‘Hier, heb je mijn hele leven!’

Kieft

Michel van Egmond

Wim Kieft (1962) heeft zich een plaats in het collectieve geheugen verworven door tijdens het Europees Kampioenschap van 1988 een lullig kopdoelpunt te maken in de derde poulewedstrijd tegen Ierland. Hij schampte een mislukt schot van Ronald Koeman en tergend langzaam verdween de bal achter keeper Pat Bonner. Dankzij dit doelpunt plaatste Nederland zich voor wat een legendarische halve finale tegen West-Duitsland zou worden. Dat deze Kieft in 1988 Nederlands topscorer van Nederland was, en een paar jaar eerder zelfs Europees topscorer, weten veel minder mensen. Zo sterk weegt dat ene moment op de carrière van deze voormalig profvoetballer.

In het boek Kieft spreekt de spits meermaals over de herinnering aan dit moment. Hoe steeds maar weer mensen op hem afkomen om hem eraan te herinneren. Al die mensen beweren dat ze er bij zijn geweest in het stadion, sterker nog: allemaal beweren ze recht achter het doel gezeten te hebben. Duidelijk wordt dat Kieft zijn grote moment vooral ervaart als een loden last: hij ergert zich kapot aan de fans, kijkt met chagrijn terug op dit kampioenschap, kan slechts met moeite toegeven dat het ‘achteraf’ wel een mooi toernooi was. In 1988 zelf zat Kieft – zo geeft hij toe – vooral te mokken op de bank als stand-in voor de weergaloze Marco van Basten.

Dat is het beeld dat uit deze ‘biografie’ oprijst: Kieft was al tijdens zijn voetbalcarrière een getormenteerde jongen, met een cynische en relativerende visie op de mensen uit de voetbalwereld. In dit boek laat hij geen kans voorbijgaan om mythische beelden te ontmaskeren. Het PSV uit de jaren tachtig was in de verste verte geen vriendenploeg, Eric Gerets, Jan Heintze en Hans van Breukelen worden stuk voor stuk als ‘lul’ neergezet en ook de ‘waardeloze’ trainer Aad de Mos kan bij Kieft geen goed doen. Getransfereerd naar de Italiaanse club Pisa, verblijft Kieft eenzaam en alleen in Italië. Plezier beleven aan het voetballen? Dat is er eigenlijk niet meer bij vanaf het moment dat hij succes krijgt.

Het grootste deel van het boek gaat dan ook helemaal niet over voetbal, maar over wat op de achterflap ‘een groot geheim’ wordt genoemd, dat Kieft bijna twintig jaar met zich meedroeg: na zijn voetbalcarrière raakte Kieft ernstig verslaafd aan alcohol en cocaïne. Diezelfde achterflap afficheert het boek als ‘verslag van een bittere strijd’, maar ook als ‘hoopvol relaas over de voorzichtige wederopstanding van een veerkrachtig mens’. Dat frame maakt duidelijk dat uitgever Voetbal International maar al te goed weet welke narratieven er in de hedendaagse mediacultuur toe doen: verhalen van ellende, gevolgd door herstel en overwinning. Dat belooft weinig goeds voor de manier waarop het verhaal over Kieft zal worden verteld.

Na 366 zeer groot beletterde pagina’s beklijft vooral het verhaal van ellende. Het licht aan het einde van de tunnel wordt in het boek weliswaar beloofd, maar lijkt toch vooral heel ver weg. Indrukwekkend is de manier waarop Kieft zichzelf blootgeeft. Hij heeft Michel van Egmond (1968) volledige openheid van zaken gegeven in zijn verslavingsproces en in zijn moeizame pogingen om niet terug te vallen. We krijgen verslagen van zijn bijeenkomsten bij Narcotic Anonymous en lezen stukken uit de dagboeken die hij daarvoor moet schrijven. Kieft vertelt openhartig over de mensen die hij als junk gekwetst heeft (Frank Arnesen bijvoorbeeld, en zijn tweede vriendin), maar ook over de mensen die hem geholpen hebben (met een speciale rol voor trainer Fred Rutten en perschef Kees Jansma). Kieft wordt daarmee meer een opeenstapeling van pijnlijke anekdotes uit het leven van een drugsverslaafde dan een biografie.

De ernst van Kiefts levensverhaal staat haaks op de toon van het boek. De openingszin is veelzeggend: ‘Het moet allemaal niet te zwaar worden, hè?’ Die uitspraak van de gebiografeerde illustreert de vreemde paradox van dit boek. Het is, zoals gezegd, uitgegeven door Voetbal International, een uitgeverij die grossiert in lichtvoetige sportboeken die een groot publiek weten te bereiken. Dat is ook aan dit boek te merken. Het boek bevat de weergave van gesprekken die Van Egmond voerde met Kieft. Het heeft heel veel korte hoofdstukken (2 tot 3 pagina’s), nu eens bestaand uit geparafraseerde interviewfragmenten, dan weer uit meer verhalende passages waarin de biograaf wat feitelijke gegevens op een rijtje zet en de hoofdpersoon daarop laat reageren.

Dat geeft het boek een merkwaardig fragmentarisch karakter. Er is geen duidelijk, chronologisch verhaal. Fragmenten uit het heden worden afgewisseld met passages uit zijn jeugd, uit zijn voetbalcarrière en uit zijn leven daarna. Er is bovendien nergens sprake van interpretatie. Van Egmond stelt zich in dit boek op als de ‘neutrale’ rapporteur die niets anders doet dan vragen stellen en feiten weergeven. Hij vermeldt een aantal keer dat hij van Kieft zelf een plastic tas kreeg met daarin onder meer het ‘Stappenwerkboek’ van Narcotics Anonymous. Citaten daaruit plaatst Van Egmond dan weer boven de hoofdstukken van zijn boek. Daarmee openbaart hij ons soms zielenroerselen – geschreven in de krampachtige stijl van de patiënt – waarvan je je kunt afvragen of je ze wel op deze manier zou moeten willen weergeven:

‘Machteloos om te controleren geen drugs te gebruiken of alcohol. Machteloos om niet te reageren op mijn gevoel. Handel impulsief in plaats van dat ik een gevoel er laat zijn. Voel ik me goed, dan loop ik het gevaar dat ik overmoedig handel.’

Voor een arts zou dergelijke informatie vermoedelijk onder het beroepsgeheim vallen, maar Van Egmond heeft zich klaarblijkelijk niet afgevraagd of ook een biograaf dit soort afwegingen zou moeten maken. Daarbij komt dat de vertelpositie van de biograaf behoorlijk problematisch is. Door zichzelf ogenschijnlijk te verstoppen achter de gebiografeerde verbergt Van Egmond dat hij Kieft heel duidelijk framet: hij presenteert hem als een bange, angstige, wat nurkse man, voor wie zijn voetbalcarrière eerder traumatisch dan plezierig was en die daarna jarenlang de demonen van alcohol en drugs bevocht.

Als het gaat om ‘waarheidsvinding’ ten slotte, is het boek nogal eenzijdig. Van Egmond richt zich uitsluitend op Kiefts eigen uitspraken over het verleden: hij confronteert diens relaas niet met de verhalen van zijn ex-geliefdes, zijn kinderen, of van oud-collega’s. Als biograaf onttrekt Van Egmond zich aan de verantwoordelijkheid om het beeld dat hij van zijn object schetst te toetsen aan andere perspectieven op de gebeurtenissen. Dat roept de vraag op hoe we dit boek moeten waarderen. In de eerste plaats moeten we vaststellen dat deze biografie simpelweg een goedkoop marktproduct is: snel gemaakt, weinig research, geen diepgang, grote letters, naam van de beroemdheid op de kaft. Nu is dat op zichzelf natuurlijk helemaal geen probleem: er verschijnen zo veel goedkope sportboeken. Het pijnlijke hier is dat het vluchtige werk een loodzwaar levensverhaal behelst. Temeer omdat duidelijk wordt dat Kieft diep in de schulden zit en vooral aan dit boek meewerkte om geld te verdienen.

Vreemd ten slotte is dat het boek teleurstelt op het punt waar we van Voetbal International juist expertise zouden mogen verwachten: namelijk voetbal. De echte voetballiefhebber komt nauwelijks aan zijn trekken. Van Egmond vertelt hier en daar wel wat over de carrière van Kieft, maar een echt interessant verhaal daarover wil het maar niet worden. In dat opzicht steekt het boek schril af tegen andere journalistieke voetbalboeken, zoals die van Menno de Galan of Auke Kok. Alles bij elkaar lijkt het er sterk op dat de wil om te scoren met de blootlegging van ‘het grote geheim’ van Wim Kieft het heeft gewonnen van de aandrang om een serieus boek te schrijven over het leven van een oud-voetballer.

Links

Voetbal International, Gouda, 2014
ISBN 9789067970846
370p.

Geplaatst op 14/07/2014

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.