Samenleving, Signalement

Dubbelzinnige pretentie

Echte pretentie

Joost de Vries

In meerdere van de essays in Vechtmemoires (2014) en in zijn roman Oude Meesters (2017) geeft de als progressief te boek staande Joost de Vries – hij is vaste medewerker van De Groene Amsterdammer – soms zonder veel omwegen, dan weer pomo-ironisch te kennen dat hij het burgerlijke erfgoed niet zomaar wil afvallen, ook al is het eurocentrisch en wordt het gedomineerd door de mores van witte heteroseksuele mannen. Een zekere hang naar ouderwetse burgerlijkheid kleurt ook Echte pretentie. Vanaf de eerste bladzijden ventileert De Vries zijn irritatie over het omgekeerde snobisme onder hoogopgeleiden. Ooit vormden zij de culturele elite, nu laten vele universitair gediplomeerden zich voorstaan op hun afkeer van wat nog niet zo lang geleden hoge cultuur heette en applaudisseren ze voor hun eigen platte smaak. ‘Dat is de staat van culturele pretentie anno nu: wie niet weet wie Lord Byron is hoeft zich niet meer te schamen, wie het wél weet is een eikel’, besluit De Vries, die zich ook ergert aan het feit dat het gebruik van woorden als ‘lapidair’ of ‘meticuleus’ als pedanterie, zo al niet als arrogantie wordt weggezet en nauwelijks iemand nog lijkt te weten wat een kazuifel is.

Moeten we dan terug naar de tijd waarin repertoiretheater en klassieke muziek voor het culturele neusje van de zalm doorgingen? De Vries zegt geen eerherstel van het vroegere burgerlijke snobisme na te streven, maar waar hij dan wel naar toe wil is niet helemaal duidelijk. Echte pretentie is essayistisch op een manier die nu al een tijdje de toon zet: veel persoonlijke touch en anekdotiek, een meanderende betoogtrant die zowel te veel stelligheid als talige tierlantijnen schuwt, en een vlotte stijl die nogal eens de richting van de journalistiek uitgaat. Die kenmerken laten zich niet meteen rijmen met de idee van literaire pretentie – maar dit terzijde.

Net als in zijn romans en zijn essays in De Groene Amsterdammer is De Vries ook in dit boek een swinger die niet van ingewikkelde danspassen houdt, kwestie van het de partner (de lezer) niet te moeilijk te maken. Tegelijk is hij niet vies van enige narcistische zelfverheffing die wel degelijk aanschurkt tegen het snobisme-oude-stijl. Het boek start met een conversatie tussen De Vries en zijn broer in het Metropolitan in New York – oh, cultureel kosmopolitisme! – en bevat een ‘Pretentieus intermezzo’ waarin de schrijver verhaalt over zijn bezoek aan een Shakespeare-voorstelling in het Londense Barbican met David Tennant in de rol van Koning Richard. ‘Ik draag een donkerblauw pak van Japans chambray, zwarte “Berty” brogues van Paul Smith, een clubdas van J. Crew’, noteert De Vries in een zin die twee (‘chambray’, ‘brogues’), misschien wel drie (ook nog eens ‘clubdas’) woorden bevat waar de gemiddelde hooggeschoolde zich in kan verslikken. In de zaal zit verder niemand met een das om de hals en hullen meerdere van de met een provinciaal accent perorerende vrouwen zich in schijnbaar zelfgebreide truien. ‘Shakespeare is niet chic in Engeland, iedereen is ermee opgegroeid’, concludeert De Vries. Wat hij écht bedoelt met het intermezzo blijft ongewis. Méént De Vries het en ziet hij cultuurliefhebbers graag goedgekleed in de foyer van de theater- of concertzaal verschijnen? Of is het tussenstuk een specimen van het soort postmoderne (zelf)spotternij dat intellectuele afstandelijkheid verwart met mentale vrijgevochtenheid? Deze vorm van dubbelzinnigheid, die bij De Vries wel vaker opduikt (ze schraagt zelfs Oude meesters), is behalve gemakzuchtig ook gewoon laf. Is het voor een progressief iemand gewoon te heikel om zonder omwegen voor meer vestimentaire esthetiek te pleiten? Durf dat dan ook te zeggen of, beter nog, wijs op de onnozelheid om die ter linkerzijde als not done af te doen (want ook langs die kant van het politieke spectrum dicteren nauw luisterende codes de inhoud van kleerkasten).

De Vries hangt zijn beschouwingen op aan twee essayisten en zet zo ook twee denklijnen over pretentie uit. Het valt nog te bezien of die altijd rijmen. De Amerikaanse schrijfster en essayiste Susan Sontag portretteert hij aan de hand van haar dagboeken als een ambitieus iemand die zich als auteur in spe van jongs af aan spiegelde aan illustere voorgangers en, breder, de westerse canon. Ze wilde boven zichzelf uitstijgen, wat vaak voor aanmatigend doorgaat. Evengoed illustreert dat streven de idee dat het goed is om moeite te doen: ‘Pretentie is een verwijt dat slaat op het tekortschieten, maar aspiratie is een compliment: dat slaat op het proberen, het reiken naar iets.’ Aan de hand van de essays van Karel van het Reve exploreert De Vries deels een andere vorm van pretentie. De Nederlandse slavist kon vooral grandioos mopperen over het verlies aan kennis van én respect voor de traditie. De Vries betreurt dat eveneens, al suggereert hij tussendoor wel dat de canon best mag worden gedekoloniseerd en gefeminiseerd enerzijds en dat daarbinnen ook plaats is voor het betere popwerk à la Radiohead anderzijds. Niet dat hij veel woorden besteedt aan die mogelijke verbreding: de vanzelfsprekende gehechtheid aan het eigen erfgoed geeft de doorslag. Daar is op zich genomen niets mis mee. Maar alweer: zég toch gewoon dat je in de eerste plaats het onder druk staande westerse culturele erfgoed wil verdedigen, ook al oogt dat niet meteen politiek correct, en geef daar tevens argumenten voor. Die laatste ontbreken in Echte pretentie, wat uiteraard een serieus manco is.

Een andere zwakte van het boek is dat de twee lijnen over pretentie die de Vries uitzet niet zomaar samenvallen. Het streven om zichzelf te overstijgen verschilt immers principieel van het (willen) kennen van de canon. Ook culturele ambitie, waar we volgens de ondertitel van het boek niet zonder kunnen, is een veelvormig iets. Ze kan vele gedaanten aannemen en zich bijvoorbeeld beperken tot het domein van pakweg de naoorlogse filmcultuur (dat is trouwens al een flinke hap). Tegelijk kan die aspiratie zich wel degelijk laven aan de bestaande westerse canon, zoals bij Sontag het geval was: zelfontwikkeling was voor haar als vanzelfsprekend synoniem met het zich eigen maken van het werk van zeg maar de klassiekers. Die evidentie stond bekend als Bildung, een uitdrukking die De Vries vreemd genoeg nooit gebruikt in een boekessay dat na aftrek van alle contemporaine schrijfgeplogenheden en een achterhaald aandoende pomo-ironie simpelweg neerkomt op een ouderwets pleidooi voor Bildung. Daar zit meteen ook de achillespees van Echte pretentie.

Dat De Vries voor het afkalven van het ideaal van Bildung nauwelijks een verklaring aanreikt, op enkele allusies op de bekende dooddoeners na (lees: de nefaste invloed van de media en het achteruitboerende onderwijs): passons, dit boek heeft tenslotte geen sociologische pretenties. Een stuk problematischer is dat hij de primair pedagogische verhouding tot het culturele erfgoed lijkt te verdedigen die de idee van Bildung, zoals de uitdrukking al suggereert, van oudsher heeft vergezeld. Ook na de mogelijke verruiming ervan blijft de artistieke canon voor De Vries dus voor alles een zaak van leren en respecteren. Dat kunst ook gewoon plezier kan geven en je je op een onbekommerde manier tot de traditie kan verhouden, mét een minimum aan eruditie maar zonder daarbij tevens zoiets als prestatiedruk of dwang te voelen: deze culturele sprezzatura is De Vries onbekend. In dat opzicht kan hij nog wat opsteken van een Roland Barthes of, in het Nederlandse taalgebied, een Eric De Kuyper.

Das Mag Uitgevers, Amsterdam, 2019
ISBN 9789492478771
153p.

Geplaatst op 12/06/2019

Tags: Bildung, Echte pretentie, Joost De Vries, Karel van het Reve, Snobisme, Susan Sontag

Categorie: Samenleving, Signalement

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.