‘Een engel sla ik niet’

Het hout

Jeroen Brouwers

In 2011 concludeerde de commissie Deetman dat er tussen 1945 en 1981 in katholieke internaten, kostscholen en weeshuizen veelvuldig sprake was van seksueel misbruik. In die jaren zouden zo’n 10.000 tot 20.000 minderjarigen misbruikt zijn, enkele duizenden van hen zelfs zwaar. De leiding van de rooms-katholieke kerk wist ervan, maar zou diverse schandalen in de doofpot gestopt hebben. De vraag waarom zo veel medewerkers van bisdommen, ordes en congregaties zich hebben misdragen, bleek voor de commissie moeilijker te beantwoorden.

In zijn nieuwe roman Het hout probeert Jeroen Brouwers (1940) het seksuele misbruik in de katholieke kerk te begrijpen. Dat geeft hem de vrijheid om zijn eigen kostschoolervaringen uit te vergroten tot een grote aanklacht tegen de rooms-katholieke kerk.

We kruipen in het hoofd van broeder Bonaventura die ‘nachtwacht’ is in een katholieke kostschool. Hoewel hij vrijwillig is ingetreden, zit hij er ook gevangen. ‘Overal is buitenwereld. Ik zit hier. In het donker. In de dwangbuis van Franciscus die mijn huid raspt.’ Ooit kwam hij als Eldert Haman uit zijn geboortestad Rotterdam naar het jongenspensionaat Sint Jozef ter Engelen in het Limburgse Blijderhagen om er als leraar Duits te werken. Hij krijgt er kost en inwoning in het gastenverblijf, maar houdt de onafhankelijkheid om elke avond op zijn fietsje heen en weer te pendelen tussen het dorp en het klooster. Tot op een dag zijn fiets verdwenen is. Kort daarna krijgt hij het aanbod om in het klooster te wonen. Daarna wordt hem medegedeeld dat zijn salaris zal worden ingehouden omdat hij nu immers gratis kost en inwoning krijgt. Als hij vervolgens intreedt, wordt hem alles afgenomen wat bij zijn vroegere leven hoorde; zijn schaarse persoonlijke bezittingen, de Duitse literatuur die hem zo dierbaar is. En hij wordt gedegradeerd: geen leraar meer, maar kloosterfactotum en kostschoolsurveillant. Maar het belangrijkste dat hij kwijtraakt is zijn naam.

Nooit voelt hij zich gelukkig in het klooster; sterker nog, de hele roman door vergelijkt hij wat er in het klooster gebeurt met de misdaden van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog. Bonaventura neemt het waar, levert er kritisch commentaar op, maar verbindt er geen conclusies aan. Gedwee geeft hij zich over aan het systeem. De autoriteitsgevoelige beslissingen die deze Eldert neemt als Bonaventura begrijpen we misschien iets beter als we beseffen dat deze roman zich afspeelt in 1953. Dat neemt niet weg dat Brouwers Bonaventura’s wispelturigheid ook extra sterk aanzet om het contrast met zijn harde omgeving te versterken.

Alles wat er mis is met het klooster, komt samen in broeder Mansuetus, de Duitse ‘ever’ die het klooster overneemt en een tuchtsysteem invoert waarbij de discipline in F. Bordewijks Bint (1934) sympathiek oogt. Mansuetus vertoonde ‘vanaf deze eerste minuten de allure van een Generaloberst die weet dat hij naar waarheid niet verder is gekomen dan soldaat eerste klas, auf Deutsch: Gefreiter.’ Kinderen worden geslagen met ‘het hout’ op het blote lijf, en vernederd, bijvoorbeeld door ze urenlang op te sluiten in een hok.

Het gebeurt zo: De jongen schreeuwt en blijft schreeuwen naarmate de medebroeder, volgeling van onze stichter, de zachtmoedige Franciscus, blijft slaan, hard, nog harder, de voorflap van zijn scapulier over de schouder gegooid om er niet door te worden gehinderd bij zijn inspanning en bewegingen. Hij schreeuwt ertegenin. Meer geluid dan de ruimte in het dode licht lijkt te kunnen bevatten. Gehoorzaamheid en tucht! Jij hebt geen wil! Ik heb een wil!

Eén van de slachtoffers van Mansuetus is Wil van Lanschot. De jongen wordt gestraft omdat hij zijn vriendje Mark Freelink bij het voetballen te innig zou hebben omhelsd. De ‘ever’ wil namelijk niet dat twee jongens te sterk met elkaar bevriend raken. Dat zou tot ontuchtige handelingen kunnen leiden. Maar die ontucht blijkt in de roman het fort te zijn van de kloosterlingen zelf. Mansuetus mag Wil er dan flink van langs geven, met Mark pakt hij het anders aan.

Een mooie, intelligente knaap als jij, grommelde het schoolhoofd, zijn hand op Marks haar tegen zijn borst. Ik zou je moeten strelen in plaats van tuchtigen. Hij legde de stok neer en klemde zijn andere arm rond het joch. Ik hoorde en voelde hem hijgen, zegt Mark. Ik stond blind tegen hem aan en rook hem, hij stonk. Hoe zou ik jou kunnen slaan. Jij bent een engel, mijn engel, een engel sla ik niet. Zo bleef hij me de hele tijd vasthouden, almaar strak tegen zijn buik. […] Opeens was de hand van Broeder Mansoeweetoes tussen zijn eigen lichaam en dat van de jongen. De vingers gleden achter de broekriem en grabbelden dieper naar waar de broekspijpen samenkomen.

Deze passage illustreert hoe complex Brouwers’ verteltechniek in deze roman is. In dit korte fragment horen we de stemmen van Bonaventura, Mark Freelink en Mansuetus door elkaar. Hoewel ik-verteller Bonaventura hier slechts verslag lijkt te doen van wat Mark hem in de ziekenboeg vertelt over wat er gebeurd is toen hij bij de ‘ever’ werd geroepen, zien we ook dat hij dat verslag inkleurt door de personages sprekend in te voeren en door wat Mark vertelt, van buitenaf te beschrijven. Deze techniek hanteert Brouwers door de hele roman heen. Ook medebroeder Bulletje, die als dokter fungeert, weet zijn handen niet thuis te houden.

De handjes bekneden de buik en naderen het geslacht. Hier groeit al goed wat haar, stelt de broeder vast en roert er met zijn vinger doorheen. Hele vent ben jij al. Het penisje moet worden betast, het spleetje onthuld. Komt er al vet uit als je er ’s avonds onder de deken mee speelt en voelt dat hij groot wordt? […] Niet vergeten het ook te biechten hè, voegt hij er vroom aan toe. Dan grabbelt hij tussen de dijen van de jongen, die op de rug van zijn hand moet blazen. Mijn medebroeder bevoelt scrotum en inhoud. De jongen staart geparalyseerd naar het plafond, hij was gekomen voor een puistje bij zijn elleboog.

Halverwege de roman blijkt dat er voor broeder Bonaventure licht in de duisternis is. Na zijn gebit jarenlang verwaarloosd te hebben moet hij naar de naburige tandarts om van de intense kiespijn af te komen. In de wachtkamer ontmoet hij Patricia Delahaye, een weduwe op wie hij verliefd wordt en die hem met open armen ontvangt. Hij komt erachter waar haar winkeltje is en brengt soms enige tijd met haar door. Hij verzint zelfs een afspraak bij de tandarts om bij haar te kunnen zijn. Die dag gaat hij met haar naar bed – het is zijn eerste keer en hij ervaart het zeer intens. Tot dan toe was hij alleen gewend om zo nu en dan in zijn zakdoek te masturberen, nu gaat er een wereld voor hem open.

Het scapulier, het koord, de pij, de kiel, en ja de broek, door de stof waarvan de domtoren zich aftekende. Ze vouwde haar hand eromheen, nooit een andere hand daar gevoeld, ik hoorde haar dingen tegen hem zeggen waar hij nog verwaander van werd en toen haar mond, haar tong, ik steigerde, dit kon niet, mocht niet, ik deed zonde! Heilige Antonius van Egypte, vader van alle kloosterlingen, door satan bekoord en verleid met de verrukkelijkste verlokkingen die gij alle hebt doorstaan, ik was ten prooi aan de zonde met een x.

Natuurlijk komt de kloosterleiding achter zijn bedrog. Ze sturen hem enkele weken naar Duitsland, waar hij zwaar gestraft wordt. Alleen de gedachte aan Patricia houdt hem op de been. Zij is degene die hem uit zijn lethargie kan halen, al vraagt Bonaventura zich steeds af of ze op hem blijft wachten. We komen weinig te weten over Patricia, behalve dat ze een daadkrachtige en zelfbewuste vrouw is die de kerk graag bespot en die alles in het werk stelt om Bonaventura zijn eigen naam terug te geven.

Waarom geven jullie elkaar andere namen als in een toneelstuk? En wat doe jij in dat instituut? […] En veel bidden zeker? Hoe kom je daar in godsnaam terecht. Uit bevlogen roeping? Op een ochtend werd je wakker van god, die riep in je oor: Eldert Haman, ik heb een paar vodden in strontkleur voor je hangen en je hoeft nooit meer sokken aan. Van al die ouwels krijg je vanzelf een rot gebit, dat is geen wonder.

Als hij na terugkeer van zijn ballingschap bericht van haar krijgt (gesmokkeld in een boek dat de dorpsarts voor hem meenam), besluit hij een daad te stellen. Het is vlak voor Pasen. Op Goede Vrijdag is er een grote mis in het klooster. Op het hoogtepunt van de mis staat hij op, loopt naar voren, legt de attributen van zijn priesterschap af en loopt door het gangpad het klooster uit. De scène wordt nog surrealistischer als Wil en Mark zich bij hem voegen en na hen nog een stoet andere jongens die hij naar de vrijheid toe leidt.

Zie mij zoals ik het open tabernakel de rug toedraai, op blote voeten zwetend als een rubberboom, nog steeds blind al zie ik alles, en doof al hoor ik de stemmen, het gestommel, het rumoer en daar het orgel doorheen. […] De lont is in de opstand.

Het hout is een roman die op een wonderlijke manier heen en weer beweegt tussen realisme en verbeelding. Soms draaft Brouwers door, zet hij dingen te sterk aan, of maakt hij de personages nogal schematisch. Op zulke momenten wordt de geloofwaardigheid aangetast en maakt Brouwers zich kwetsbaar voor het verwijt dat hij de zaken in zijn subjectieve verbeelding veel erger voorstelt dan het in werkelijkheid was; een verwijt dat hem destijds ook trof in het debat rondom Bezonken rood (1981). Maar tegelijk vind ik dat juist die niet-realistische (soms slapstickachtige) kant het verhaal uittilt boven het louter documentaire. Het maakt dat het boek ondanks het zware onderwerp soms grappig is en het getuigt van de ordenende hand van de schrijver, die een beeld wil neerzetten. Ik kan me voorstellen dat sommige lezers het einde wat potsierlijk vinden, maar mij raakte het toch: niet als geloofwaardig scène, maar als mooi moment van verbeelding.

Er is iets in Het hout dat maakt dat de roman een overdonderend effect heeft. Brouwers kiest – traditiegetrouw – voor een perspectief waardoor je opgesloten zit in het hoofd van de ik-figuur. Hij is degene die ons laat zien wat er in het klooster omgaat, de andere personages leren we alleen kennen door wat we ze in zijn ogen zien doen en door wat ze zeggen. Dat kan soms contrasteren: de woorden van Patricia tonen haar als een nuchtere en kritische vrouw, terwijl het beeld dat Bonaventura schetst – begrijpelijkerwijs wellicht – nogal idealiserend is. Zij is natuurlijk zijn engel – en tegenover de gewelddadige seksualiteit in het klooster staat de authentieke seksualiteit die Bonaventura in haar bed beleeft. Brouwers heeft patent op deze perspectiefkeuze – denk aan Zonsopgangen boven zee (1977) of Datumloze dagen (2007) – en hij zet die in Het hout opnieuw zeer effectief in om de lezer de beklemming te laten ervaren.

Dit perspectief geeft Brouwers bovendien de gelegenheid om zijn elliptische, suggestieve stijl te hanteren. Hij doet dat hier voorbeeldig, maar dat deed hij ook in zijn vorige roman Bittere bloemen (2011), die op mij destijds de indruk van een stijloefening maakte. Het hout is zo veel beter omdat er een krachtige emotie achter zit. De roman heeft het venijn dat we kennen van de polemist Brouwers. In feite is de roman uiteindelijk inderdaad een aanklacht tegen de rooms-katholieke kerk. De roman heeft dan wel een positief, bevrijdend einde, maar dat neemt niet weg dat het boek een inktzwart en genadeloos beeld geeft van het kloosterleven. Waar de polemieken van Brouwers – ook door hun overtrokkenheid – de lezer vaak tot de toeschouwer maken, daar balt Brouwers in Het hout al zijn energie samen in een doelgerichte constructie, die de lezer bij de strot grijpt en hem doelgericht naar het einde van de roman voert. Het hout is, kortom, een roman die subliem de kracht van fictie laat zien.

 

Recensie: Het hout van Jeroen Brouwers door Sander Bax

Links

Atlas Contact, Amsterdam, 2014
ISBN 9789025442057
282p.

Geplaatst op 14/01/2015

Naar boven

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.