve kant ervan: inderdaad, dat ze zo veel had kunnen schrijven. In dat laatste boek noemt de ik-verteller zich een ‘debutante van de dood’. Het is een verrassend maar ook treffend beeld voor de existentiële bekommernis van de ik in Mayröckers laatste werken: op hoge leeftijd, op de grens van de ultieme overgang die de dood is, ervaart de ik zich als een beginneling, wetende dat je de dans met de dood maar één keer uitvoert.

‘1924, mijn geboortejaar. Kafka sterft, het eerste Manifest van het Surrealisme verschijnt.’ Dit citaat uit 1986 is een van de vele uitspraken waarmee Mayröcker haar leven uitdrukkelijk als een schrijversbestaan presenteerde en het een plek gaf in de invloedssfeer van avant-garde en experiment. In een tekst met de veelzeggende titel DADA (1972) beschreef ze haar poëtica als een dubbelzinnige verhouding met de ‘monsters’ van het dadaïsme en surrealisme. Ze greep ook verder terug, naar Hölderlin bijvoorbeeld, en liet zich evengoed inspireren door tijdgenoten als Arno Schmidt. Al dat bestaande literaire materiaal eigende ze zich schaamteloos toe; ze gebruikte voor haar schrijven dan ook vaak eerder negatief geladen begrippen, zoals het adjectief ‘parasitair’ of de beeldende frases ‘vodden rapen’ en ‘wieden in vreemde tuinen’. En ze putte niet alleen uit de literatuur; ook de filosofie (Jacques Derrida!), de schilderkunst (Pablo Picasso!) en de muziek (Johann Sebastian Bach!) boden haar een onuitputtelijke rijkdom aan motieven, vormen en figuren die ze van hun context ontdeed en in haar werk incorporeerde. Haar werkwijze doet wel eens denken aan de dadaïstische technieken van het knippen en plakken, de cut-up en de collage, en het is geen toeval dat ze net dat procedé met een fijn gevoel voor humor aanhaalt in haar laatste boek: de ik verklaart er telkens weer haar liefde voor een klein schaartje, een schaartje dat in het boek ook als kleine, onhandige tekening afgebeeld is, als het ware getekend door een oude, beverige schrijvershand.

Die minuscule tekening verwijst met andere woorden als een indexicaal teken naar het schrijvende lichaam. En dat singuliere lichaam zorgt, met al zijn zintuigelijke ervaringen, bewuste gewaarwordingen en onbewuste verlangens, voor de samenhang van Mayröckers associatieve collages. Het zijn, in haar eigen woorden, ‘excerpten uit de totaliteit van mijn bewustzijn van de wereld’: uittreksels in taal, maar niet willekeurig noch vrijblijvend, want steeds in interactie met het wereldse bewustzijn van het schrijvende subject. Sensorium etc., zo betitelden vertalers Annelie David en Lucas Hüsgen dan ook toepasselijk hun recente vertalingen van Mayröckers poëzie. Die koppeling tussen het poëtische en het subjectieve bewustzijn zorgt ook voor een bijzondere autobiografische dimensie in Mayröckers werk. Vooral de kindertijd, met de als paradijselijk ervaren zomervakanties op het erf van de grootouders in het Weinviertel, keert in het hele werk als een oertopos terug. Nog zo’n topos is de plek waar de teksten ontstaan: Mayröckers ‘schrijfhol’ in de Zentagasse in Wenen, waar ze woonde van 1950 tot aan haar dood. Het is een plek waar tussen leven en schrijven niet meer te onderscheiden valt: de kamers zijn dermate met materiaal gevuld – boeken, papieren, kopieën, knipsels, dozen – dat de schrijfster aan haar typemachine er haast onder bedolven wordt. Mayröcker gebruikt beelden met sterk uiteenlopende connotaties voor die schrijfplek, gaande van ‘hut van ellende’ tot ‘hangende tuinen’.

Naast bepaalde plekken keren ook sommige personen, familieleden en vrienden, voortdurend terug. Innig is vooral de band met de moeder, een poppenmaakster wier creatieve gebruik van stoffen voor Mayröcker symbool wordt van speels experiment: ‘proberen, arrangeren, combineren, kopiëren, experimenteren, collageren’, zo benoemt ze de gelijkenissen tussen haar eigen werkwijze en die van haar moeder. Mayröckers levensgezel Ernst Jandl komt in velerlei gedaante in haar gedichten en prozawerk voor, vaak aangeduid met de afkorting EJ. In enkele titels wordt zijn naam ook voluit geschreven, zoals in Requiem für Ernst Jandl (2001), dat Mayröcker schreef na Jandls dood in 2000. Al die autobiografische sporen lijken weliswaar tot een biografische lectuur uit te nodigen, maar deze wordt meteen ook gedwarsboomd: de voortdurende herhaling en variatie van die sporen maakt ze los van hun individuele oorsprong en context, maakt ze opaak. De levenssporen worden zo opgeladen tot vele mogelijke vormen van leven. Schrijven probeert de levendigheid van het bewustzijn te vatten, een bewustzijn dat de wereld in de dubbele betekenis van het woord ‘esthetisch’ ervaart: met alle zintuigen en in de toe-eigening van bestaand esthetisch materiaal.

Mayröckers omvangrijke werk, dat acht decennia omvat, verhoudt zich op eigenzinnige wijze tot belangrijke tendenzen uit de Duitstalige naoorlogse literatuurgeschiedenis, waarvan ik er hier slechts een paar vermeld: in haar eerste publicaties in de context van de Weense neo-avant-garde brengt ze pathos en fantasie binnen in het nuchtere experiment; haar lange gedichten uit de jaren zestig weigeren de leesbare, realistische schriftuur die toen werd verordend; later experimenteert ze met de deconstructie van de conventies van de Neue Subjektivität; en haar laatste boeken overschrijden op welhaast anarchistische wijze de grenzen tussen poëzie en proza, met een onverschrokken, disruptieve kracht die van de bladzijden spat. Dat veelvormige poëtische corpus, dat grotendeels bij Suhrkamp verscheen, werd bekroond met tal van prijzen, waarvan de Grote Oostenrijkse Staatsprijs voor Literatuur (1982), de Friedrich-Hölderlin-Prijs (1993), de Georg-Büchner-Prijs (2001) en de Oostenrijkse Boekenprijs (2016) slechts de bekendste zijn. De universiteiten van Bielefeld (2000) en Innsbruck (2015) reikten Mayröcker een eredoctoraat uit. Minder gekend maar erg belangrijk is haar betekenis en steun voor andere dichters geweest, gaande van Thomas Kling (1957-2005), Ulrike Draesner (1962) en Marcel Beyer (1965) tot jongere dichters als  Mikael Vogel (1975).

Friederike Mayröcker overleed in Wenen op 4 juni 2021. In een gedicht uit 2010, verschenen in de bundel Von den Umarmungen, formuleert de lyrische ik deze afscheidsgroet:

 

getikt met de witte handschoen tegen het raam van de

wagen als afscheidsgroet voor de vrienden die buiten en

wuivend in de sneeuw, terwijl altijd nog tikkend de witte hand tegen

het raam van de wagen als kuste ik een laatste keer hun aanwezig-

heid […]

 

Dit in memoriam verscheen eerder in Poëziekrant, jaargang 45 (2021), nr. 5

Geplaatst op 25/09/2021

Tags: Friederike Mayröcker

Categorie: In memoriam

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.