Barsten, breken en vallen    

Kleine haperende vluchten

Femke Brockhus

Kleine haperende vluchten is het tweede boek van auteur en docent Nederlands Femke Brockhus. Na haar debuut Laat het stil zijn (2017) komt de Nederlandse schrijver met een kleinood van 165 pagina’s over de breuk van een jong gezin, bestaande uit een auteur, een architect en een pasgeboren baby. Met z’n drieën trekken ze zich terug in een oud huis aan de Nederlandse kust, in wat Brockhus ‘een onbedorven dorp’ noemt. Hij, de architect, wil er tot rust komen na zijn laatste project, de bouw van het gemeenschapscentrum van datzelfde dorp. Zij, de auteur, hoopt er een uitzonderlijk boek af te werken.

Zij heet Julia. Ze is het enige personage met een naam in een boek dat zich verder in haar afwezigheid ontwikkelt. Op de derde pagina al is ze spoorloos verdwenen. De 162 resterende pagina’s echoën de leegte die Julia achterlaat na haar verdwijning. De lezer volgt de gedachten van de architect en zijn herinneringen aan een relatie waar misschien al langer barsten doorheen liepen. De architect schetst voor de lezer een complex beeld van een mysterieuze vrouw die als kind al wilde verdwijnen in de trommel van de wasdroger.

In korte hoofdstukjes reikt Brockhus geleidelijk aan de puzzelstukjes van hun verhaal aan. Er is een ontmoeting in het zwembad, er zijn de nachten samen in bed doordrongen van nare dromen, de zwangerschap en de geboorte van een hulpeloos wezentje. Er is een boek dat geschreven moet worden en de bouw van een gloednieuw dorpscentrum, volledig gemaakt van glas.

Het is als lezer puzzelen om het hele verhaal compleet te krijgen. Ergens in die puzzel zijn de voortekenen te vinden die Julia’s verdwijning aankondigen. Maar dan nog blijft er veel ongezegd en ongeschreven. Brockhus geeft de lezer de vrijheid om de vele witregels tussen de alinea’s zelf in te vullen.

De rand

Wat Brockhus wel op papier zet, doet ze op geconcentreerde en onverbiddelijke wijze. De auteur formuleert haarfijne, pijnlijke zinnen die raken in al hun soberheid:

Op een meter of drie van de klifrand blijft hij staan. Verder, waar de diepte begint en je blik tientallen meters langs het ruige gesteente naar beneden wordt gezogen, gaat hij niet.

De koude wint duwt traanstrepen over zijn slapen.

Onder zijn jas gaapt zijn dochtertje met haar ogen dicht, alsof ze de laatste resten van de stoffige nacht uit haar lichaampje laat ontsnappen.  

Er is geen hek. Misschien ondoenlijk om in de kilometerslange brokkelende rand paaltjes te slaan, en wie wil vallen, vindt toch wel een weg.

Beneden het gebulder van de golven die in kolken en bellen tegen de stenen wand slaan.

Hij kijkt naar de grote lucht boven de zee, de asgrauwe kleuren boven de donkere watervlakte, de kleine veranderingen die trekken en duwen, alles gaat door.

Brockhus weet de wanhoop en het verdriet van een man die achterblijft met een pasgeboren baby zeer goed in woorden te vatten. En wat te kwellend is voor woorden verbeeldt de auteur in schreeuwende witregels die in al hun stilte verpletterend zijn. Op die manier ontstaan een unheimische sfeer: de dood is nooit veraf. Rondom het huis waar het koppel zijn intrek neemt, hangt ‘een geur van kleine dode dieren’.

Tijdens de wandelingen die de architect maakt in de dagen na Julia’s verdwijning, met zijn dochtertje als een warme klomp op zijn borst, botst hij overal op de vergankelijkheid van het leven. Het ‘onbedorven dorp’ blijkt bezaaid te liggen met dode dieren langs de kant van de weg. De tomatenplanten in de verwilderde tuin van het huis worden gewurgd door het oprukkende onkruid. Een schaap dat te dicht bij de rand komt, verdrinkt. De architect herinnert zich tijdens slapeloze nachten hoe ook Julia steeds de rand opzocht: ‘Ze balanceerde ergens tussen leven en sterven’, schrijft Brockhus. ‘Het schrijven was een laatste drift die haar van de ene dag naar de volgende hielp.’ Daarin verschilt Julia misschien niet zoveel van haar twee grote literaire voorbeelden: Virginia Woolf en Sylvia Plath. Net als hen wil Julia zich maar al te graag verliezen in haar schrijven.

Barsten

De behoefte om iets te maken en de drang om te verdwijnen zijn in Kleine haperende vluchten akelig nauw met elkaar verbonden. Het personage van Julia bewoont de flinterdunne rand tussen beide verlangens. Niet alleen haar schrijversambitie wijst op haar scheppingsdrift, ook het kind, volgens Julia ‘een unieke creatie van het lichaam, niet van het hoofd’, ontspruit uit haar verlangen om te maken, om iets toe te voegen aan deze wereld. De architect op zijn beurt is de maker van het dorpscentrum. Hij kiest daarbij voor glas, ‘omdat dat het meest expressieve materiaal is, niets leeft zo met de omgeving mee’. Zo blijkt, want een paar dagen na Julia’s verdwijning wordt in een van de glazen wanden een grote barst ontdekt.

Kleine haperende vluchten is een boek van barsten, breken en vallen. Het enige personage in het boek dat bestand lijkt tegen deze wrede krachten is het kleine, moederloze meisje. Haar schelle kreetjes doorbreken de gedachtestroom van de architect en roepen hem op om door te gaan. Maar wat zal de architect zijn dochter later vertellen als ze naar haar moeder vraagt?

Brockhus laveert tussen proza en poëzie om de kleine en grote haperingen die onze levens beheersen, te beschrijven. De auteur heeft alle overtollige woordenballast weggewerkt om dit verhaal over ouderschap en eenzaamheid, liefde en verlies zo puur mogelijk te vertellen. Het resultaat is een pijnlijk boek dat je naar de keel grijpt. Brockhus schotelt de lezer vragen voor die nog lang blijven nazinderen. Waar is Julia naartoe? Wie was Julia? En wie is ze nu, waar ze ook is? Maar vooral: waarom en hoe laat een moeder haar pasgeboren baby achter? Al die vragen blijven onbeantwoord in Kleine haperende vluchten, waardoor de lezer een beetje wezenloos achterblijft. En toch heeft het verhaal van Julia ook iets heel herkenbaars. Want verlangen we er allemaal niet naar om soms, al is het maar heel even, te verdwijnen?

 

Deze recensie door Siska Thuysbaert over Kleine haperende vluchten van Femke Brockhus werd mede mogelijk gemaakt door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV).

De Bezige Bij, Amsterdam, 2022
ISBN 9789403177717
165p.

Geplaatst op 09/12/2023

Tags: ANV, familie, familieverhaal, Femke Brockhus, ouderschap

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.