Proza, Recensies

Stap in en arriveer

Mijn vriendin is coach. Ze helpt vrouwelijke ondernemers om hun professionele en persoonlijke doelen te verwezenlijken. Ik snap waarom haar klanten bereid zijn veel geld te betalen voor haar advies en begeleiding, haar trackrecord is namelijk uitzonderlijk: vrijwel alle ondernemers die bij haar ‘instappen’ (dit is het jargon dat daarvoor gebruikt wordt) krijgen eindelijk voor elkaar wat ze daarvóór maar niet voor elkaar kregen. Meer klanten, meer omzet, maar ook meer rust, meer ruimte in hun persoonlijke leven om zich te richten op wat ze echt belangrijk vinden.

Wat betreft dat laatste – die rust en ruimte – is ze geen typische businesscoach, zoals de Amerikaans-Iraanse ondernemer, filantroop en schrijver Alex Hormozi dat wel is. Hormozi staat bekend als het alfamannetje onder de ondernemers. Zijn Spartaanse aanpak is zeer invloedrijk: hoe meer tijd je ergens in investeert, hoe groter de kans dat je succesvol wordt. Hij is die gymbro die more reps in je oor schreeuwt en je een eiwitshake in de hand drukt. Een strikt utilistische benadering waarin kosten en baten tegenover elkaar afgewogen worden en waarin het onderscheid tussen werk en vrije tijd niet lijkt te bestaan. Er is maar een heel klein beetje onwil voor nodig om te stellen dat Hormozi’s visie – symbolisch voor een nieuwe generatie (voornamelijk mannelijke) ondernemers – berust op een kille kapitalistische logica. Want niet alles kan of moet geoptimaliseerd worden, toch? Is het ook oké om gewoon middelmatig, lui, gebrekkig of disfunctioneel te zijn? Mogen we falen?

Ja, dat mag zeker, graag zelfs, zouden Lieke Knijnenburg en Lena Bril zeggen. Deze twee auteurs brachten het afgelopen jaar een boek uit dat in veel opzichten op elkaar lijkt. Knijnenburg schrijft in Een schitterende leegte over onze obsessie met zelfoptimalisatie en productiviteit, terwijl Bril in In therapie ingaat op onze behoefte aan therapie, met bijzondere aandacht voor het alternatieve coaching circuit. Beide boeken vertrekken vanuit het idee dat we in Westerse samenlevingen te ver doorgeslagen zijn in het optimaliseren van onze levens. En beide boeken zijn doorspekt van een verlangen naar een alternatieve werkelijkheid waarin we ons kunnen onttrekken aan allerhande dwingende maatschappelijke normen die uiteindelijk toch altijd weer hun oorsprong vinden in dat verdoemde kapitalisme.

Ik ben benieuwd hoe deze auteurs naar het werk van mijn vriendin kijken. Met haar ogen dicht zou Knijnenburg de nadruk op productiviteit en financiële groei van haar coachingstrajecten plaatsen in een bredere sociaal-culturele ontwikkeling die ze in Een schitterende leegte schetst. In zekere zin is het beroep van de businesscoach de vleeswording van een cijfermatige, utilistische kijk op werk en leven. Ondernemers nemen zo’n coach namelijk in de arm omdat ze efficiënter en effectiever willen zijn, oftewel: omdat ze meer omzet willen draaien. Voor Bril zou vooral de spirituele, therapeutische belofte van dat werk interessant zijn. Mijn vriendin helpt vrouwen niet alleen geld te verdienen, maar biedt hen ook een luisterend oor, houdt ze spiegels voor, en doorbreekt blokkades – diensten die je ook van een therapeut verwacht.

Het persoonlijke als casus

Opvallend is dat Knijnenburg en Bril hun eigen levens als leidraad gebruiken voor hun systeemkritiek. Daarmee sluiten ze aan bij een traditie van autobiografische (non-)fictie die in de Nederlandse letteren de afgelopen jaren een opleving kent. Denk aan Lieke Marsmans boeken over haar kankerdiagnose en haar relatie tot haar eigen sterfelijkheid; aan Tobi Lakmakers geschiedenis van zijn seksualiteit; of aan Bregje Hofstede’s boek over de geboorte van haar eerste kind.

Via dansvloerevaringen, writer’s blocks, het potentieel openen van haar relatie en het vakantiehuisje van haar ouders neemt Knijnenburg de lezer mee in haar zoektocht naar de schitterende leegte (als die al bestaat) uit de titel van haar boek. Voor Bril is haar eigen therapiegeschiedenis de aanleiding van haar werk. Beide schrijvers doorspekken hun betogen met statistieken, verwijzen naar (meer en minder voor de hand liggende) secundaire literatuur, en gebruiken hun eigen verhaal als decorum voor wat ze willen zeggen. Voor de lezer is dat in eerste instantie heel prettig: de anekdotes zijn levendig en staan bovendien niet op zichzelf, omdat ze onderdeel zijn van een algemener maatschappelijk patroon.

Sinds Anja Meulenbelts klassieker De schaamte voorbij (1976) is het idee dat het persoonlijke politiek is langzamerhand ingeburgerd geraakt in links-intellectuele kringen. In recentere jaren is de fixatie op identiteitspolitiek (van zowel linker- als rechterkant van het spectrum) een vervolmaking van dat idee. Het kleine staat in relatie tot het grotere, het grotere is in dat kleinere vervat en precies door dat kleinere te onderzoeken, komen we dichterbij dat grotere.

In De schaamte voorbij werkt dat idee heel goed, of althans: de manier waarop Meulenbelt haar gedachtegang uitlegt, is iconisch geworden, waardoor de culturele relevantie van dat werk buiten kijf is komen te staan. Meulenbelt beschrijft hoe haar leven als vrouw in de tweede helft van de twintigste eeuw de patriarchale structuren reflecteert; dat ze, bijvoorbeeld, geacht wordt niet te scheiden van haar echtgenoot is een uiting van mannelijke dominantie.

In hoeverre werkt hetzelfde idee echter voor de boeken van Knijnenburg en Bril? Als je jezelf als onderzoeksobject neemt, bestaat het risico dat je niet altijd even helder kan beoordelen wat er mis is en wat er beter kan. Je bent immers zelf onderdeel van de formule.

Een klein uitstapje: in de cultuurwetenschap, en met name in de genderwetenschap, is het gaandeweg steeds vanzelfsprekender geworden om je eigen positionering als onderzoeker te benoemen. Tijdens het schrijven van mijn proefschrift sprak ik veel met mijn Italiaanse kamergenoot, die onderzoek deed naar de manieren waarop ‘buitenstaanders’ in Amsterdam en Rome buitengesloten worden op basis van geur, bijvoorbeeld omdat ze met bepaalde kruiden koken. Dat ze Italiaans was, lang in Rome gewoond had en zelf een specifiek cultureel geurvermogen heeft, deed er heel erg toe, sterker nog: het stelde haar in staat om met Romeinse buurtbewoners een heel specifiek soort contact te leggen en het maakte mogelijk dat ze zich in haar Amsterdamse veldwerk het perspectief van buitenstaander kon aanmeten. Wie ze was, deed ertoe. Het kleurde haar bevindingen niet in negatieve maar in positieve zin. Ik had dat onderzoek als witte Nijmegenaar nooit kunnen uitvoeren op de manier waarop zij het uitvoerde.

In zulke studies als die van haar is het gebruikelijk om de eigen positionaliteit zeer expliciet te maken, precies omdat er zoveel van afhangt. In filosofische zin zou je dat kunnen verantwoorden door te verwijzen naar de uitgangspunten van de fenomenologie: het subject is bepalend voor de manier waarop we naar de werkelijkheid kijken. Een objectieve blik is dus nooit mogelijk.

In meer journalistieke zin is het problematischer. Hoe moeten we de woorden van Lena Bril over de Nederlandse therapiecultuur wegen wanneer we weten dat ze zelf een bepaald soort ervaringen heeft met de Nederlandse geestelijke gezondheidszorg (ggz)? En in hoeverre gaan we mee met Knijnenburgs systeemkritiek, wetende dat ze allesbehalve een nine-to-five leven heeft? In allebei de boeken draait het niet alleen om wat er gezegd wordt, maar ook wie het zegt.

Wat er mis is

De vastgelopen ggz is het probleem dat geadresseerd wordt in In therapie: ellenlange wachtlijsten, een onstilbare behoefte aan therapie, een fixatie op DSM-labels en ga zo nog maar even door. Damiaan Denys, Dirk de Wachter en Jim van Os zijn beroemd geworden met hun kritiek op de uitwassen van de geliberaliseerde geestelijke gezondheidszorg waarin de markt het uiteindelijk voor het zeggen heeft. Bril doet daar nog een flinke schep bovenop. Zij verbreedt en verdiept namelijk de argumenten van voorgenoemde critici. De meest prikkelende stukken gaan over het alternatieve circuit, de wildgroei aan coaches, paardencoaches bijvoorbeeld – een fenomeen dat direct in verband staat met die lange wachtlijsten, met die gigantische vraag naar hulp waar maar steeds opnieuw passend aanbod op verzonnen blijft worden. Je kunt er om lachen – een paardencoach, hihi, zweverig – maar who cares dat jij het niet serieus neemt, het is een levensecht beroep waarin serieuze hulpverleners echte mensen proberen te helpen. Paardencoaches voorzien in een behoefte, laat Bril heel overtuigend zien: ‘Het paard kon ze volledig vertrouwen, die luisterde immers oordeelloos – en heeft geen economisch belang bij hoe de sessie verloopt.’

Het overkoepelende probleem dat aan die vastgelopen ggz ten grondslag ligt, is de vrijemarkt-ideologie. Als je uitzoomt, is dat waar je steeds weer bij terechtkomt, stelt Lieke Knijnenburg in Een schitterende leegte, er is geen ontsnappen aan. Dat beseffen is kapitalistisch realisme, zoals cultuurcriticus Mark Fisher zo prangend uiteenzette in Capitalist Realism. Is There No Alternative (2009)? Dat je er als zzp’er aan moet geloven jezelf te vermarkten, is nog tot daaraan toe, maar dat zelfs een illegale rave niet veilig blijkt voor de grijpende tentakels van het kosten/baten-monster is echt niet leuk meer. 

Kijk naar de sterren en omarm het cliché

Ik ontmoette Knijnenburg op een avond in het Amsterdams kunstencentrum Perdu over rave als protestcultuur, waar ze een column voorlas met een titel ‘Een kutfeest’. De strekking: feesten zijn kut als er te veel georganiseerd, gemonitord, geoptimaliseerd wordt. Ik moest lachen, knikte instemmend, snapte haar goed en mensen in het publiek leken het met me eens te zijn. De doelstelling van de avond was: onderzoeken hoe rave-cultuur misschien nog een van de weinige vrijhavens is voor het alles opslokkende kapitalisme. Het sierde haar dat ze niet verviel in een vrijblijvend idealiseren van rave. Ze liet juist heel precies zien hoe ook rave, zelfs rave, kut is, want net zo goed slachtoffer van kapitalistische tendensen. Het is moeilijk om tegenwoordig raves te vinden die niet totaal geprofessionaliseerd en gecommercialiseerd zijn, waarin alles op een zo efficiënt mogelijke manier is georganiseerd.

Die houding is precies wat Een schitterende leegte zo aantrekkelijk maakt. Knijnenburg doorziet het theoretische probleem en gebruikt haar eigen ervaringen om die te toetsen aan de praktijk. Dat levert een subtiele nuance, een speels- en luchtigheid op die in deze systeemkritische uiteenzettingen soms ver te zoeken zijn. Want je kunt ook zeggen: ‘kapitalisme is kut’ en het daar dan bij laten. Dat doet Knijnenburg niet. Ze bedoelt wel ‘kapitalisme is kut’, maar ze probeert dat te doorvoelen, de paradoxen ervan in haar eigen leven bloot te leggen.

De epiloog ‘Aan de Poolse grens’ is daar een fantastisch voorbeeld van. Die tekst doet niet onder voor een script van een goede art-house film. De IMDB-samenvatting: kritische doch hoopvolle millennial bezoekt een illegale rave aan de Poolse grens in de hoop boven zichzelf en de wereld uit te stijgen, maar raakt teleurgesteld. Het is het verhaal dat ik op de Perdu-avond hoorde, maar dan uitgebreider. De epiloog is een metacommentaar op Een schitterende leegte zelf. Knijnenburg worstelt met het schrijfproces (‘Ik zat vast en bleek een opening niet te kunnen afdwingen’) en hoopt de oplossing op die rave te vinden, ‘te ontsnappen aan de productiviteitsfetisj, de kritische blik op mezelf en het schuldgevoel dat ik niks gedaan kreeg’. Op zoek naar ‘iets om me uit mezelf te trekken, in een woordeloos geheel’ is het feest niet wat ze hoopt, er is ‘de Whatsappgroep’ en ‘de plattegrond’ en tot overmaat van ramp nog een ‘Google Docs met een inhoudsopgave, in twee talen verzorgd’. Knijnenburg zit zichzelf zo enorm in de weg op dat feest, realiseert ze zich. Doodvermoeiend om constant geconfronteerd te worden met je eigen maatschappijkritiek, vooral als die op zo’n feest ook nog eens omslaat in zelfkritiek (‘Hoe gênant het zou worden als het me niet zou lukken de blokkade op te heffen’).

Zo herkenbaar. De worsteling van Knijnenburg en vooral de eerlijkheid daarover is zeer aantrekkelijk. Het zorgt ervoor dat Een schitterende leegte niet in dezelfde val trapt als dat wat het probeert te analyseren. Het is geen sluitend betoog, geen waterdichte analyse van het failliet van de moderne mens en de rotheid van de samenleving, maar zoals de ondertitel stelt ‘een poging tot verzet tegen onze obsessie met productiviteit’. Een poging, een denkoefening, een persoonlijke zoektocht. Die poging is prikkelend en soms ook kwetsbaar en ontroerend. In de laatste alinea’s kijkt Knijnenburg naar de sterrenhemel en – ze laat zich niet tegenhouden door het cliché – ze maakt een foto van de lucht. Ze omarmt het paradoxale van de situatie: dat ze probeert te ontsnappen aan een laatkapitalistische benauwing precies door middel van een uitwas daarvan (d.w.z. de smartphone en de drang alles vast te leggen).

De foto is helemaal zwart, helemaal leeg, en helemaal schitterend. 

Jouw unieke pijn die je kunt dragen

Lena Bril verhoudt zich tot zowel iconische als meer actuele beeldbepalende denkers over geestelijke gezondheid. Niet alleen recente maatschappijkritische psychiaters zoals Van Os, Denys, De Wachter), maar ook historische sleutelfiguren zoals Freud en Jung. Een lastige opgave en een ambitieuze taak: iets origineels toevoegen aan de bestaande actuele systeemkritiek en tegelijkertijd je betoog historisch situeren. Ze lost dat slim op door haar eigen therapiegeschiedenis centraal te stellen. Op die manier treedt ze niet zozeer in een theoretische discussie met bestaande ideeën, maar illustreert ze vooral heel treffend en beeldend hoe het er in de praktijk uit ziet, met name in die van haar. Hoewel het een groot maatschappelijk probleem betreft, houdt Bril het dicht bij zichzelf. De kans is groot dat mensen die in therapie zijn (geweest) zich zullen herkennen in zinnen als: ‘En hoewel de pijn bleef, voelde ik me sterker, in de wetenschap dat het mijn unieke pijn was, waarvan ik, na jaren oefenen, wist dat ik die kon dragen.’

Het onderscheidende aan Brils betoog is bovendien de manier waarop ze het concept ‘therapiecultuur’ tot leven laat komen via de vele interviews met cliënten in het traditionele en alternatieve circuit. Therapiecultuur definieert ze als ‘een cultuur waarin bijna alle problemen door een therapeutische lens worden bekeken, een waarin men denkt, praat, ja zelfs luistert in therapietaal, waar een bezoek aan een therapeut een plicht is’. Die cultuur hangt nauw samen met het kapitalistische realisme van Mark Fisher, dat als een pijler onder zowel het betoog van Bril als van Knijnenburg ligt. Net zoals we ons in een kapitalistisch systeem volgens Fisher geen alternatieve wereld kunnen voorstelen, zo is het volgens Bril zo ‘dat we in een therapiecultuur geen alternatieve scripts hebben voor hoe we om moeten gaan met tegenslag, met pijn, met vermoeidheid’. Wie problemen heeft, gaat ‘simpelweg’ in therapie.

Net als Knijnenburg heeft Bril geen duidelijk antwoord op het probleem dat ze blootlegt. Zeker, ze noemt de collectivistische ggz waar Jim van Os het over heeft, een minder op het ik-gerichte behandelvorm, in groepen, zoveel mogelijk ingebed in de gemeenschap. En ja, ze reflecteert aan het einde van haar boek op de vraag hoe een meer solidaire ideologie een tegenwicht zou kunnen bieden aan het ik-ideaal waar de ggz van doordrenkt is. Maar wat voor mij het meest tot de verbeelding spreekt, is haar persoonlijke verhaal. In het hoofdstuk ‘Uit therapie’ beschrijft Bril hoe ze afscheid neemt van haar psychiater. Ze vraagt zich af wat de sessies haar gebracht hebben: ‘Misschien was het simpel het doorkomen van de tijd.’ (Originele cursivering.) Ze weet het niet zeker, maar ‘het voelde zinnig, betekenisvol: voor [Bril] is praten, is taal, een belangrijk middel om begrip te krijgen van [zichzelf] en de wereld’. Het is het tegenovergestelde, of misschien juist wel hetzelfde als waar Knijnenburg op zoek naar was tijdens die illegale rave: ‘een woordeloos geheel’.

Het particuliere vieren

De afgelopen tien jaar heb ik op de Nijmeegse Letterenfaculteit gewerkt. Cultuurkritiek was mijn belangrijkste taak. In artikelen, boeken, lezingen en colleges onderzocht ik – samen met collega’s en studenten – de staat van de cultuur met in het achterhoofd de vraag hoe een betere wereld eruit zou kunnen zien. Dat er veel mis is, stond vaak al vast. Er is onrecht in de wereld, grote machtsdiscrepanties, en dat alles zien we terug in culturele uitingen, in de blinde vlekken rondom gender, ras, klasse, seksualiteit, enzovoorts. Dat stelden we vast via nauwkeurige reflecties en diepgaande analyses. Soms riepen we op tot actie, maar meestal bleef het bij descriptie, constateringen en uiteenzettingen.

Vorig jaar ging het niet goed met me: ik ervoer depressieve gevoelens en twijfels over mijn rol in deze wereld. Een vervroegde midlifecrisis op mijn drieëndertigste, wie zal het zeggen. Ik ging in therapie en ging weer uit therapie. Kreeg pillen. Langzamerhand ging het weer beter, klaarde de mist in mijn hoofd op.

Er veranderde van alles.

Mijn identiteit begon te verschuiven, wie ik was en waar ik voor stond, mijn motivatie voor het academische onderzoek nam af en die voor mijn muzikant- en schrijverschap toe. Ik leerde mijn huidige vriendin kennen. Nam afscheid als universitair docent, werd zzp’er. Ik had nooit gedacht dat dat ooit zou gebeuren. Ik was die universiteit, ik ademde cultuurkritiek, wetenschap, onderzoek. Mijn vastgeroeste overtuigingen weekten langzaam los en daarmee mijn blik op de wereld. Wat ik vond en waarom ik het vond, wie ik was en waarom ik die persoon wilde zijn, waar ik bij wilde horen en waarom dan eigenlijk.

Dat zoeken, dat worstelen, is waardevol omdat het bepaalt hoe we de wereld om ons heen evalueren. En dat is precies wat Lena Bril en Lieke Knijnenburg laten zien. Of je het nu eens bent met hun conclusies of niet, het is volstrekt helder hoe ze tot hun interpretaties komen.

Naar dat soort transparantie en zulk soort kwetsbaarheid snak ik. Vertel maar hoe het was voor jou op dat moment in de tijd en hoe dat je blik op de wereld bepaald heeft. Door te laten zien hoe het kleine in het grote vervat is, en andersom, komen we dichter bij een zo gesitueerd mogelijk soort kennis.

 

Een recensie door Roel Smeets over:

 

In therapie

Lena Bril

Prometheus

2025

264 pagina’s

978904465611423

 

Een schitterende leegte

Lieke Knijnenburg

Atlas|Contact

2024

176 pagina’s

978904504911303

Geplaatst op 06/08/2026

Tags: coach, coaching, Millennial, millennialauteur, millennialauteurs, millennialliteratuur, Millennials, therapie

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.