Een verleden in voetnoten

Ga niet weg

Willem van Zadelhoff

Met Ga niet weg lost Willem Van Zadelhoff alle verwachtingen in die hij met de twee voorafgaande delen van zijn drieluik – Een stoel uit 2003 en Holle Haven uit 2006 – heeft opgeroepen: de roman is het sluitstuk van een trilogie die in al haar eenvoud ontzettend geraffineerd, ambitieus en veelkantig is.

Architectuur en intrige

Van Zadelhoffs fictie situeert zich graag tegen de achtergrond van een realistische historische context. In zijn vorige roman Vuur stelen was dat een portret van de Nederlandse acteursstudio’s en geëngageerde podiumkunsten van de jaren ’70; in de Holle Haven-trilogie is het een vogelvlucht over de geschiedenis van het modernisme. Specifiek neemt Van Zadelhoff enkele belangwekkende – zij het uiterst specifieke – momenten uit de architectuur- en designgeschiedenis in het vizier. Eerst komt het Bauhaus-ontwerp van de Freischwinger (de eerste ‘achterpootloze’ stoel) tijdens het interbellum aan bod, vervolgens het naoorlogse modernisme, om nu, in dit derde deel uit te komen bij het ‘Nieuwe Bouwen’ van de jaren ’50 en ’60 en – met terugwerkende kracht – de bouw van het ‘Holländisches Viertel’ (de ‘Hollandse Wijk’), een soort replica van een Amsterdamse volkswijk, bedoeld als residentie voor Nederlandse gastarbeiders in Potsdam aan het begin van de achttiende eeuw. Die laatste periode lijkt aanvankelijk uit de toon te vallen, maar kan in zekere zin beschouwd worden als een prelude op het Europese Modernisme waar de andere episoden deel van uitmaken. Tenminste, als we meegaan in de hypothese van één van de personages:

Zoals hij in de Hollandse wijk de huizen ruimer en luxueuzer maakte dan hun voorbeelden in de Jordaan, gaf hij het stadhuis juist bescheidener afmetingen. Bouman trok de zaken recht. Hij baseerde zich – in zoverre dat in tijd natuurlijk mogelijk was – op de menselijke maat. Helemaal in de geest van [Marcel] Stam en het Nieuwe Bouwen.

Deze architecturale passages zijn niet alleen boeiend en bevattelijk geschreven, ze worden ook telkens op aantrekkelijke wijze omzwachteld met een historische intrige. Doorgaans heeft die te maken met de behoefte aan een zekere ‘correctie’ van de geschiedenis, met de vraag naar de ‘vroegste oorsprong’ of naar het ‘intellectuele eigendom’ van een idee (‘Wie ontwierp die stoel nu als eerste?’, ‘Liggen de wortels van het modernisme niet al in de vroege 18e eeuw?’).

De onmogelijkheid om ‘het’ zuivere beginpunt te onderscheiden, vormt echter slechts één aspect van de grotere, thematische continuïteit van de romans: de onmogelijkheid om het verleden definitief te ontsluiten, laat staan af te ronden.

Nostalgische reflex

In een uitgepuurde en functionele schrijfstijl (Van Zadelhoffs schriftuur bezit dezelfde klare lijn als die van het Bauhaus-ontwerp – dat in de trilogie trouwens een thematisch ankerpunt blijkt), wordt deze abstracte problematiek concreet uitgewerkt aan de hand van een generatieoverspannende kroniek over de familie Kats. In die kroniek wordt het onderscheid tussen fabel en waarheid meermaals ter discussie gesteld, en lopen feit en fictie vanzelfsprekend ook door elkaar (een crossover die Van Zadelhoff trouwens ook al eens paratextueel toepast: zo liet hij een personage uit zijn tweede roman – de fictieve architectuurhistoricus Bernhard Mörtenböck – recensent spelen op de achterflap van zijn debuut Een stoel).

In Ga niet weg staat deze keer het personage Robert Kats centraal, een Amsterdamse historicus (in het licht van deze trilogie een uiterst beladen beroep) die zich voortdurend – en onontkoombaar, zo lijkt het wel – in zijn familiegeschiedenis laat terugwerpen. Robert lijkt amper beslissingen te kunnen nemen die niet te maken hebben met de verwachtingen en ambities van voorgaande generaties: ‘Ik ben gevormd uit dromen. De dromen van mijn grootvader, van mijn vader… Zonder er verder over na te denken had ik hun dromen tot de mijne gemaakt.’ De indringendheid van die erflast manifesteert zich nog het duidelijkst in de impulsieve aankoop van een kubusvormige villa, waarmee Robert een gefnuikte droom van zijn grootvader Gerrit Kats wil ‘corrigeren’, namelijk: het bouwen van een woning vol ‘licht en lucht’ in onversneden Bauhaus-traditie. Roberts surrogaatvilla bevindt zich in de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam en zou als product van een naoorlogs modernisme ongetwijfeld op de goedkeuring van zijn Arnhemse familie hebben kunnen rekenen. Bovendien behoorde het huis ooit nog toe aan Willy Alberti, de favoriete zanger van Roberts Amsterdamse grootouders aan moederszijde. Op die manier verenigt de woning twee uitersten die tot dan toe steeds zo onverzoenbaar leken. In de roman wordt de aard van die onverzoenbaarheid overigens bijzonder treffend neergezet:

Mijn Amsterdamse grootvader zat tegenover hem en dronk geen wijn, maar jenever. ‘Een glaasje recht op en neer’, zoals zijn favoriete zanger Johnny Jordaan het noemde. ‘Die [achterpootloze] stoel staat bij miljoenen mensen thuis’, vervolgde vader. ‘Logisch, want een stoel met twee poten zit beter dan een stoel met vier poten. Zo’n stoel wil iedereen hebben’. ‘Maar als zo’n stoel te hoog is en je wilt een stukje van de poten zagen, dan gaat dat niet’, zei mijn grootvader peinzend en hij nam een slok van zijn borrel. Ik keek naar mijn vader. Ik las minachting in zijn ogen. En spijt om elke minuut die hij in het gezelschap van deze Amsterdamse bloemist moest doorbrengen, alleen maar omdat hij met zijn dochter was getrouwd.

De intensiteit waarmee Robert zijn leven injecteert met herinneringen en complexe loyaliteiten aan het verleden, lijkt omgekeerd evenredig met zijn interesse voor wat zich daarbuiten afspeelt. Zijn huwelijk met Hester bijvoorbeeld, die op geen enkel moment wordt betrokken bij de plannen die Robert smeedt. Daarin echoot zowel de bezetenheid van zijn grootvader – obsessie wordt hier een soort erfelijke terugslag, gekte ‘een atavisme’ – maar evengoed de koppige hooghartigheid van zijn eigen vader, die ook altijd het beste wist ‘wat goed was voor de anderen’. Wanneer Hester daartegen verzet aantekent, laat Robert zijn huwelijk koelbloedig voor wat het is (pas later in de roman zal blijken hoe letterlijk we dat mogen nemen), en installeert hij zich quasi emotieloos in zijn zelfverkozen isolement: een idyllische plek waar ‘alles nog bij het oude is gebleven’.

Van voetnoot tot eerherstel

Nochtans is Robert er zich wel degelijk van bewust dat zijn nostalgische reflex een ‘vroeger’ nastreeft dat al lang niet meer bestaat, dat haaks staat op de realiteit waarin hij ondertussen leeft:

Terwijl ik door de buurt fietste, realiseerde ik me steeds meer dat een groot aantal plekken onlosmakelijk met mijn persoonlijke geschiedenis verbonden waren. In de kiosk aan de Johan Huizingalaan waar in de jaren zestig de bloemenwinkel van mijn grootouders was gevestigd, zat nu de Turkse groentewinkel Ozbaktat. In de kiosk ernaast had een Turkse advocaat zijn praktijk. […] In de winkel waar mijn grootvader vroeger zijn shag kocht, werd nu halal vlees verkocht. Ik kon me niet meer voorstellen dat ik in deze straat als kind had gespeeld.

Roberts nostalgie slaat hier al bijna om in xenofobie, maar toch is het hem er niet om te doen om die veranderde wereld volledig buiten te sluiten. Zo biedt hij zelfs één van de kamers in zijn huis aan als alternatieve studieplek voor Dilhan, een Turkse leerlinge uit zijn klas wier kansen – aldus de schoolraad – danig worden beperkt door haar sociale context: ‘Later had Henry me er nog op aangesproken. Volgens hem was Dilhan inderdaad hoogbegaafd. Maar aangezien dat van thuis uit niet werd ondersteund, had het weinig zin als wij het wel deden. Een machteloos gebaar met zijn handen voor hij verder liep.’

De dynamiek tussen leerkracht en leerlinge heeft al vanaf de eerste paar regels een eigenaardige, bijna omineuze sfeer, maar slaat pas echt om wanneer Roberts vaderlijke affectie voor Dilhan steeds dominanter proporties aanneemt: ‘“Ik wil je troosten”, zei ik. “Je hebt verder niemand. Je moet hier blijven. Als je niet hier blijft, gaat het mis.” Ze zweeg en keek me aan met een blik die door merg en been ging.’ Die ene namiddag – er gebeurt overigens verder niets – blijkt Roberts lot reeds beslecht: hij wordt het doelwit van Dilhans broer die hem in een steekpartij eerst een oog uitsteekt en een long doorboort (een ironisch contrapunt voor Roberts verheerlijking van ‘licht en lucht’), maar ook daarna redenen heeft om te azen op een nog ultiemere wraak.

Dat Robert ondertussen het contact met het hier en nu wel degelijk heeft verloren wordt duidelijk wanneer het vooruitzicht te zullen sterven hem minder bezighoudt dan het schrijven van dit – zijn – laatste hoofdstuk in de Kats-kroniek. Daarin openbaart zich een laatste schakel van Roberts fixatie op het verleden: hij wil niet alleen een plaats opeisen in die familiegeschiedenis, hij wil deze ook herschrijven op een manier die een diepere betekenis verleent aan zijn eigen (bedenkelijke) daden. Dat uit zich in zijn pogingen om Karoline Kwatta (een personage uit Holle Haven, dat in Ga niet weg als tweede, externe vertelinstantie optreedt) te overhalen haar net verschenen studie Gerrit und Frederik Kats und ihre Bedeutung zur Entwicklung des Freischwingers aan te passen: ‘Ze zal duidelijk moeten maken dat het een boek over fantasten is, niet over dromers, nee, over gevaarlijke fantasten, die als het erop aankomt over lijken gaan’.

Of Kwatta ooit op dat verzoek ingaat, laat de roman in het midden. Belangrijker is dat Robert hier voor het eerst een eigen droom lijkt te dromen: hij wil zijn ‘bewonderenswaardige’ familiegeschiedenis niet langer verderzetten, maar haar ‘corrigeren’. In dit geval wil hij haar zelfs naar beneden halen om zichzelf in dat verhaal wat meer naar boven te trappelen, om eerherstel voor zichzelf op te eisen. De voetnoot waarmee hij dat wil doen mag dan veel te laat komen om nog iets te veranderen aan het noodlot dat zich inmiddels heeft voltrokken, ze illustreert wel één van de essenties uit Van Zadelhoffs trilogie: het volledige verhaal blijft veelal onbeslist in het licht van al haar tegenstrijdige versies. En daarmee komen we op het einde van deze romancyclus tot een passend slot: Ga niet weg bestendigt niet de ware toedracht over Kats’ familiegeschiedenis, maar het besef dat deze voornamelijk in conflicterende voetnoten wordt geschreven.

Links

Meulenhoff / Manteau, Antwerpen, 2010
ISBN 9789085422426
264p.

Geplaatst op 22/02/2011

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.