Recensies, Samenleving

Een wreed serieus varken

Politiek incorrect

Waarom (zelf)censuur slecht is voor uw gezondheid

Johan Sanctorum

‘Johan Sanctorum is de boeiendste polemist van Vlaanderen en misschien zelfs van Groot-Nederland: dat weet iedereen die het aandurft om teksten buiten de deugbubbel te lezen.’ Deze uitspraak van Sid Lukkassen prijkt op de achterflap van Sanctorums nieuwste boek Politiek incorrect. Waarom (zelf)censuur slecht is voor uw gezondheid, een met bindteksten aan elkaar geschreven bloemlezing van blogartikels en opiniestukken voor de website Doorbraak (overigens volkomen ten onrechte door Tom Lanoye in Humo afgedaan als een forum voor fascistoïde ‘ratés’). Niet alleen laat Sanctorum zich op de achterflap door een medestander aanprijzen als een uitdagend auteur die tegen de mainstream durft in te gaan, in zijn inleiding bevestigt hij dat ook nog eens zelf. Daar prijst hij zijn boek aan als ‘radicaal, provocerend, soms hyperbolisch, maar met veel liefde voor de Vlaamse volksaard waarvan ik de carnavaleske onderstroom zeer bewonder’. Deze aanprijzing sluit ook aan bij de titel. Deze duidt niet op de inhoud van het boek, maar is er meteen een wervende kwalificatie van: dit boek is politiek incorrect! Het lijkt een ironische trigger warning: opgelet, dit boek kan mogelijk kwetsend zijn voor mensen met traumatische ervaringen met racisme en seksisme! De vraag is dan of een geschrift dat zichzelf zo expliciet aanprijst als provocerend nog kan provoceren. Uiteraard niet bij de geestverwanten van Sanctorum: zij zullen gniffelen bij de gedachte dat anderen, namelijk de – wellicht niet zo talrijke – links-progressief georiënteerde lezers zich geprovoceerd zullen voelen. Maar deze laatsten zullen enkel bevestigd zien hoe racistisch radicaal rechts vandaag is. De conclusie is dat dit boek geen serieus mens zal provoceren.

Een van Sanctorums robuuste grondstellingen is dat we slechts in een schijndemocratie leven. Formeel is er wel persvrijheid, maar ‘er is geen vrijheid van mening’. De pers is niet meer dan een doorgeefluik van de staat én van de multiculturele progressief-linkse mainstream. ‘Krantenredacties zijn gedisciplineerde pulpfabrieken waar de commerciële logica hand in hand gaat met een streng bewaakte politiek correcte lijn.’ We worden allemaal onophoudelijk gehersenspoeld door een progressief-linkse elite die de kranten- en tijdschriftenredacties vult en die tijdens en na het journaal ook nog eens zijn zegje mag komen doen. Nuances zijn niets voor Sanctorum. Zijn idee is: eigenlijk leven we in een totalitaire maatschappij; het is nog niet zo erg als in China of Saoedie-Arabië, maar het scheelt niet veel… Hij vraagt zich niet af hoe het dan toch mogelijk is dat Mia Doornaert in De Standaard sinds jaar en dag tekeer kan gaan tegen politieke correctheid, net zoals Jean-Marie Dedecker op een meer sappige manier in Knack (volgens Sanctorum een verderfelijk progressief snertblad), net zoals de notoire socialistenhater en Trump-adept Derk Jan Eppink in de Volkskrant, net zoals de dandyeske fascist Thierry Baudet in NRC Handelsblad, tot hij het daar iets te bont maakte. Kranten bestrijken ideologisch een veel breder spectrum dan Sanctorum het wil voorstellen. Waar haalt hij het bijvoorbeeld dat de mainstreampers het verband niet durft te leggen tussen moslimfundamentalisme en criminaliteit? Zowat elk artikel over de radicale islam legt de band met criminele netwerken. En als Sanctorum even over het muurtje zou kijken, zou hij meteen zien dat ook uitgesproken linkse bladen verre van ideologisch strak zijn. In De Groene Amsterdammer gaat de econoom Ewald Engelen al jaren tekeer tegen de politiek correcte woke-cultuur, die volgens hem elke band met de reële problemen van de minderbedeelden heeft verloren, en op de voorpagina van een recent nummer staat in vette letters: ‘Hoe de vrijheid van meningsuiting onder druk staat door radicale moslims en progressief links.’ Niettemin vinden Sanctorum en vele van zijn geestgenoten het nodig om te blijven beweren dat we leven onder de tirannie van een links-progressieve pensée unique. Wellicht wentelen ze zich graag in het gevoel tot een miskende minderheid te behoren (terwijl ze ondertussen links verwijten dat het mensen in een slachtofferrol duwt). De aangename keerzijde van dat verongelijkte gevoel is natuurlijk een van superioriteitswaan. Het moet heerlijk zijn om jezelf te zien als een van de weinige Vlaamse intellectuelen die durft te zeggen waar het op staat, terwijl al die anderen opgesloten zitten in ‘een conformistische bubbel van ideeën en clichés’. Sanctorum schijnt ondertussen te vergeten dat hij en zijn gelijkgezinden wel degelijk boeken en online tijdschriften volschrijven. Jawel, hij weet dat er net zo goed een rechtse mainstream bestaat die in clichés gevangen zit en zijn ‘gedachtepolitie’ heeft die vooral actief is op de sociale media. Maar zijn ene bladzijde hierover valt in het niet bij zijn tweehonderd bladzijden lange tirade tegen links.

Kranten hebben zwarte lijsten, klaagt Sanctorum. Inderdaad, en gelukkig maar. Kranten hebben criteria omtrent minimale kwaliteit en morele integriteit. Artikels bevatten bij voorkeur juiste informatie, opinies zijn bij voorkeur genuanceerd. Vuilbekkerij over moslims, zwarten of seksuele minderheden voldoet niet aan die criteria. Maar voor Sanctorum lijkt nuance een teken van zwakte of angstige zelfcensuur. Alleen uitspraken die een of andere bevolkingsgroep op stang jagen kunnen voor hem blijkbaar voor authentieke uitingen van vrije mening doorgaan.

 

Martelaren van de vrije mening

De twee helden-martelaars van de vrije meningsuiting die Sanctorum opvoert zijn wat dit betreft veelzeggend. Ten eerste is er Jeff Hoeyberghs, de plastisch chirurg die op uitnodiging van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond aan de UGent stoere misogyne praat kwam verkopen. Natuurlijk heeft Sanctorum gelijk wanneer hij het dom vindt het KVHV hiervoor te sanctioneren. Erger is dat er ook nog studentenverenigingen waren die vonden dat het KVHV definitief moest worden geschorst, omdat ideeën ‘zoals die van Hoeyberghs geen plaats kunnen hebben aan een universiteit’. Ik zou denken: aan een universiteit moeten alle ideeën, hoe gek en verwerpelijk, kunnen circuleren. Nog tot in de jaren tachtig was de universiteit vergeven van studentenverenigingen die sympathiseerden met de gewapende revolutie. Je had marxisten-leninisten, maoïsten, trotskisten, anarchisten, en natuurlijk ook uiterst rechtse groepjes. Het bleef uiteraard bij puur verbaal geweld: pamfletten en schotschriften in obscure krantjes. Die verenigingen werden niet opgedoekt, maar werden wijselijk getolereerd. Extremisme, soms scherp en intelligent onderbouwd, soms wansmakelijk en baldadig, kan de humus zijn voor interessante en met elkaar botsende ideeën. Ideeën die te dom zijn voor woorden, zoals die van Hoeyberghs, moet je ofwel negeren ofwel ridiculiseren. Het is inderdaad een gevaarlijke neiging van politiek correct links om uitspraken die zij – terecht – moreel verwerpelijk vindt te willen verbieden of sanctioneren. Je moet je ideologische tegenstander niet langs juridische weg proberen monddood te maken, maar er iets intelligenters en krachtigers tegenover zetten. Het is in elk geval strategisch dom om je over iemand als Hoeyberghs op te winden, aangezien hij zijn uitstraling bijna uitsluitend dankt aan de voorspelbare, humorloze morele verontwaardiging van links. Daar wijst ook de titel van zijn praatje voor het KVHV op: Onversneden. Net zoals Sanctorums Politiek incorrect duidt deze titel niets inhoudelijks aan, maar is het een wervende slogan die verklapt dat we weer eens iets lekker provocerends kunnen verwachten. Elke klacht bij Unia of bij het Instituut voor de Gelijkheid tussen Mannen en Vrouwen (IVGM) is voor iemand als Hoeyberghs een pluim op zijn hoed. Maar het slaat nergens op om hem, zoals Sanctorum doet, tot een held te verheffen. Hij prijst dit soort ‘opiniecriminaliteit’ of ‘intellectuele terreur’, rekent hem tot die ‘vrijbuiters waarvan (sic) het enige wapen de provocatie is’. Aangezien de provocatie hier een doel op zich is geworden, is Sanctorum dan ook consequent wanneer hij de moeite niet neemt om in te gaan op wat Hoeyberghs nu eigenlijk te melden had of aannemelijk te maken dat het, zoals hij zegt, om een zelfparodie ging.

De tweede martelaar van de vrije meningsuiting die Sanctorum opvoert is de meermaals wegens negationisme veroordeelde Siegfried Verbeke. Sanctorum stelt terecht dat de wet tegen het negationisme een onding is, maar het is absurd om van de overtreder van die wet een heldhaftige vrijbuiter te maken, en dat is wat Sanctorum doet. Zijn conclusie over deze twee gevallen is dan ook ongerijmd: ‘De “seksist” Jeff Hoeyberghs en de “racist” Siegfried Verbeke [let op de vreemde aanhalingstekens!] zijn symptomatische gevallen voor een democratisch deficit en een uitgeholde vrijemeningscultuur. Het aan banden leggen van “afwijkende” meningen is niet toevallig en vrijblijvend, het is een intimiderend mechanisme dat mensen de lust moet benemen om denkbeelden te ontwikkelen of een stijl te hanteren die zich buiten de consensus beweegt. […] Er bestaat zoiets als het recht op het verkondigen van buitenissige ideeën en wilde complottheorieën, zowel in politiek als in wetenschappelijk opzicht. Meer nog: dat is het peper en zout van de vrije meningscultuur. Als men wil “bewijzen” dat de aarde plat is, dat Hitler nooit bestaan heeft, dat Elvis nog leeft of dat de Amerikaanse maanlanding in 1969 in de Arizonawoestijn werd geënsceneerd, moet dat kunnen.’

Het is inderdaad dwaas om de ranzige praat van Hoeyberghs en het geschift negationisme van Verbeke via juridische weg te bestrijden – het proces tegen Hoeyberghs is een gevaarlijk precedent –, maar het getuigt uiteraard van de gezondheid van onze democratische cultuur dat geen enkele krant of tv-kanaal hun een stem verleent. Dergelijke idioten vormen in elk geval niet ‘het peper en zout’ van het openbare debat. Er is aan hun discours niets subversiefs; dat lijkt enkel zo voor zover er telkens genoeg linksen zijn om zich op stang te laten jagen en op censuur aan te sturen. Subversief is enkel een discours dat op een of andere manier een waarheid openbaart die de goegemeente liever bedekt wil houden, maar wat Hoeyberghs en Verbeke vertellen heeft geen waarheidsgehalte en is het zelfs niet waard om weerlegd te worden. Bovendien speelt Sanctorum vals als hij de ontkenning van de maanlanding zomaar naast de ontkenning van de Holocaust plaatst. Het negationisme is een boosaardige, giftige complottheorie, aangezien het beweert dat over de hele wereld historici, journalisten en documentairemakers een kolossale leugen blijven verspreiden, en daarmee steeds suggereert dat ‘de joden’ deze leugen hebben bedacht om hun agressieve zionisme te legitimeren. Maar ook meer onschuldige complottheorieën hebben altijd iets boosaardigs, omdat ze een paranoïde wereldbeeld voeden waarin overheden, geheime organisaties en hun handlangers er bewust op uit zijn om ons systematisch om de tuin te leiden.

Naast de twee idioten voert Sanctorum ook nog twee ‘memorabele vrijdenkers’ op, ‘dwarsliggers’ die tegen de stroom in durfden denken en schrijven: Mark Grammens en Johan Anthierens. Als student las ik indertijd graag het tijdschrift De Nieuwe waarvan Grammens redacteur was; daarna verloor ik hem uit het oog. In een poging te begrijpen waarom Sanctorum zo naar hem opkijkt, las ik een van Grammens’ laatste artikelen. Het was even schrikken: volgens Grammens schaart onze Filip Dewinter zich terecht achter wereldleiders als Trump, Poetin en Orbàn. Tja, deze stoere mannen zijn natuurlijk de ideale pleitbezorgers van de vrije meningsuiting en verdedigers van onze westerse waarden tegen de oprukkende islam! Johan Anthierens vond ik destijds wel een sympathieke, recalcitrante figuur. Helaas legt Sanctorum mij niet uit waar Anthierens nu juist voor stond. Hij legt trouwens nooit iets uit. Hij slaagt er dan ook in om in een boek met de titel Politiek incorrect nog geen begin te maken van een analyse van wat politieke correctheid eigenlijk is. Hij fulmineert enkel, en gaat er dus van uit dat zijn lezers sowieso op zijn hand zijn, wat getuigt van een zekere minachting voor hen.

 

Leve de belediging

Sanctorum zou maar wat graag zijn duit in het zakje van de ‘opiniecriminaliteit’ doen. In zijn column voor Doorbraak over stervoetballer Lukaku ligt dit er wel heel dik op. Hiermee kwam hij in een mediastormpje terecht dat de hoofdredacteur ertoe noopte de column van de website te verwijderen. In Politiek incorrect drukt Sanctorum nog eens zijn tevredenheid uit over de provocerende titel: ‘Mensaap Lukaku neemt strafschop (en scoort)’… Zijn stelling is duidelijk: ‘Spreekkoren, gefluit en gescheld’, alsook met flessen en brandbommen gooien, horen nu eenmaal bij voetbal. Al dit wangedrag, stelt hij, is nu eenmaal ‘een verlengstuk van het geweld dat de sport zelf uitstraalt’. Zou het niet kunnen dat sport, met zijn strenge regels voor voetballers én publiek, nu juist een sublimatie is van agressiviteit en dus reële agressie overbodig maakt? Maar het ‘provocerende’ punt dat Sanctorum hier in alle ernst wil maken is vooral dat het gooien van bananen naar een zwarte speler, dat de oerwoudgeluiden en kreten zoals ‘aap, keer terug naar Afrika’ waar de harde supporterskern van de Sardinese club Cagliari zich aan te buiten ging, niet racistisch zijn, ‘maar door het spel zelf geïnspireerde volkshumor’… Zoals vaak in retorische wendingen is dit ‘maar’ misleidend. Het gaat hier uiteraard om racistische slogans waarbij de ‘humor’, zoals vaak, als alibi dient voor onvervalst racisme. Sanctorum schrijft: ‘Voetbal fungeert als een uitlaatklep voor mensen aan de onderkant van de samenleving die het met de veelbelovende politiek hebben gehad. Hier mag en moet dus gescholden worden.’ Dat ‘mag’ is al zeer twijfelachtig. Ik denk ook niet dat racistische uitlatingen juridisch vervolgd moeten worden, wel dat bijvoorbeeld in dit geval politici en sportorganisaties de morele plicht hebben sportclubs desgevallend op de vingers te tikken. Dit ‘moet’ is er uiteraard te veel aan. Dat voetbal zou dienen om zich lustig aan racisme te buiten te gaan, is helemaal krankjorum. Alsof het nog niet erg genoeg is dat sommige minder bedeelden onder ons de rancune die ze tegenover de politieke klasse voelen richten tegen hun andersgekleurde medemens, Sanctorum vindt dat dit ook nog eens moet worden gestimuleerd.

Vanaf wanneer is er volgens Sanctorum eigenlijk sprake van racisme? Wanneer je ertoe oproept om zwarten te lynchen? Misschien zal hij dan beweren dat dit in de lijn ligt van oeroude offerrituelen die je het volk niet mag afnemen.

Sanctorum vindt de verontwaardiging over bananen en oerwoudgeluiden ook nog eens discriminerend omdat volgens de ‘progressieve elite’ bij het theater van Jan Fabre wel alles moet kunnen, ‘het goorste eerst’. Bij mijn weten beschimpt Fabre in zijn stukken geen bevolkingsgroepen. Het is veelzeggend dat Sanctorum enerzijds Fabre nogal verwijtend een ‘sacralisering en esthetisering van geweld’ en ‘sadistische symboliek’ in de schoenen schuift, en anderzijds racistische voetbalhooligans goedpraat. In verbaal geweld tegen de donkerkleurige medemens ziet Sanctorum geen probleem, maar voor de hypergestileerde wijze waarop Fabre de wreedheid aan de orde brengt die in ons allen huist, trekt hij zijn neus op.

Sanctorum schrijft: ‘De supporter wil waar voor zijn geld en eist het recht op belediging op.’ Het ligt voor de hand dat er niet telkens wanneer iemand wordt beledigd de politie, rechter of tuchtcommissie eraan te pas moet komen. Maar dat betekent natuurlijk helemaal niet dat beledigen goed is. Zoals nogal wat politiek correcten alles wat ze moreel verwerpelijk vinden ook meteen bestraft willen zien, doet Sanctorum niet liever dan het moreel verwerpelijke aanprijzen. Ter ondersteuning van zijn ‘recht op belediging’ tovert hij een taalfilosofietje van rousseauaanse snit uit zijn hoed: ‘Vloeken, schelden, krachttermen worden beschouwd als te mijden randfenomenen van de taal, terwijl het in werkelijkheid over de kern gaat, de mate waarin de taal zich van elke beteugeling ontdoet.’ Als dit zo zou zijn, wat ten zeerste te betwijfelen valt, dan zou je denken: het is goed dat die beteugeling er is, want beledigingen zijn een vorm van agressie, en agressie lokt agressie uit en dat is een straatje zonder einde. Maar neen: van de vitale essentie van de taal gaat volgens Sanctorum een imperatief uit: ‘Er moet dus niet minder maar meer gescholden worden.’ Beledigingen getuigen van authenticiteit, want ze zijn ‘wars van elke hypocrisie’. Sanctorum roemt dan ook de cultuur van de belediging op sociale media, schuift Hoeyberghs naar voren als een na te volgen voorbeeld: parler vrai! Misschien moeten De Standaard en Knack enkele columnisten aanwerven die elke week eens goed mensen en groepen beledigen? Het is symptomatisch dat Sanctorum, een gepassioneerd verdediger van de westerse beschaving tegen het gevaar van de islam, er domweg voor pleit om een van de basisprincipes van élke beschaving af te breken, namelijk dat je mensen niet lukraak beledigt gewoon omdat je daar zin in hebt.

Ik ben dus conservatiever dan Sanctorum. Ik pleit voor fatsoen. Je kunt harde kritiek hebben op de cultuur of de religie van anderen zonder daarom die anderen te identificeren met hoe jij die cultuur ziet. Dit laatste is trouwens ook wat veel politiek correcten niet kunnen laten: ze beschouwen bijvoorbeeld bepaalde mensen als ‘witte, heteroseksuele mannen’ en dit is dan een identiteit waaraan a priori bepaalde kenmerken verbonden zijn. Ze lijken te weten wat dat is, een ‘witte, heteroseksuele man’, en vooral wat er mis mee is.

Maar opgelet. Sanctorum is ook bekommerd om het lot van de beledigde. Beledigingen zijn niet alleen een gezonde therapie voor de belediger, maar ook voor de beledigde, tenminste als hij op de juiste manier met de belediging weet om te gaan. ‘De kunst om beledigingen te incasseren’, stelt Sanctorum, ‘is een sleutelgegeven in de identiteitsvorming van een individu of een groep of een gemeenschap’. En die kunst bestaat er vooral in om vooral niet kleinzerig te doen, maar om je daarentegen te identificeren met datgene waar de belediger je toe verlaagt. Sanctorum geeft dan ook allochtonen de raad om zichzelf ‘makak’ te noemen en zo dit scheldwoord om te vormen tot een ‘geuzennaam’. Misschien had de Joden onder het nazisme zichzelf Judenschwein moeten noemen, en als zwijn uitgedost in een carnavalsstoet moeten rondlopen? Dat zou zeer grappig geweest zijn, vooral de reactie van de nazi’s.

De niet zo goede publiciteit die de islam de laatste twee decennia in de pers krijgt, heeft inderdaad bijgedragen tot de ‘identiteitsvorming’ van moslims: ze plooien zich nog meer op hun moslim-zijn terug, ze staan meer dan ooit op hun moslim-zijn, zoals het antisemitisme van de nazi’s miljoenen joden, die al bijna vergeten waren dat ze jood waren, opnieuw in hun jood-zijn heeft geduwd. Dit is een perverse, gekmakende logica: mensen steeds meer in de hoek van hun ‘identiteit’ drijven en hun vervolgens aanwrijven dat ze zich niet integreren.

Sanctorums visie op de belediging is merkwaardig. De belediging is de vitale, zeg maar beestachtige kern van de taal, maar anderzijds bestaan beledigingen eigenlijk niet, althans niet voor de belediger. Het gaat erom of de beledigde iets als een belediging interpreteert: ‘het probleem zit hem bij de ontvanger, niet bij de afzender.’ Wanneer dus iemand een zwarte uitmaakt voor ‘vuile neger’, en de zwarte reageert geïrriteerd of gekwetst, dan is dat flauw van die zwarte. Ongewild legt Sanctorum hiermee bloot hoe vuil de truc van de belediger is: doen alsof je je van geen kwaad bewust bent – het is de beledigde die er kwaad in ziet. Het ontkennen van de belediging behoort tot de boosaardige essentie van de belediging: ‘Ha, kijk nou eens, hij voelt zich beledigd, hoe zou dat komen? Blijkbaar acht hij mijn scheldwoord toch op hem van toepassing!’ Het is zoals met de Cagliari-supporters: je roept ‘Mensaap, ga terug naar Afrika’, en lacht de beledigde uit als hij denkt dat dit racistisch bedoeld was.

Dit is de gewiekste strategie achter de titel ‘Mensaap Lukaku neemt strafschop’. Sanctorum brengt tot zijn verdediging in dat we allemaal mensapen zijn. Hij geeft dus toe dat dit ‘mensaap’ niets toevoegt en beter was weggelaten. Dit zou natuurlijk een compleet nietszeggende titel opgeleverd hebben: ‘Lukaku neemt strafschop’. De enige zin van dat ‘mensaap’ bestaat er dus in dat de lezer dit woord racistisch zou opvatten, zodat hij hier heimelijk van zou genieten ofwel ‘geprovoceerd’ zou zijn, om dan van Sanctorum te horen dat hij het verkeerd heeft begrepen, want ‘mensaap’ slaat toch op iedereen? Zo heeft de racist zijn pleziertje gehad terwijl er zogezegd van racisme geen sprake is. En de verontwaardigde wordt erop gewezen hoe hysterisch ‘politiek correct’ zijn antiracisme is.

Omdat Sanctorum er tot over zijn oren in zit, heeft hij geen oog voor deze perverse strategie. Beledigen is voor hem een spontane, onschuldige uiting van de ‘wildeman’ in ons. Het komt niet bij hem op dat het verlangen om te beledigen zou kunnen voortkomen uit rancune, afgunst, verdrongen gevoelens van schuld en minderwaardigheid. Beledigen is geen teken van eerlijkheid, maar wijst in de regel op zelfbedrog. Valt het bij wie scheldt niet vaak erg op dat hij gewoon op iemand zijn eigen fouten projecteert? Denk aan de man die zijn vrouw voor hoer uitscheldt terwijl hij zelf vreemdgaat, of aan die ex-president die de pers uitscheldt omdat ze fake news produceert terwijl hij jarenlang zelf bakken fake news de wereld instuurt, of het soort mensen dat moslims verwijt de waarden van de Verlichting niet te respecteren en als eerste bereid is om die waarden opzij te zetten…

Sanctorums sneer naar de ‘beroepsallochtone’ Dalilla Hermans is in dezen dan ook veelzeggend. Door de onvervalst racistische berichten die zij jarenlang over zich heen kreeg is zij een ervaringsdeskundige als het over beledigingen gaat. Moegetergd kreeg zij de lucide ingeving om haar aanvallers droogweg te vragen wat hen bezielde. Zoals verwacht bleken deze lui geen ‘gezonde’, ‘spontane’ kerels, maar eerder geremde zielenpoten die veel liefde tekortkwamen en enkel op grote afstand en bij voorkeur anoniem het lef hadden iemand louter vanwege haar huidskleur de huid vol te schelden.

In de lijn van zijn spontaniteitsfilosofie van de belediging ligt Sanctorums even simplistische visie op het excuus. Excuses zijn voor hem even vals en hypocriet als beledigingen authentiek zijn. Hij heeft het vooral over het fenomeen dat staten zich excuseren voor misdaden uit het verleden, zoals bijvoorbeeld de Australische regering haar verontschuldigingen aanbood aan de Aboriginals voor de moordpartijen door kolonisten begaan in de 18e en 19e eeuw. Volgens Sanctorum wil men hiermee ‘die donkere bladzijden uit het collectieve geheugen doen verdwijnen’. Het is natuurlijk juist omgekeerd: hiermee worden deze bladzijden definitief in het collectieve geheugen gegrift. Het heeft iets bevrijdends om een pijnlijk publiek geheim officieel te durven erkennen. Maar voor Sanctorum is sorry hoe dan ook ‘een dom woord, het uitspreken is gemakkelijk en het betekent werkelijk niets’. Het betekende dus niets toen Willy Brandt in 1970 als eerste Duitser in het voormalige getto van Warschau vergiffenis vroeg aan de joden. Blijkbaar is zich excuseren toch niet gemakkelijk en vergt het enige morele moed, anders zou Japan zich al lang geëxcuseerd hebben tegenover China, Turkije tegenover de Armeniërs, Amerika tegenover Viëtnam, enzovoort. In de Duitse media is de Holocaust alomtegenwoordig. Duitsland is bezaaid met musea en monumenten die eraan gewijd zijn. Het contrast met bijvoorbeeld het Turkije van Erdogan kan niet groter zijn. Daar word je in de gevangenis gegooid als je de genocide op de Armeniërs ter sprake brengt. Blijkbaar vindt Sanctorum de houding van Erdogan gezonder. Typisch voor nationalisten is dat ze trots zijn op de grote triomfen en verwezenlijkingen van hun volk uit een ver verleden waaraan ze geen enkele verdienste hebben, maar dat ze de misdaden door hun volk begaan van zich afschuiven. Het gevolg is dat ze hun schuld, verscholen onder hun opgeklopte nationale trots, met zich meedragen als een smerig geheim. Maar Sanctorums visie is helder en zijn geweten schoon: ‘De excuuscultuur is een uitwas van de politieke correctheid die taal herleidt tot een verzameling charades en beleefdheidsformules.’ Die sukkel van een Brandt toch! Zijn knieval in Warschau was niet meer dan een ongelukkige vlaag van politieke correctheid. Brandt als ‘cultuurmarxist’ avant la lettre? Om de absurde filosofische consequenties van zijn visie op belediging en excuus niet te hoeven zien kiest Sanctorum een braaf voorbeeld: de Aalsterse carnavalisten die zich weigeren te excuseren voor hun Joodse karikaturen.

Wellicht is Sanctorums afkeer van excuus verbonden met zijn antichristelijke, vulgair-Nietzscheaanse voorkeur voor een soort heidens barbarendom waarin schuld bekennen en om vergeving vragen tekenen van zwakte zijn. Jacques Derrida wees er in de jaren negentig op dat de opeenvolgende officiële schuldbekentenissen van regeringsleiders wijzen op de globalisering van een schuldbewustzijn dat in wezen christelijk is van signatuur zonder zich nog op een kerkelijk geloof te beroepen. Het ziet er naar uit dat dit proces van sluipende verchristelijking van onze globe ondertussen tot staan is gebracht. Grootmachten als Rusland en China denken er niet aan hun kolossale misdaden uit het verleden, ook en vooral bedreven tegen het eigen volk, nederig op te biechten, om de eenvoudige reden dat ze die misdaden met steeds grotere arrogantie blijven begaan. Wanneer zij daar vanuit Europa op halfslachtige wijze op worden gewezen, wordt dit afgedaan als eurocentrische arrogantie.

 

Aalst, stad van mijn dromen

De vraag is natuurlijk of Sanctorum serieus genomen wil worden. Dat is een serieuze vraag. Eigenlijk bevindt de lezer zich structureel op de positie van de beledigde. Wanneer je Sanctorum serieus neemt, maak je je een beetje belachelijk. Je had moeten weten dat het slechts een grap was om je ‘uit [je] tent te lokken’, of een stilistische overdrijving, een ‘hyperbool’. Schuif je zijn discours van je af als gewoon niet serieus, dan ‘censureer’ je hem, dan blijf je comfortabel in je ‘pensée unique’ zitten. Ik denk dat je Sanctorum heel serieus moet nemen. Dat is ook niet moeilijk, aangezien hij zelden grappig is. Het valt namelijk te veel op dat hij de pose aanneemt van de nar. Het ligt er te dik op dat humor voor hem een tactiek is om stoute dingen te kunnen zeggen.

De grap is een van Sanctorums favoriete thema’s. Hij houdt ervan dat grappen taboes doorbreken en presenteert zich daarom als een vurig fan van het Aalsterse carnaval, dat hij beschouwt als ‘taboe-overschrijdend satirisch volkstheater’ en een uiting van ‘identitaire weerbarstigheid’ tegen de ‘multiculturele gelijkschakelingsideologie’. Uiteraard springt Sanctorum in de bres voor de carnavalsgroep de Vismooil’n die met hun Joodse haakneuzen en pijpenkrullen tot in Israël en de VS grote verontwaardiging wekten en die, nadat het Aalsterse carnaval hierdoor uiteindelijk uit de Unesco was gegooid, het jaar daarop trots hun act nog eens overdeden in een nog meer aangebrande versie. Sanctorum is fan van de Vismooil’n omdat ze de eigenheid van ‘de Aalstenaar’ bevestigen tegenover de globalisering die alle particuliere cultuuruitingen afvlakt. De vraag is dan natuurlijk waarom je je particulariteit zo nodig moet laten blijken door van andere identiteiten een groteske karikatuur te maken. Als het om Joden gaat is dat natuurlijk extradelicaat. De geldkoffers en de goudstaven waren misschien nog lomper dan de haakneuzen. En wat is er zo ‘particulier’ aan een act waarin je voor de honderdduizendste keer het eeuwenoude cliché opwarmt over de Jood als onverbeterlijke vrek? Wat is er subversief aan om mee te huilen met de wolven in het bos? Wat is er trouwens überhaupt subversief aan carnaval? Zich beroepend op Freuds essay over de Witz, zegt Sanctorum dat de grap ‘een overtreding is van de censuur en de fatsoensmoraal’. Hij vergeet erbij te zeggen dat volgens Freud de grap de censuur enkel heel even omzeilt om haar intact te laten. De grap zorgt er dus voor dat de censuur gehandhaafd blijft, dat mensen fatsoenlijk blijven. Er is humor omdat er bij de grapjas én de lachers schaamte bestaat ten aanzien van wat de grap openbaart. Wat zich in de grap even openbaart kun je dan ook niet in alle ernst tot een waarde of een principe verheffen. In de grap getuig je van je primitieve gehechtheid aan iets waarover je niet wenst te onderhandelen of te discussiëren. Daarom hebben de Vismooil’n ook helemaal geen zin en zijn ze sowieso niet in staat om over hun tot een hele praalwagen uitvergrote Jodenmop uitleg te verschaffen.

Sanctorum stelt volledig terecht dat, in tegenstelling met wat de politiek correcten zouden willen, echte diversiteit niet bestaat in de evidente, gladde erkenning van elkaars andersheid, maar onverenigbaarheid impliceert. In de manier waarop bepaalde bevolkingsgroepen feesten, grappen maken en in het algemeen ‘uit de bol gaan’ is er vaak iets dat voor andere groepen moeilijk of niet te slikken is, en dat sowieso botst met de – noodzakelijke – Leitkultur van fatsoen, respect, gelijkwaardigheid. Maar dat onslikbare moet niet, zoals Sanctorum zou willen, worden verheven tot een teken van ‘identitaire weerbarstigheid’, en de Aalsterse exit uit de Unesco is geen ‘interessant model om onze gekoesterde wensen tot soevereiniteit in een verhaal te gieten’. Welk ‘verhaal’ zouden we daaruit moeten destilleren? Dat is het laatste wat de Aalsterse carnavalisten willen doen. Ze zijn gewoon zoals iedereen: ze hechten aan hun onzin, aan een vorm van normoverschrijding die voor hen enkel waarde heeft voor zover die hun maar enkele dagen per jaar gegund is en voor henzelf nooit op zijn beurt tot een norm kan worden. Met zijn masker op is de carnavalist eerst en vooral onverenigbaar met zichzelf, met de brave burger die hij het hele jaar is en wil zijn. ‘Identiteit’ impliceert die interne, onophefbare gespletenheid tussen een officieel beleden en ook gemeend respect voor ‘waarden en normen’ en een hardnekkige, idiote gehechtheid aan particuliere genotsvormen die niet zelden doordrongen zijn van masochistische en sadistische fantasieën en waarvan uiteraard geen politieke correctheid kan worden verwacht.

De anti-establishment-attitude van de carnavalist is heerlijk verstoken van elke verantwoordelijkheidszin, want het is een vrolijkere, minder rancuneuze versie van het eindeloze gefoeter op ‘de politiek’ in volkscafés en op de sociale media. Maar Sanctorum lijkt de politiek vrijblijvende anti-establishment-attitude van de Aalsterse carnavalist te willen opwaarderen tot een doodserieuze identitaire zelfponering. Dan krijgt de rebel-voor-een-week revolutionaire pretenties aangemeten, dan wordt de tot theater gesublimeerde rancune plotseling realiteit, en dan krijgen we types als de ondertussen wereldberoemde Jake Angeli, de halfnaakte ‘viking’ met bontmuts en buffelhoorns, die samen met andere heethoofden het Capitool in Washington binnendrong. Maar ze kunnen er ook, zoals Dries Van Langenhove, uitzien als propere managers of communicatiedeskundigen in maatpak, en doodgemoedereerd zeggen: ‘Wij willen het establishment tot de grond toe afbreken.’

Zou Sanctorum de Vismooi’len nu echt grappig vinden? Ik kan me slechts voorstellen dat hij al bij voorbaat geniet van de voorspelbare ergernis en voorspelbare verontwaardiging die in de links-liberale pers tentoongespreid zullen worden, waarbij hij hoopt dat de Vismooi’len zullen doen zoals hij zegt zélf te doen, namelijk zich het etiket racisme als een geuzennaam toe-eigenen. Een spectaculair voorbeeld van zo’n toe-eigening lijkt me de harde supporterskern van de Israëlische voetbalclub Beitar die graag met, ongetwijfeld humoristisch bedoelde, spandoeken zwaaien als ‘Dood aan de Arabieren’. Wanneer ze daarop in de pers worden aangesproken, scanderen ze de week daarop vrolijk: ‘Wij zijn de meest racistische voetbalclub van het land!’ Sanctorums eigen vorm van carnavaleske toe-eigening is zijn keuze voor het varken als zijn totemdier, het varken dat ons op de voorkaft van zijn boek toegrijnst. Zijn logica is simpel: onze eigen links-culturele elite en de francofone Belg beschouwen de Vlaming als een ‘rechtshangende barbaarse zak’? Goed zo, laat ons dat volledig assumeren: ‘We zijn “fascisten”, in de infrapolitieke zin.’

De associaties die Sanctorum met het Vlaamsche Varken verbindt zijn weinig verrassend: stout, ongemanierd, lomp, slijk, bier, mestgeur.., allemaal heerlijk authentiek. Het varken, als ‘icoon van politieke incorrectheid’, biedt alvast het voordeel dat joden en moslims er niet van houden. Daarmee zijn die twee groepen dan ook gewaarschuwd dat ze er in de toekomstige varkensstaat Vlaanderen niet echt bij zullen horen; misschien zullen ze wel gedoogd worden? Zo uitdagend en moedig is Sanctorums identificatie met het varken trouwens niet. Ten eerste vraag je je af wie al die mensen dan wel zijn die ‘de Vlaming’ stigmatiseren tot een ‘fascistisch varken’. Ten tweede is het nogal gemakkelijk je voor te doen als een underdog, of beter underpig, als je tot de totaal onbedreigde meerderheid behoort.

Is de varkenssmoel die Sanctorum naar ons trekt meer dan een flauwe grap van de ‘kantinefilosoof’ die hij zichzelf noemt? De foto op de achterflap stelt ons gerust. Hij toont ons de minzaam glimlachende man ‘achter’ het varken. Hier hebben we een keurige West-Vlaamse intellectueel die ons een beetje plaagt met zijn ondeugend varkensconcept. Je ziet deze man nog niet zo gauw het varken uithangen. Dat laat hij liever over aan de Aalstenaars. Maar dat is nu net zo bedrieglijk. Van carnavalisten valt helemaal niets te vrezen. Ze hangen enkele dagen per jaar het varken uit om voor de rest van het jaar nette burgers te kunnen zijn. Deze minzaam glimlachende man, daarentegen, meent het. Hij vindt serieus dat we met zijn allen veel meer het varken in ons aan het woord zouden moeten laten. Hiermee zouden we eindelijk zonder complexen trouw zijn aan onze ware identiteit van ‘slijkvlaming’, zodat we die identiteit vervolgens politiek zouden verzilveren in de autonome varkensstaat Vlaanderen. Terwijl carnavalisten enkel iets naar boven kunnen laten komen in de vorm van een grotesk vertoon waarmee ze ook altijd zichzelf te kijk zetten, vindt Sanctorum dat zij iets aanboren dat we serieus zouden moeten nemen. Dus niet met dat groteske varken op de voorflap is er iets mis, maar met de bedaarde, vertrouwenwekkende man op de achterflap: deze verheft het varken doodserieus tot een principe van authenticiteit, tevens een principe van immunisering tegen het volksvreemde, dat erom vraagt politiek-ideologisch ingezet te worden. Voor deze – uiteraard anti-intellectuele – intellectueel gaat er van de Aalsterse lolbroekerij een imperatief uit, namelijk om nu eindelijk eens in alle ernst werk te maken van onze ‘identiteit’. Sanctorum stelt dan ook dat Aalst het recht heeft ‘zijn eigen waarden op eigen bodem te beleven’, zoals Israël zijn ‘rabiaat, monocultureel nationalisme’. ‘Waarden’?

Ik zie Sanctorum al grijnzen, maar als ik hem lees moet ik steeds denken aan de volgende uitspraak van de Franse schrijver-collaborateur Robert Brasillach: ‘Voor ons was het fascisme een geestesgesteldheid, in de eerste plaats een non-conformistische, anti-burgerlijke geestesgesteldheid waarbij de oneerbiedigheid een belangrijke rol speelde.’ Voor Brasillach was het fascisme dus, om Sanctorums term te gebruiken, een ‘infrapolitieke’ attitude. Hannah Arendt heeft deze attitude helder uit de doeken gedaan in haar studie over het totalitarisme. Ook wanneer de nazi’s al stevig in het zadel zaten, bleven ze op ‘antiburgerlijke’, ‘infrapolitieke’ wijze aan politiek doen. Ze braken systematisch alle overheidsinstellingen af of holden ze uit ten gunste van ‘de Beweging’.

 

Eigen DNA eerst

Dat het Sanctorum menens is laat hij zien wanneer hij in het verlengde van zijn stukje over Lukaku een heuse rassentheorie uit zijn mouw schudt. Kort samengevat: de Oost-Afrikanen zijn vaak geweldige hardlopers omdat ze afstammen van veedieven die heel hard moesten wegrennen met hun buit. Daarom heeft de voetbalwereld hen omarmd: hun gebrek aan tactische intelligentie compenseren deze ‘savannecriminelen’ door domweg snel en behendig met de bal het doel in te lopen. De blanken daarentegen zijn van oudsher landbouwers en marktkramers die anderen te slim af moeten zijn en hierdoor ‘een sterk ontwikkelde cortex’ hebben ontwikkeld. We moeten hier volgens Sanctorum niet moeilijk over doen. Er bestaan gewoon ‘verschillende mensensoorten, […] en het heeft niks met cultuur te maken maar gewoon met biologie.’ En dus is er ook aan de behoefte van die soorten om hun eigenheid te behouden in wezen niets cultureels: ze zijn gewoon biologisch zo geprogrammeerd, en hierbij hoort dat ze zich immuniseren tegen vreemde indringers, hen uitsluiten, buitengooien en alles wat daarbij hoort. Immers: elke ecoloog weet toch dat vermenging van rassen leidt tot een ongezonde monocultuur? Het is dus simpelweg een kwestie van overleven.

Sanctorums biologisch reductionisme blijkt ook uit zijn volkomen onkritisch gebruik van de modieuze ‘DNA’-metafoor. Individuen maar ook bedrijven en organisaties pakken tegenwoordig graag uit met hun ‘DNA’. Die metafoor wijst op wat hen uniek maakt, op iets wat nu eenmaal de onvervreemdbare kern van hun identiteit uitmaakt en waar dan ook niets aan te veranderen valt. DNA is in die zin een metafoor die zijn metaforiciteit opheft omdat hij refereert aan iets dat absoluut echt is. Zeker in het licht van zijn rassentheorie mogen we Sanctorum ernstig nemen als hij spreekt over het ‘identitair DNA’ van Aalst, wanneer hij in een column in Doorbraak beweert dat het in het DNA zit van de islam om haat te prediken tegen onze waarden, en als hij beweert dat ook hijzelf – hoe kan het anders? – ‘vanuit het DNA voorbestemd is tot de status van Slijkvlaming’, tot dat varken dat nu enkel nog moet leren zich niet langer over zijn varkensnatuur te schamen. Dit houdt in dat de Vlaming die zijn schouders ophaalt voor dit slijkvlamingschap eigenlijk tegennatuurlijk bezig is. Hij is wellicht geïnfecteerd door ‘oikofobie’, je weet wel, die raadselachtige haat tegen de eigen identiteit, een smerige aandoening die opzettelijk wordt verspreid door ‘cultuurmarxisten’.

Het is kennelijk nooit bij Sanctorum, die in een ver verleden een filosofiediploma haalde, opgekomen dat wat Europa misschien heeft grootgemaakt juist een zeker wantrouwen is tegen de fetisjistische cultus van de oikos, en dat dit openbreken van de grenzen van het eigene in de richting van een universalistisch idee, iets totaal anders is dan de onhoudbare politiek correcte idee dat alle particulariteiten gelijkwaardig zijn en dus a priori evenveel recht hebben op ons respect.

‘Zou het kunnen dat heel ons actuele geëmmer over racisme maar een neurotische verdringing is om die stem van de wilde in ons niet te moeten horen? Klinkt er nog een nostalgische zucht naar eigenheid?’ – Dit soort anarchistisch keukenfilosofie krijg je dus wanneer een kantinefilosoof met Freud en Darwin aan de haal gaat: ‘in de grond’ zijn we allen wilden die driftig hun DNA-identiteit zouden willen uitleven, en daarbij hoort natuurlijk racisme, namelijk ‘een immuniteitskring’ creëren ‘die permanent indringers afweert’ of, als het kwaad al is geschied, hen eruit gooit. Maar men heeft ons zo nodig willen beschaven, zodat we terugschrikken voor onze gezonde wildheid en die zelfs verdringen, zodat we geremde, neurotische sukkels zijn geworden die niet meer de moed hebben om ons DNA zuiver te houden (en een carnavalsmasker nodig hebben om nog eens de wilde in ons te mogen loslaten). En al dat linkse gezeur over racisme ligt in het verlengde van die jammerlijke beschavingsmissie die ons een slecht geweten wil bezorgen over ons racisme, terwijl dat racisme nochtans levensnoodzakelijk is; het hoort wezenlijk tot onze natuurlijke, primitieve gehechtheid aan wat ons eigen is, aan ons varkens-DNA zeg maar. Zo bekeken verwijt Sanctorum links dat het, net als de wijze Freud trouwens, kiest voor de – onvermijdelijk neurotiserende – beschaving. Wat hem uiteraard niet belet om moslims aan te wrijven dat ze de rechtstaat niet respecteren…

‘Klinkt er nog een nostalgische zucht naar eigenheid, in een mondiaal systeem dat iedereen dwingt mee te dansen in de waanzin [van de globalisering]’. Vreemde vraag. Hoort hij, die ooit tekstschrijver was voor het Vlaams Blok, dan niet dat die zucht naar eigenheid sinds lang overal klinkt? Misschien wil hij niet weten hoe onfris dat gezucht klinkt, hoe verbeten, vol ressentiment tegen al de vermeende (linkse, globalistische, pro-Europese, ‘cultuurmarxistische’, ‘elitair-progressieve’, ‘islamofascistische’…) vijanden van die eigenheid. Sanctorum reflecteert liever niet over de aard van die nostalgie die de zijne is. Liever romantiseert hij het premoderne, ‘onschuldige’ racisme van kleine gemeenschappen die op volkomen vanzelfsprekende manier, zonder spoor van een ‘neurotisch’ slecht geweten, aan hun oereigen way of life gehecht zijn. Daarom is hij een fan van de Sentilezen, een eilandvolkje van jagers-verzamelaars dat elke bezoeker die komt aanvaren meteen met pijlen begroet, en ook van de Sioux-Indianen, vanwege hun ‘sterk territoriaal’ en ‘identitair rechts’ bewustzijn. Natuurlijk weet Sanctorum dat dit beeld van een niet door de globalisering aangetaste gemeenschap slechts een krachteloos Asterix-fantasietje is. In de twintigste eeuw zijn alle planeetbewoners door de globalisering van het kapitalisme steeds meer op elkaar beginnen gelijken en is er dus van eigenheid steeds minder sprake. Er zijn nauwelijks nog culturen die niet het westerse consumentisme en het bijbehorende hedonisme hebben omarmd. Black Friday en Temptation Island, stelt Sanctorum terecht, zijn overal. Maar hij weigert stil te staan bij de grondige transformatie die het racisme hierdoor heeft ondergaan. Schematisch gesteld: in tegenstelling met de ‘spontane’ xenofobie die er altijd tussen bevolkingsgroepen is geweest, wordt het racisme sinds de tweede helft van de negentiende eeuw, vooral in tijden van crisis, met behulp van de massamedia door nationale staten of regio’s op grote schaal georkestreerd en opgezweept. Vandaar het fenomeen van de moderne racistische volksmenners. Aangezien de verschillen met de ander grondig afgevlakt zijn, vergroten zij enerzijds kleine verschillen tussen groepen karikaturaal uit, en legitimeren anderzijds hun racisme met pseudowetenschappelijke, biologistische theorieën. Deze theorieën zijn er om de identiteit van de ander vast te verankeren in een onbetwijfelbare, biologische realiteit. Ook van de eigen identiteit wordt er, juist omdat er nog zo weinig van rest, een groteske, kitscherige karikatuur gemaakt. Bij gebrek aan substantiële eigenheid richt men zich bij voorkeur op de vijanden van die eigenheid. Vandaar die paranoïde obsessie voor zowel boosaardige externe, ‘volksvreemde’ elementen (joden, moslims…) als interne elementen (‘linkse ratten’, ‘kosmopolitische liberalen’, ‘ontwortelde intellectuelen’, ‘volksvreemde artiesten’…) die er een pervers genoegen in scheppen elke zin voor eigenheid verdacht te maken. De logica is dus: ‘Vlaming-zijn, weet ik veel wat dat inhoudt, maar als ik een jood met een lange neus of een gesluierde moslima zie, of wanneer ik hoor met wat voor ziekelijks die moderne artiesten bezig zijn, dan weet ik alvast wat ik niet ben.’ Aangezien de identiteitsbeleving gebeurt vanuit de wrok tegen anderen die haar zogezegd willen ondergraven, is die per definitie eeuwig onbevredigend en (zelf)destructief.

Zijn geflirt met de biologie maakt Sanctorum er blind voor dat de mens ten gronde een symbolisch dier is, en dat hij hierdoor in staat is tot een wreedheid die de dierlijke drang tot zelfbehoud te buiten gaat. Doordat het woord ‘Jood’ bestaat kan iemand het in zijn hoofd krijgen dat het voor zijn voortbestaan noodzakelijk is dat iedereen met dat label uit zijn huis wordt gejaagd en in beestenwagons afgevoerd. Het woord ‘neger’ kan bij iemand die nog nooit een zwarte heeft ontmoet, de meest duistere en exotische fantasieën doen opkomen. En om zichzelf ervan te verzekeren dat er aan gefantaseerde entiteiten zoals ‘Jood’ of ‘neger’ wel degelijk een realiteit beantwoordt, verzint zo iemand dan iets in de trant van een DNA. Deze naturalisering, deze kortsluiting tussen woord en natuur, die groepen mensen opsluit in een onwrikbare ‘identiteit’ met vaststaande kenmerken en hen daarmee herleidt tot dieren die blind een instinctueel programma volgen, is wezenlijk voor het moderne racisme.

We schrikken er niet van dat Sanctorum vindt dat de Black Lives Matter-beweging exclusief een zaak van zwarten moet blijven. Hij vindt het verwerpelijk dat linkse blanken hun solidariteit met zwarten uiten. Hiermee willen ze deze gezonde, ‘identitaire’ beweging inpassen in hun ‘totalitaire denksysteem’ (dit is zijn term voor een solidaire roep om rechtvaardigheid). Sanctorum wil dus BLM het liefst tot een rassenkwestie herleid zien, zoals trouwens ook progressief Amerika dat al te veel doet. Dit speelt natuurlijk perfect in de kaart van de bedrijfswereld, waarvoor de solidariteit tussen de zwarte minderheid en de blanke onderklasse een bedreiging inhoudt. Het ligt voor de hand dat de zwarten de steun van de blanke meerderheid nodig hebben voor een hervorming van het politieapparaat, betere toegang tot kwaliteitsvol onderwijs, betere huisvesting… Maar in dergelijke ‘betuttelende’ hervormingen van sociaaldemocratische snit kan Sanctorum slechts een ‘gemene’ vorm van machtsuitoefening zien.

 

De islam en de remedie ertegen

Wat Sanctorum over de islam te zeggen heeft overstijgt zoals verwacht niet de clichés die hierover vanuit (uiterst) rechts sinds enkele decennia gedebiteerd worden. ‘De islam’ wordt neergezet als een monolithisch en onwrikbaar blok dat, aangezien het niet voor verandering vatbaar is, per definitie ‘nooit mag worden opgenomen in het multiculturele amalgaam’. Het komt dan ook niet bij Sanctorum op een onderscheid te maken tussen de traditionele islam en zijn moderne, fundamentalistische variant, die eerder een paranoïde, antiwesterse rancuneleer is dan een positieve ideologie. En uiteraard: hij stelt het voor alsof elke moslim volledig door zijn moslim-zijn gedetermineerd zoals een mens door zijn DNA, of door een virus waarvan hij nooit meer afkomt.

Natuurlijk heeft Sanctorum op veel punten gelijk: het woord ‘islamofobie’ is, zoals ikzelf al tien jaar geleden analyseerde, een miskleun. Het blijft verbijsterend hoe het altijd zo anti-autoritaire links zich zo coulant opstelde tegenover de islam. Het is waar dat politiek correct links, altijd zo gevoelig voor alles wat naar ‘toxische mannelijkheid’ neigt, liever blind blijft voor de machocultuur die bij moslims eerder regel dan uitzondering is (Sanctorum werpt hier terecht de zaak op van het Franse meisje Mila.) Maar ook wanneer Sanctorum gelijk heeft, slaat hij de ruiten van zijn eigen gelijk in door absurde gevolgtrekkingen: de sharia-ideologie zou door links worden gepromoot. Ik beweeg me sinds jaar en dag binnen een links milieu en heb echt nog nooit iemand de sharia-ideologie horen promoten.

Wie vandaag aan islamkritiek wil doen, zou ik denken, kan niet anders dan wijzen op het systematische, laffe zwijgen van moslimlanden zoals Saoudi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Turkije, Indonesië, enzovoort, over de systematische opsluiting van ondertussen naar schatting een miljoen moslims in de Chinese provincie Xinjiang en over het radicale verbod op elke uiting van hun geloof. Wanneer ergens in het democratische Europa een plaatselijke krant een cartoon van Mohammed plaatst, kent de verontwaardiging van moslimleiders geen grenzen, met als gevolg dat opgestookte meutes ambassades bestormen, maar wanneer het totalitaire China een miljoen van hun geloofsgenoten opsluit, is de stilte nagenoeg totaal. Dit lijkt me een van de duidelijkste symptomen van de diepe morele crisis waarin de mondiale islam zich bevindt. Je zou denken dat een islamcriticus als Sanctorum hier meteen op zou springen. Maar Sanctorum is helemaal geen islamcriticus, hij wil slechts keer op keer zijn haat tegen de islam luchten. In vergelijking met wat hij over de kolossale misdaad tegen de Oeigoeren in enkele Doorbraak-teksten uit zijn mouw schudt, is zijn stukje over ‘mensaap Lukaku’ een onschuldige cafégrap. Hij spreekt nonchalant zijn sympathie uit voor de Chinese regering die zich niet laat hinderen ‘door scrupules rond bescherming van minderheden of multiculturaliteit’, en dan ook deze regio consequent ‘desinfecteert, meer bepaald de-islamiseert’. Sanctorum apprecieert het dat Peking ‘lessen trekt uit de mislukte aanpak in Europa’ en spreekt minachtend over de ‘VN-cenakels’ die hier vragen bij hebben – meer nog: hij ridiculiseert bij voorbaat ‘de liga’s voor de mensenrechten en Amnesty’ die zouden steigeren wanneer bij ons deze Chinese Endlösung van het islamvraagstuk ‘in de media zou gelanceerd worden’. Die naïeve Gutmenschen toch!

Sanctorum onderschrijft vurig het grondprincipe van Paul Cliteur: ‘Men mag de intolerantie niet tolereren.’ Dit is een zeer minimaal begrip van tolerantie dat welbeschouwd zichzelf opheft. Je mag dus enkel groepen tolereren die zelf tolerant zijn, dit wil zeggen die andere groepen aanvaarden zoals ze zijn. Maar waarvoor is tolerantie nodig als ze enkel geldt voor tolerante mensen, mensen die dus moeiteloos te tolereren zijn? Tolerantie was in oorsprong een oplossing voor de aanslepende godsdienstoorlogen. Katholieken en protestanten besloten uiteindelijk om elkaar te ‘tolereren’. Dit hield in geen geval in dat ze de opvattingen van de andere groep goedkeurden of zelfs maar aanvaardbaar vonden. Integendeel: de opvattingen van de andere groep werden nog steeds als ketters, als moreel intolerabel ervaren. Het tolerantieverdrag kwam er derhalve op neer dat je van de vijandige groep tolereert dat hij ideeën uitspreekt en verspreidt die voor de eigen groep intolerabel zijn. Tolerantie heeft dus enkel zin als het ook geldt voor wat je als intolerabel ervaart. Het is gemakkelijk om de geur van couscous die in je straat opstijgt te tolereren, iets anders is het om te tolereren dat mensen met allochtone achtergrond uiting geven aan hun sympathie voor een antidemocraat als Erdogan en zelfs voor de fascistische Grijze Wolven, of een islamitische theocratie verkiezen boven de democratie waarvan ze de voordelen genieten. Dat is nochtans echte tolerantie: ze geldt ook voor diegenen die intolerantie prediken en dus ook voor… Paul Cliteur zelf en diens merkwaardige vriend Thierry Baudet. Ook Sanctorum, die de Chinese oplossing van het islamvraagstuk best ziet zitten, heeft recht op onze tolerantie. Maar volgens Cliteur en hemzelf dus niet…

Je vraagt je af wat deze pleitbezorgers van de tolerantie op aansturen. Ik kan me slechts voorstellen dat ze een soort tijdelijke uitzonderingstoestand voor ogen hebben. De gedachte is dat de islam, eerder een ‘viraal verschijnsel’ (Sanctorum) dan een godsdienst, dermate funest is voor onze westers ‘DNA’ dat we eventjes de principes van onze tolerante rechtstaat opzij moeten schuiven om dan, na de pijnlijke maar noodzakelijk Grote Zuivering, opnieuw de rechtstaat in ere te herstellen, waarbij we er dan op hopen mogen dat we deze pijnlijke maar noodzakelijke onderneming, zoals Himmler ooit zei, ‘zonder geestelijk letsel’ zullen hebben volbracht…

 

Een authentieke drol

Wie het voorgaande heeft gelezen, zal niet meer verrast worden door Sanctorums visie op ‘kunst en cultuur’. Al in zijn inleiding klaagt hij dat Vlaanderen zich de laatste decennia weliswaar economisch heeft geëmancipeerd, ‘maar de culturele/intellectuele emancipatie en de opbloei van een rijk geestesleven (het ‘varken’ slaat hier wel een heel verheven toon aan!) zijn niet gevolgd’. Je vraagt je af waar Sanctorum de laatste halve eeuw vertoefd heeft, tot je begrijpt dat die ‘emancipatie’ en die ‘opbloei’ voor hem staat of valt met de groei van een Vlaams-nationaal bewustzijn. Hij klaagt dat je aan Vlaamse schrijvers en kunstenaars niets hebt als het erop aankomt een Vlaams, republikeins bewustzijn te stimuleren, alsof dat hun taak is (evenmin als het trouwens hun taak zou zijn om op te komen voor diversiteit en inclusiviteit). En omdat ze dat niet doen vormen ze een parasitaire, volksvreemde, subsidies slurpende elite… De hedendaagse kunstenaar is niet enkel overbodig maar zelfs schadelijk: hij presenteert ‘lelijkheid en horror als weg naar de mentale desintegratie van de toeschouwer’, vooral met de bedoeling hem van zijn Vlaamse kleibodem los te weken en hem te ‘kosmopolitiseren’.

Het blijft verbijsterend hoe een bepaald rechts, dat beweert in naam van het volk te spreken, erin slaagt om systematisch de kunstenaars, van wie de overgrote meerderheid het niet zo breed heeft, als de elite te bestempelen, en niet bijvoorbeeld de bankiers, de managers, de grote aandeelhouders of domweg de rijkste tien procent die evenveel bezit als de rest bij elkaar. Overigens lijkt ook politiek correct links te zijn vergeten waar de macht echt zit.

De ironie is dat Sanctorum, die zo neerkijkt op de mainstreammedia, in zijn tirade tegen de Vlaamse kunstwereld enkel kunstenaars op het oog heeft die geregeld in die media opduiken, overigens bijna altijd om redenen die niets met hun werk te maken hebben: Jan Fabre, Wim Delvoye, Arne Quinze en Koen Vanmechelen. Bovendien is wellicht enkel het werk van de eerste van artistiek belang. Deze kunstenaars opvoeren als representatief voor wat er in de kunstwereld gebeurt getuigt van kwade trouw. Als je dan ook nog eens beweert dat deze totaal verschillende figuren met elkaar een ‘cultuurmarxistische visie op kunst, als propaganda en volksverheffing’ delen, dan verraad je dat je er lak aan hebt om op wat dan ook een licht te werpen, maar enkel plat populistisch wil inspelen op de afkeer van je lezers voor een vorm van kunst waarvan zij nog minder weten dan jijzelf en waarvan ze ook niets willen weten.

Ironisch is ook dat wanneer, zoals Sanctorum wil, alle subsidies voor kunst zouden worden afgeschaft, zowat enkel deze door hem geminachte kunstenaars het zouden redden. En het is wel heel vreemd dat Sanctorum, die zich erover ergert dat moderne kunst zo nodig moet provoceren (wat trouwens bij de overgrote meerderheid van de kunstenaars helemaal niet zo is), lyrisch wordt over een foto van zijn lievelingskunstenares Sylvia Konior waarin ze poseert als de Maagd… met een drol op haar hoofd.

In een recent Doorbraak-stuk schrijft Sanctorum dat hij al te expliciete vormen van humor niet effectief vindt: ‘Persoonlijk geloof ik sterk in een onderkoelde, gemaskerde vorm van ironie die verscholen zit in quasi-ernstige teksten. De dubbele bodem dus, waarbij men zich gaandeweg afvraagt of het nu “serieus” bedoeld is of niet. Dat prikkelt de lezer en verwart de gedachtenpolitie.’ Dus niet meer: ‘het lijkt een flauwe grap, maar raakt eigenlijk iets heel serieus aan’, maar eerder: ‘het lijkt heel serieus, maar er is iets niet pluis, meent hij het nu of niet?’  Dit dubbele bodem-gedoe is een rookgordijn. Het is heel duidelijk wat Sanctorum denkt. Zijn ‘hyperbolen’, zijn stilistische overdrijvingen, zijn groteske veralgemeningen, de karikaturale stereotypes die hij van zijn tegenstanders maakt…, het dient hem allemaal als een dun laagje vernis om te verhullen, ook een beetje voor zichzelf, dat het hem domweg ernst is. Daarom verwart hij ons ook helemaal niet. Dat is ook niet nodig. Wij zijn geen ‘gedachtepolitie’. Wij tolereren héél veel.

Doorbraak Boeken, 2020
ISBN 9789492639509
214p.

Geplaatst op 26/04/2021

Tags: Islam, Jeff Hoeyberghs, Johan Sanctorum, Lukaku, Politiek, Politiek incorrect, racisme, Tolerantie, Vrije mening

Categorie: Recensies, Samenleving

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.