Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Ik geloof niet dat lezen iets mysterieus is, dat een boek – als we het ‘juist’ lezen – de ware, verborgen betekenis achter haar zinnen prijsgeeft. Zoals Samuel Delany schrijft in Silent Interviews: ‘Symbols,’ ‘hidden meanings,’ and ‘themes’ (…) quite probably, refer to things that don’t even exist’. Aan deze opvatting moet ik mezelf echter keer op keer herinneren wanneer ik Mira lees, de driedelige coming-of-age-novelle van Caroline Lamarche. In Mira’s wereld van metaforen en associaties is het lastig oriënteren, waardoor het moeilijker is het geruststellende idee te weerstaan dat – als ik maar goed genoeg oplet – dit boek zich voor me zal verduidelijken. Gretig duid ik zinnen aan die op me overkomen als sleutels tot de pointe. Zo legt Mira, in het eerste deel van de novelle, terloops uit hoe haar lichaam tijdens één van haar performances ‘moet lijken op dat van iemand die zonder te verzwakken tegen de stroom in zwemt en een langdurig genot put uit die weerstand’. Alles aan deze zin lijkt exemplarisch voor de weg die de protagoniste aflegt: van ‘mijn lichaam moet lijken’ (getuigend van een geïnternaliseerd bevel, waar Mira zich gaandeweg van probeert te bevrijden), tot het masochistische plezier in het genieten van een uitputtingsslag.
Odysseus met ‘een gaatje’, of een eigenzinnige Antigone?
Ondanks de verschillende vertakkingen in dit verhaal is de opzet helder: Mira zoekt naar het stoffelijke overschot van haar broer, net als haar ouders het slachtoffer van een aanhoudende, nabijgelegen oorlog. De oorlog, die op de achtergrond blijft doorwerken, introduceert een expliciete vorm van geweld die niet los kan worden gezien van de asymmetrische machtsdynamieken, klasseverhoudingen en mannelijke dominantie die Mira’s queeste voor een groot deel vormgeven. Onder haar zoektocht sluimert dan ook de dieperliggende noodzaak om onafhankelijk(er) te worden en ‘de draden van haar leven’ in eigen handen te nemen. Deze zoektocht is niet lineair en eenduidig, maar meanderend, met talloze doodlopende sporen. Mira’s coming-of-age is complex, en zo hoort het ook: ‘Mannen wachten je altijd op het eind van de simpelste parcoursen op, ze denken dat een gewone weg volstaat’, merkt Mira schamper op.
Van een havenstad in ‘De Barbierster’, langs een eiland in ‘Het Eiland’, tot een skioord in ‘De Aanstaande’, reist Mira in elk van de drie boekdelen verder om uiteindelijk (veranderd) terug te keren. Een Odysseus met ‘een gaatje’, een eigenzinnige Antigone? Het motto van de novelle – ‘Ik ben een vrouw die altijd verder gaat’ uit Nieuwe wintervertellingen van Karen Blixen – gaat voor Mira in ieder geval letterlijk op: de eerste twee boekdelen bouwen telkens op naar een relatieve stabiliteit, die ze prompt weer verlaat. Ook figuurlijk flirt Mira telkens met de grens, bijvoorbeeld in verregaande sadomasochistische spelletjes, die doorheen de novelle terugkomen met wisselende tegenspelers.
In eerste instantie wordt Mira neergezet als een eigenzinnige maar ‘gewillige vrouw’, die zichzelf als ‘bijna vormeloos’ omschrijft. Aan het begin van de novelle is ze werkzaam als hulpje van de Barbierster, een priesterlijke vrouw die ritueel de ogen van mannen verwijdert, als offers voor Ob – voluit ‘Observatorium’. Ob is een alwetend en androgyn wezen (‘wat overdag slechts een discrete gleuf is, glijdt ‘s nachts open. Een reusachtige telescoop richt zich op’), dat in ruil voor deze offers informatie over de oorlog verstrekt. Waarom Ob ogen wil, is ook voor Mira een raadsel. Enkel volgend ritueel is helder: de Barbierster vergaart de ogen en Mira brengt ze naar Ob, waar ze zich laat penetreren door een krukje tot ze het uitschreeuwt van genot. Vervolgens gaat er een luik open waarin ze de ogen deponeert, waarna Ob een telescoop opricht die een lichtstraal produceert waaruit de notabelen van de stad informatie over de oorlog ontcijferen.
Mira’s lichaam staat zo op een zeer tastbare manier in dienst van het voortbestaan van de stad. Het is een van vele scènes waarin Mira tot vehikel wordt gemaakt van de veiligheid, gemoedsrust of het comfort van personages die zich hoger op de sociaaleconomische ladder bevinden. Als reizende arbeidster (respectievelijk schoonmaakster, bakkersassistente en keukenhulp) is ze onderworpen aan verschillende baantjes voor kost en inwoon, en de vrijheden die ze zich kan permitteren zijn pijnlijk relatief aan haar werkomstandigheden. Zo geniet ze als bakkersassistente mateloos van ‘de vrijheid die hij me geeft om elke dag een nieuw brood te bedenken’.
Wedijveren met de zweep
Toch is Mira geen droeve allegorie over de onderwerping aan arbeid, geweld en mannelijke dominantie. Mira haalt oprechte voldoening uit haar werk bij de bakker, met wie ze een voorliefde voor het frivole deelt – zoals de kunstzinnige bouwwerken van gesponnen suiker die hij om haar kruis heen bakt. De dynamiek van dominantie en onderdanigheid wordt uiterst genuanceerd opgevoerd, in wisselende genderverhoudingen en met uiteenlopende connotaties. Zoals wanneer Mira de kapitein die haar broer vermoordde verleidt, en niet duidelijk is wie voor wie een gevaar vormt: ‘Ik duw mijn knie tegen zijn zij, ik bijt in zijn wang, zijn lip, ik ben een schurk, een mannelijk beest, ik druk mijn lichaam tegen het zijne, ik overweldig hem, ik domineer. Dragonder kreunt, ik grom, ik ronk, vervuld van woeste vreugde, zijn geslacht onder mij is glad als een geweerloop, en warm, klaar om te ontploffen.’ Mira blijkt te overheersen: enkele zinnen later vermoordt ze Dragonder koelbloedig.
Lamarche speelt meesterlijk met de stereotypes van een vrouwelijkheid die – historisch en actueel – maar al te vaak wordt weggezet als spiegel of projectiescherm voor mannelijke verlangens en eisen. Niet voor niets, merkt Isabelle Ost op, is de naam Mira afkomstig van het Latijnse mirari: ‘verwondering’, of: ‘met verwondering kijkend’. Mira is een spektakel, haar lichaam een schouwspel. Voor het hele dorp voert ze erotische voorstellingen op, waarbij ze zich laat penetreren met objecten of laat bekogelen met vruchten. Maar het verhaal buigt in voortdurende heen-en-weerbewegingen de richting van de blik. Door taferelen van onderwerping vanuit Mira’s vrolijke perspectief op te voeren, waarin zij zich gewillig laat bekijken en tegelijkertijd de situatie volledig overziet, theatraliseert Lamarche de misogyne logica. Mira zelf blijft volhardend onverschillig over de mogelijke implicaties van haar onderdanige, soms incestueuze verlangens. Haar nieuwsgierige, afstandelijke houding tegenover haar eigen onderwerping doet me denken aan een citaat uit het artikel ‘Bruises, Roses: Masochism and the Writing of Kathy Acker’ van literatuurwetenschapper Arthur Redding: ‘[Masochism] is more a working through the legacy of “failure” (…), an effort to see for oneself what lies on the far side of humiliation.’
Falen en vernedering zijn een gegenderde erfenis waaraan ook Mira niet ontkomt. Gretig wentelt Mira zich in de overgeleverde cliché’s van haar vrouwelijkheid, om voor zichzelf uit te zoeken met welke zij kan leven. Hierbij schuwt ze de ironie niet, zoals wanneer ze met een nieuw paar hakken de aandacht van het dorp trekt: ‘het klakken van mijn laarsjes wedijvert voortaan met de dwangmatige zweepslagen van Dragonder.’
In een interview omschrijft Lamarche zichzelf ook als ‘ontvankelijk voor vrouwelijke ironie’, en ironie als ‘een subtiel, licht antwoord op alledaags machismo […] een manier om “naast” te antwoorden terwijl je ergens anders heen gaat’ (vertaling HDGL). Dit geldt in zekere zin ook voor Mira: Mira’s fijnzinnige ironie is een cruciaal onderdeel van haar zoektocht en valt te lezen als een manier ‘om je los te maken om je weg te vervolgen: we hebben al te veel tijd verloren, we hebben betere dingen te doen.’ Mira baant zich namelijk, met een monkellachje, eveneens een weg naar een bestaan “naast” de onderwerping. Ze wordt daarbij voortgestuwd door haar rouw, die helemaal van haarzelf is, en die zodoende haar onafhankelijkheid vrijwaart.
Via het schrijven uit de onderwerping
Omdat het boek zo beladen is met symboliek, lees ik het aanvankelijk met een opgetrokken wenkbrauw. Staat een uitweiding over naakt met vijgen worden bekogeld symbool voor de morele schending van onze protagoniste, of amuseert Lamarche zich gewoon kostelijk met de precisie waarmee ze de zoete geur van een rottende vrucht kan beschrijven? Gaandeweg laat ik me gewilliger meevoeren op de stroom van sp(r)ookachtige beelden. Lamarches beeldende taal zorgt voor de nodige lucht in de novelle. De uitgebreide omschrijvingen van locaties en objecten hebben wellicht een verklaring: oorspronkelijk schreef Lamarche het eerste deel van Mira in samenwerking met illustratrice Charlotte Mollet, in een interdisciplinaire dialoog tussen tekeningen en tekst. Maar de weelderig beschreven beelden hebben ook een literaire meerwaarde: ze voorkomt dat personages aanvoelen als bloedeloze symbolen, en laat hen verschijnen als ademende, complexe lichamen die ook niet-metaforisch kunnen verlangen.
En verlangen doen ze, onophoudelijk. Toch deins ik er initieel voor terug het verhaal ‘erotisch’ of ‘sadomasochistisch’ te noemen. Niet omdat het aan genitalieën en orgasmen ontbreekt, wél omdat Lamarche zich kritisch uitlaat over het ongenuanceerd benaderen van haar werk als zodanig. Op zich is het geen vreemde benadering: Lamarche werkte ook eerder met een uitgesproken (sado)masochistische thematiek, zoals in Carnets d’une soumise de province (2004) en La nuit l’après-midi (1998, eveneens vertaald door Katelijne de Vuyst in 2021). Het etiket overschaduwde voor de auteur echter te vaak andere typerende thematieken (zoals ziekte, familie, klasse en de relatie tussen mens en natuur), en de literaire aard van haar teksten.
Het lijkt inderdaad alsof het Lamarche niet te doen is om seks an sich – hoe gedetailleerd die seks ook wordt beschreven – maar eerder dat seks en seksueel spel waardevolle vensters bieden op de machtsdynamieken in de sociale ruimte. In belangrijke mate fungeren seks en onderwerping in Mira als werktuigen in het uitdrukken van de ontwikkeling van een jonge vrouw: echt opwindend is het boek, volgens deze lezer, zelden. Recent lijkt Lamarche het motief van seksuele onderwerping en dominering overigens volledig links te laten liggen – begeleid door een enigszins jaloersmakende uitspraak in Le Carnet et les Instants: ‘Ik ben via het schrijven uit een vorm van ‘onderwerping’ gestapt […] Dominante persoonlijkheden verblinden me niet meer’ (vertaling HDGL).
Mira lijkt een voorbode van deze ontwikkeling. Het is pas bij de Aanstaande, een dienstbare man die als enige aanbiedt te helpen haar broer te vinden, dat Mira uiteindelijk neerstrijkt. ‘Mira, je hebt de oogleden van een Feniks’, zegt haar Aanstaande bewonderend. ‘Ik zou er vrede mee hebben een dier te zijn, indien mogelijk met vleugels om steeds hoger op te stijgen,’ denkt Mira. Dit moment doet terugdenken aan een eerder aangehaald beeld uit de novelle van zwaluwen die door Mira’s landgenoten zo lang worden gevangengehouden dat ze zich, suf en gedesoriënteerd op de vensterbank, de wens om weg te vliegen niet langer herinneren. En toch: terwijl een hond er vruchteloos achteraan rent, om ‘wellicht, vergeefs, de vogels bijeen te drijven’, bevolken in de slotscène talloze zwaluwen de lucht. Mira’s omzwervingen richting onafhankelijkheid lijken opnieuw in één zin gevat.
Een signalement van Mira van Caroline Lamarche door Hanna De Grave Loyson. Hanna schreef deze recensie naar aanleiding van haar deelname aan Welbeschouwd, het project voor literatuurkritiek dat De Reactor organiseerde in samenwerking met DeBuren en ILFU.
![]()
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.