Een antwoord op de stilte

Het grote zwijgen

Erik Menkveld

Op een zomeravond bezoekt componist Alphons Diepenbrock zijn ruim twintig jaar jongere vriendin en voormalig leerlinge Jo in haar woning nabij Brussel. Ze steekt de pianokaarsen aan en speelt ‘het voorspel tot de zomernachtscène’ uit Diepenbrocks nieuwe werk ‘Marsyas’ dat binnenkort in première zal gaan in het Concertgebouw. In de openingsscène van Het grote zwijgen vormt dit muzikale voorspel tevens het erotische voorspel tot de erop volgende nacht, waarin Jo van vriendin tot minnares van Diepenbrock wordt. Deze hele scène is ook de prelude tot een roman die zich ontvouwt rond muziek, liefde en overspel. In wat in die nacht zo vanzelfsprekend en goed lijkt schuilt de kiem van een drama. Want het geluk in die intieme kamer houdt geen stand in Amsterdam en omstreken, waar Diepenbrock leeft met zijn gezin, afwisselend in zijn nieuwbouwwoning bij het Concertgebouw en zijn buitenhuis te Laren. Het zijn oorden waar hij om zijn eerste levensbehoefte te vervullen – het componeren – behoefte heeft aan orde, rust en regelmaat.

Feit en fictie

Nu is het geen uitgemaakte zaak dat Diepenbrock de echte hoofdpersoon is van Het grote zwijgen, de historische debuutroman van dichter Erik Menkveld die zich afspeelt in het Hollandse muziekmilieu van de jaren tien van de vorige eeuw. In het volgende hoofdstuk maken we kennis met de ambitieuze muziekcriticus Matthijs van der Meulen die een minstens even prominente plaats opeist in deze geschiedenis. Of moeten we zeggen: in de behandelde periode? Want dat de historische feiten het nodige gewicht in de schaal leggen in Het grote zwijgen zal weinigen ontgaan. Dat roept de vraag op welke literaire ambitie Menkveld heeft nagestreefd in deze meeslepende geschiedenis.

Vermeulen heeft artikelen gelezen die Diepenbrock ‘echt’ schreef voor De Nieuwe Gids en Diepenbrock bezoekt de begrafenis van Mahler die ‘werkelijk’ op de beschreven wijze plaatsvond in 1911. Jaartallen spelen een prominente rol, want Menkveld deelt zijn roman keurig chronologisch in jaarblokken in. Dat geeft de roman een nogal documentair karakter. Tegelijkertijd groepeert Menkveld de jaren tot delen. Het korte middendeel, waarin de wereldoorlog uitbreekt, is het dramatisch scharnierpunt. Waar de jaartallen zijn respect voor de geschiedenis tonen, getuigen de delen van ordening en intrigevorming. In zijn verantwoording – Menkveld voert een heuse literatuurlijst op, die anders dan in De heldeninspecteur van Atte Jongstra niet als scherts of postmoderne ironie is bedoeld – daagt hij de lezer zelfs uit om na te gaan welk spel hij nu gespeeld heeft met feit en fictie. Volgens een aloude wijsheid vertelt een historicus wat is gebeurd en een schrijver wat had kunnen gebeuren, de een houdt zich aan eenmalige feiten, terwijl de ander probeert universele waarheden uit te beelden. Dat stelt de romancier die zijn stof uit de historische feiten put voor de opgave om voldoende ruimte voor de verbeelding te zoeken in zijn materiaal, om daaraan een literaire waarheid te laten ontstijgen. Menkveld zet de zaak op scherp en maakt het zich niet gemakkelijk door de feiten zwaar te laten wegen. Welk verhaal vertelt hij naast het reeds bekende verhaal? Hiermee hangt samen in hoeverre zijn roman overtuigt als roman.

Muziek, liefde en oorlog

Het grote zwijgen toont Diepenbrock in 1910 als een zoekende componist. ‘Marsyas’ gaat weliswaar onder Mengelberg in première, maar zijn beste werken verkwijnen door gebrek aan bekendheid. Anders dan zijn vriend Mahler, die hij tot zijn bewonderaars mag rekenen, beschikt hij niet over het dirigeer- en organisatietalent om zijn werk eigenhandig in het buitenland te promoten. Hij betwijfelt of er in de huidige materialistische tijd nog wel plaats is voor zijn kunst, die de mens weer in contact wil brengen met ‘zijn goddelijke oorsprong’. De huidige critici vinden hem ‘wereldvergeten’, met uitzondering van die ene jonge recensent Matthijs van der Meulen, die blijk geeft van grote kennis van zijn werk. Misschien kan die iets voor het huidige muziekklimaat betekenen. Diepenbrock neemt het initiatief tot een kennismaking. Die vormt de opmaat tot een gecompliceerde vriendschap, waarin de aanvankelijk vanzelfsprekende rolverdeling van meester en leerling uitgroeit tot een botsing. In dit drama speelt ook Diepenbrocks echtgenote Elsa een belangrijke rol.

Vermeulen, zoals Van der Meulen zich inmiddels noemt, kent Diepenbrocks beschouwingen uit De Nieuwe Gids en stemt van harte in met diens verwoording van de roeping van de kunstenaar van nu om ‘het diepste wezen der wereld’ te openbaren en ‘de hoogste wijsheid uit te spreken in een taal van schoonheid die zijn eigen verstand te boven gaat’. ‘Marsyas’ bracht hem ‘buiten zichzelf’ en openbaarde hem het voorland van de nieuwe muziek: ‘puurste polyfonie’, die het ‘onzegbaar uitdrukkingsvermogen’ vormt van het vuur dat hij al van jongs af kent. Hij is vereerd door de gesprekken met de meester, die hem bovendien helpt zijn positie als criticus te verbeteren. Door Diepenbrock gaat Vermeulen inzien dat Mahler geen componist is van banale melodieën, maar een visionair die erin slaagt het ‘eeuwige achter het tijdelijke’ op te roepen. Diepenbrock stelt Vermeulen in staat enige tijd ongestoord aan zijn symfonie te werken. Helaas blijft dit scheppend werk, dat Vermeulen als zijn feitelijke roeping beschouwd, verstoken van erkenning – ook van de zijde van Diepenbrock.

De Eerste Wereldoorlog vormt een keerpunt in de roman en het decor van verwijdering tussen leerling en meester. Artistiek raken Vermeulen en Diepenbrock met hun hooggestemde kunst- en cultuurideaal in een crisis door het ontketende geweld, waarvan Vermeulen, als tijdelijk oorlogsverslaggever, ooggetuige is. Ook in de persoonlijke verhoudingen vinden nu beslissende verschuivingen plaats door de toenadering tussen Elsa en Vermeulen. Deze amoureuze wending, die erop neer komt dat meester en leerling verstrikt raken rond dezelfde vrouw, lijkt een haast noodzakelijke doorwerking van de esthetica van de componisten, waarin de verbondenheid van Kunst en allesomvattende Liefde zo prominent is. En zoals de vaak belabberde uitvoeringen van de composities van Diepenbrock, bedoeld als verklanking van geloof in de Liefde, een aanfluiting zijn voor hun rijkdom, zo blijft de goddelijke liefde onder stervelingen een zaak die vooral verliezers kent. De dagelijkse werkelijkheid vormt het contrapunt van de bevlogen ideeën.

Heeft Menkveld het historisch raamwerk van een componistenvriendschap als decor gekozen voor een liefdesdrama? Om het literaire accent in deze zo documentair en biografisch ogende roman nader op het spoor te komen besloot ik een blik te werpen op enkele van de door Menkveld genoemde bronnen. Na raadpleging van de biografische feiten zie ik dat dit materiaal een buitenkansje bood voor een romancier. Niet alleen de hoofdlijn berust op ware toedracht, ook talloze sprekende dramatische details waarvan ik vermoedde dat die eerder op Dichtung dan op Wahrheit zouden berusten, blijken echt te hebben plaatsgehad. De geschiedenis lijkt hier de verbeelding te overtreffen, de gedocumenteerde werkelijkheid bevat hier bijna een roman in zichzelf. Het grote zwijgen is een intrigerende roman, onder andere met dank aan de geschiedenis. Maar een in de schoot geworpen vie romancée, een geromantiseerde levensbeschrijving, is natuurlijk nog niet per definitie een literaire roman.

Artistieke loutering

Ik ga ervan uit dat een schrijver van historische romans zijn stofkeuze niet alleen laat bepalen door de dramatische kracht van het materiaal, maar ook meent dat dit materiaal ons nog ‘iets’ te zeggen heeft. Hij zal zijn best doen om dit ‘iets’ te accentueren in zijn roman. Menkveld heeft zonder twijfel een beeld willen schetsen van het rusteloze mechaniek van verlangens en teleurstellingen, vergeefsheid en toch weer opnieuw proberen, dat het liefdeleven van zijn figuren aandrijft. Hun verschillende persoonlijke motieven maken dat hun affaires geen stand houden en, in het geval van de Diepenbrocks, hun huwelijk niet gelukkig is. De een blijft voor de ander een vreemde en is als de ‘kruier op station Breukelen’ die Elsa en Vermeulen ziet langsflitsen in de trein, zonder dat hij kan bevroeden wat die twee samenbracht en wat hun verhouding is. Maar bovenal heeft Menkveld een beeld willen geven van de rond artistieke preoccupaties opgebouwde meester-leerlingverhouding van Diepenbrock en Vermeulen. Het grote zwijgen is in de eerste plaats een kunstenaarsroman.

De roman schetst een artistieke loutering. Het hooggestemde idealisme van meester en leerling krimpt tot realistischer proporties, zonder te verdwijnen. Tijdens een van hun vooroorlogse gesprekken verbaasde Vermeulen zich over Diepenbrocks tekstkeuze voor zijn orkestlied ‘Im grossen Schweigen’. De antimetafysische strekking van dit fragment uit Nietzsches Morgenröte ging, zo meende Vermeulen, geheel in tegen alles waar volgens hen beiden de kunst voor staat. De ware kunstenaar is toch een profeet die de gemeenschap in een rationalistische eeuw opnieuw bezielt door haar via schoonheid in contact te brengen met haar oorsprong? Misschien niet langer een goddelijke oorsprong, maar dan toch minstens de bron van Liefde waaraan al het bestaande ontspruit?

Getuige van het oorlogsgeweld, komt ook Vermeulen dit geloof in de ‘levenwekkende stroom’ die het Alles doortrilt naïef voor. Hier heerst de onverschillige, zwijgende natuur, die zich niets aantrekt van een mens die zich illusies maakt, hier heerst een uitsluitend causale, gesloten werkelijkheid zonder mysterie. Maar uiteindelijk weigert Vermeulen om het ‘eeuwige in hem’ te laten overdonderen door een ‘eclips’ en het ‘momentane’. De oorlogservaring brengt hem tot een nieuwe esthetiek, waarin hij afscheid neemt van de hiërarchische orde van de tonica en zich bekeert tot een ‘polyfonie zonder centrum’. Toch zal ook deze muziek onverminderd getuigen van een mysterie en de gemeenschap dienen, niet door zich erboven te verheffen, maar door haar als het ware democratisch te weerspiegelen. Diepenbrock kan Vermeulen niet volgens op diens nieuwe muzikale wegen. Toch lijkt ook hij zich te elfder ure nog te vernieuwen. In het besef van het failliet van zijn huwelijk en in de vaststelling dat erkenning niet of te laat komt, opent hij opnieuw zijn hart voor de natuur: niet als het grote zwijgen van Nietzsche, maar als bron van verwondering en geluk om het loutere bestaan. Zo moet nu ook zijn nieuwe stuk worden: niet uit op verbetering van de wereld of als vorm van zelfbewijs, maar alleen ‘levenskracht’ uitzingend.

Welke weg ook gekozen wordt, die van Diepenbrock of die van Vermeulen, de roman accentueert dat meester en leerling, als ‘gezamenlijke’ representant van een historisch tijdvak, het grote zwijgen niet onbeantwoord laten. De in zichzelf berustende natuur verdient de repliek van, onder andere, de kunst – dat lijkt Menkveld met deze geschiedenis te willen tonen. De bescheiden en verwonderde houding die openstelt voor het mysterie als bron van creativiteit, vinden we ook terug in de beslissende levensmomenten van Vermeulen, als hij wordt overvallen door pure ervaring. Dan vervalt de begrensdheid van ambitie en subjectiviteit, zo vertelt hij. ‘Ik had de sterke gewaarwording bij vol bewustzijn buiten alle aardse dimensies en menselijke ordeningen gezogen te worden. Mijn individualiteit, de ruimte en de tijd ontvielen me.’ Op zulke momenten is hij zich bewust van zijn roeping.

Poëzie door nuchterheid

Menkveld laat in het midden of hij het gelouterde esthetische ideaal actueel vindt, bijvoorbeeld omdat wij ons nu ook nog bezighouden met de betekenis van kunst voor de maatschappij of voor, in een begin twintigste-eeuwse term, de ‘gemeenschap’. Dat komt mede door de gekozen opzet. Een historische roman van Vestdijk is vaak een verkapte contemporaine roman met Vestdijks bekende psychologische thematiek. Bij Rosenboom zien we het verleden vooral door het sterk vertekenende prisma van groteske karakters en climaxen. Bij Menkveld is daarentegen sprake van een opvallende verteller, noch van een felgekleurde visie op het verleden, wat het reeds genoemde documentaire karakter van de roman nog versterkt. Bijna nergens verstoort het verhaal de illusie dat we min of meer gelijktijdig meebewegen met de figuren. Het geheel wil kennelijk een indruk wekken van historische betrouwbaarheid en levensechtheid. Menkvelds belangrijkste dramatische toevoeging aan deze historische levens is het belichten van de existentiële beperkingen van het liefdesverlangen en het artistieke louteringsproces. Toch ontstaat juist door die ‘beperkte’ ambitie een evenwichtig geheel.

Hoewel je je van sommige lijntjes afvraagt of ze meer zijn dan een restant van bronnenstudie, staat het eindresultaat geheel op eigen benen. Het grote zwijgen is een geslaagd en belangwekkend debuut. Met dank aan de geschiedenis: als leverancier van het gegeven, maar ook als tegenwicht van een teveel aan contemporaine invulling. Menkveld heeft ervoor gekozen om een zekere afstand tot zijn personages te bewaren, niet alleen door zich te onthouden van oordelen, maar vooral door de innerlijke conflicten niet tot in hun diepste kern bloot te leggen. Hij gaat niet ver onder de huid, wat de dramatische zeggingskracht eerder versterkt dan verzwakt. Deze discretie past bij een tijd waarin conventie en het devies je te schikken een sterker stempel drukte op het leven en denken dan wij ons heden ten dage kunnen voorstellen. Maar vooral overtuigt Het grote zwijgen door de fraaie samenloop van leven en kunst, van liefde en artistieke worsteling, opgeroepen in trefzekere en nuchtere taal die ruimte maakt voor poëzie en symboliek. Openstaan voor het mysterie is de positieve keerzijde van de onkenbaarheid, zo lijkt de roman mede te willen zeggen bij monde van Vermeulen: ‘elke gebeurtenis, de hele natuur, alle muziek die we horen, iedere mens die we ontmoeten – het is allemaal mysterie. Wat iemand ten volle is of wat er aan alles dat voorvalt of bestaat ten grondslag ligt, zullen we nooit weten.’ In feite is ook het verleden zo’n mysterie. Menkveld bewijst met zijn verbeeldingskracht in deze roman dat zelfs een overvloed aan feiten dat mysterie niet verjaagt.

Links

Van Oorschot, Amsterdam, 2011
ISBN 9789028241589
360p.

Geplaatst op 07/10/2011

Deel:

Reacties

  1. rein swart

    Mooi gesproken, Harold!

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.