La Faustienne?

De vlammende wereld

Siri Hustvedt (vert. Auke Leistra)

De vlammende wereld is opgevat als een boek over het leven van een kunstenaar, Harriet Burden, geschreven door ene I.V. Hess. Aan de hand van tekstfragmenten – van interviews met mensen die Harriet of ‘Harry’ kenden tot fragmenten uit haar persoonlijke notitieboeken – toont het boek Harry’s plan om het seksisme in de kunstwereld theatraal bloot te leggen. Als vrouw van een belangrijke kunsthandelaar stond Harry lang in de schaduw van haar echtgenoot, de charismatische Felix Lord, maar na diens dood stort ze zich op haar eigen artistieke projecten. Ze biedt haar werk echter niet aan onder eigen naam maar verzint een experiment. Drie keer zoekt ze een partner die haar zijn mannelijke identiteit wil lenen, omdat ze ervan overtuigd is dat het werk van mannelijke kunstenaars anders bekeken wordt. Ze zet een samenwerking op met Anton Tish, een jonge Andy Warhol-dweper, met Phineas Q. Eldridge, een performancekunstenaar, en met de gladde videokunstenaar Rune. Het is na de laatste succesvolle tentoonstelling, ‘Beneath,’ dat de grote onthulling moet plaatsvinden. Een triomfantelijke finale wordt Harry echter niet gegund aangezien Rune het spel geslepener speelt. Kort voor zijn dood noemt hij Harry in een interview bij de naam van haar echtgenoot en claimt hij alle eer voor ‘zijn’ werk: ‘Harriet Lord is echt heel goed voor me geweest, ze verzamelt mijn werk niet alleen, maar heeft me ook op andere manieren gesteund. En in verband met Beneath beschouw ik haar als een muze.’ Bij ‘muze’ Harry ontketenen deze woorden een stormachtige woedeaanval: ‘ze vloekte en raasde en rolde met haar ogen,’ gooit haar servies aan diggelen, schrijft een weerwoord dat niet wordt geplaatst en valt ten slotte Rune aan op straat. Niets van dat alles haalt echter iets uit en Harry krijgt tijdens haar leven geen eer naar werk – ze blijft voor de buitenwereld ‘de vrouw van,’ een manwijf, een hysterica.

In zijn bespreking van De vlammende wereld in De Standaard bekent Christophe Van Gerrewey dat hij er tijdens het lezen van uitging dat de sekseloze fictieve auteur van De vlammende wereld, I.V. Hess, een vrouw is. Van Gerrewey legt uit: ‘Misschien dacht ik, onbewust: een boek over een feministische en gefrustreerde kunstenares – daar kan toch enkel een vrouw tijd en energie in stoppen?’ Mijn vooroordelen liegen er niet minder om. Een boek van tegen de vijfhonderd pagina’s over navelstaarderige artistieke teleurstelling, gemaakt door iemand die zich hult in doorzichtige initialen (I.V. of ‘Ivy’) en zich in het droge voorwoord voorstelt als hoogleraar esthetica met een drukke agenda? Dat moet een man zijn.

Het weerhouden van het geslacht van de verteller of geïmpliceerde auteur geldt niet bepaald als groots literair experiment. We weten het niet van de meest vertrouwd aandoende der vertellers, de alwetende, al lijken we ervan uit te gaan dat het bij Charles Dickens en consorten om een man gaat. Het zijn de Katherine Mansfields en de Jeanette Wintersons die het geslacht van de verteller graag opvallend verborgen houden, om zo een feministisch punt te maken over onze leesgewoontes.

Siri Hustvedt (1955) sluit zich bij hen aan. Ze kan zich als succesvol Amerikaans auteur qua media-aandacht meten met haar mannelijke collega’s (onder wie uiteraard die echtgenoot van haar), als ze hen al niet overklast. Het trucje met de auteur dat ze uithaalt in De vlammende wereld dient dus geen persoonlijk verhaal. Ze gebruikt het om de mechanismen aan het licht te brengen waarmee we de wereld structuur en betekenis geven. Zoals in al haar boeken, wil ze ons met deze roman laten nadenken over kijken – naar kunst, de geschiedenis, waanzin, elkaar.

De fictieve auteur is een professor, iemand die, zoals een politicus, een machtig instituut representeert. Iedereen weet dat er vrouwelijke hoogleraren bestaan, net zoals we weten dat er vrouwelijke politici zijn. En vrouwelijke advocaten en rechters, chirurgen, ondernemers en CEO’s, commandanten, vorsten, Nobelprijswinnaars. En toch. En toch vormde België een mannenregering, blijkt dat wij met al dat weten nog steeds niet veel bakken van academisch genderevenwicht, slagen ‘vokale’ onderneemsters er wonderwel in niet zo duidelijk in the picture te komen, en wordt een vrouwelijke topadvocate uitgenodigd in talkshows om het over haar stijl te hebben (o een paradijsvogel in een hanenring!). Dan weten we, hoop ik, dat er nog heel wat gevloek, geraas en gerol met de ogen nodig is voor we ook daadwerkelijk anders naar de wereld gaan kijken. Hustvedt raakt met haar roman een moeilijk punt aan. Het feminisme geldt niet (langer) als een prangende kwestie. De grote hordes zijn, in ons deel van de wereld, min of meer genomen: onderwijs, stemrecht, anticonceptie, gelijk loon voor gelijk werk. Toch komen macht, aanzien en ambitie doorgaans nog steeds met een wit, mannelijk, genetwerkt gezicht.

In september 2014 stelde het onlinekunsttijdschrift artnet aan twintig vooraanstaande vrouwen uit de kunstwereld de vraag: ‘Is the art world biased?‘ Het webplatform neemt zelf een duidelijk standpunt in. De redactie nam de enquête af precies omdat ze ervan overtuigd is dat het seksisme hoogtij viert. Daarvoor dient alleen maar gewezen te worden op de zoveelste tentoonstelling waar vrouwelijke kunstenaars niet of nauwelijks aanwezig zijn, op het prijzencircuit, het kunstonderwijs. Dat weten we natuurlijk ook. Daar wijzen de Guerrilla Girls ons al op sinds de jaren tachtig, met slogans als ‘Do women have to be naked to get into the Met. Museum?’ of de ironische opsomming ‘The Advantages of Being a Woman Artist’. Of die feministische rebellie de kunstwereld ook daadwerkelijk heeft veranderd? De antwoorden op de artnews-enquête, zo’n kleine dertig jaar na de eerste Guerrilla Girls-acties, zijn teleurstellend. Iedereen deelt het standpunt van het tijdschrift. Sommigen zijn gematigd positief en benadrukken de kansen die zij hebben gekregen, anderen wijzen lachend of razend op de cijfers. Persoonlijke succesverhalen lezen fijn weg, maar wat verontrust is dat de interventies van die enkele vrouwen aan de top van grote veilinghuizen, musea en galerijen bijzonder weinig aan het systeem hebben kunnen veranderen, even weinig als de Guerrilla Girls, die het systeem vanaf de buitenkant aanvallen.

De hopeloosheid van het individuele gevecht, daar gaat De vlammende wereld over. Harry Burden wordt geportretteerd als een imposante vrouw, en de passie en wrok die ze koestert zijn alomvattend, maar ze kan de kunstwereld niet in haar eentje veranderen. Ze pakt het nochtans slim aan: met haar mannelijke maskers gebruikt ze de mechanismen van het systeem. Daardoor lijkt het alsof de filosofisch onderbouwde feministische maskerade van Burden leentjebuur speelt bij, hoe absurd dit ook mag klinken, het corporate feminisme (als je het al feminisme kunt noemen) van Sheryl Sandberg, dat recent mocht zegevieren in de Verenigde Staten. Burden wil doen wat mannen doen. Precies dat, stelt Sandberg in haar boek Lean In (2013), is de sleutel tot succes voor vrouwen. Wil je het maken, dan moet je zichtbaar zijn, luid, aanwezig, en moet je harder je best doen. (Naast een boek heeft Sandberg ook een Lean In website gemaakt vol glossy advies voor hardwerkende vrouwen. Laten we leren van Sally Ride die in 1983 ‘het ultieme glazen plafond’ doorbrak aan boord van de Space Shuttle Challenger. Laten we minder denken en meer doen! Laten we eindelijk inzien dat het onze eigen angst om niet te slagen is die ons in de weg staat!! Laten we Hillary Rodham Clinton volgen op Instagram!!!)

Harry Burden, ‘een boom van een vrouw […] met alles erop en eraan,’ is ‘zichtbaar.’ Alle hoofden draaien als ze de straat op gaat. Ze kan brullen, ze is aanwezig en competitief. En ze doet wat de mannelijke kunstenaars met wie ze samenwerkt zo succesvol doen. Ze maakt zichzelf en geeft de kunstwereld een vorm die verkoopt: die van het jonge geweld, van de met identiteiten spelende queer performance artist, en van de ultieme selfmade man die het van arm jochie tot kunstenaar met geheimzinnig charisma schopte. Critici vallen voor haar slimme werk, maar de vorm die ze creëerde blijkt niet te kunnen worden vertaald naar die boom van een vrouw die, godbetert, wekelijks bij een psychiater langsgaat. Het systeem is met haar spel aan de haal gegaan. Het grote verschil met Sandbergs boek is natuurlijk dat Sandberg niet probeert om het systeem een hak te zetten en de loftrompet steekt met het individuele project. Als je maar genoeg je best doet, klinkt het bij haar, zal je zien dat er binnen het laatkapitalistische netwerk welwillende mannen klaarstaan om je tot hun gelijke te rekenen – gegrinnik hier en daar niet gelaten. Zo werkt het natuurlijk niet. Als Sandberg, die op geen enkele manier met de intellectuele en politieke geschiedenis van het feminisme aan de slag gaat, door de media wordt gekroond tot hogepriesteres van het feminisme, dan zijn we wel erg ver van waar we willen zijn.

Burdens plan om als geslepen solitair genie inzicht te krijgen in de mechanismen van de kunstwereld en die als onrechtvaardig te ontmaskeren, is tot mislukken gedoemd. Het is, zoals het in De vlammende wereld door haar partner wordt samengevat, ‘een faustiaans akkoord,’ een overeenkomst dodelijk voor de ziel. Het Faust-verhaal staat symbool voor de moderne zoektocht naar kennis, voor de wil de wereld te doorgronden. Veel macht, merkt de Amerikaanse dichter en essayist Lyn Hejinian op in haar beschouwende stuk ‘La Faustienne’, heeft Faust echter niet. Hij mag dan kunnen rekenen op toverkunst, het wordt hem verboden om te trouwen en het raadsel van de taal krijgt hij niet opgelost. Bij Christopher Marlowe heet het dat er ‘gevaar’ schuilt in woorden, bij Johann Wolfgang von Goethe maakt het lyrisch dilemma Faust chagrijnig. Nog meer dan die van Marlowe, is Goethes Faust een figuur die, met vroegkapitalistische honger, kennis en bezit vergaart. De relatie tussen ‘hij-die-wil-bezitten’ en het ‘te-bezitten-goed’ is een duidelijke machtsrelatie: de geleerde/industrieel verovert wat voorhanden ligt. Kennis, stipt Hejinian aan door naar William James te verwijzen in haar essay ‘The Quest for Knowledge’, is echter niet enkel ‘knowing of’ en ‘knowing that’ maar ook ‘knowing how’, altijd aan de gang. Tijd – de dubbele beweging van herinnering en verlangen – speelt een belangrijke rol in de manier waarop we naar iets kijken en leren kennen. Kennis komt niet in blokjes. Kennis beweegt, net als de zinnen waarin we kennis proberen vatten. Het mag geen verrassing zijn dat Faust er niet in slaagt het juiste woord te vinden. Hejinian gaat op zoek naar een alternatief voor het faustiaanse model van weten, en ze komt uit bij Scheherazade en de verhalen van Duizend-en-een-nacht.

Scheherazade is voor Hejinian de heldin van een bevrijdend, scheppend creatief proces. Terwijl Faust zijn ziel verkoopt voor kennis en ten prooi valt aan een nooit-genoeg, redt Scheherazade de hare door herinneringen te installeren en verlangen te creëren. Faust wil onduidelijkheden opgelost zien, hij beschouwt de wereld als een project, Scheherazade vertelt in het donker, wanneer er verschillende waarheden klinken. Faust wil het maken in de wereld, Scheherazade maakt een wereld.

Zit er ook een Scheherazade in Harry Burden? Aan het einde van De vlammende wereld werkt Harry tegen de tijd. Ook haar hangt een doodsvonnis boven het hoofd: ze is terminaal ziek. Hoewel ze wanhopig aan haar werk en aan alles wat ze nog wilde verwezenlijken denkt, moet zij afscheid nemen. En toch is het Harry’s einde dat de transformatieve kant van de kunst laat zien. Voor Harry zelf verdwijnt de affaire met Rune naar de achtergrond, al wenst ze nog steeds dat haar werk een plaats had gevonden en haar pseudoniemenproject werd begrepen. Hustvedts proza vindt hier, in die laatste pagina’s, een ontroerende kracht. Ze balanceert meesterlijk tussen een fijnzinnig ontleden van de wanhoop en het laten golven van de pathos. Ze toont de kunstenaar in de ban van herinneringen aan de geboorte van haar kinderen: ‘Dat moet het geheugen van het gezonde lichaam zijn, het vruchtbare lichaam voor het zichzelf levend begon op te vreten.’ En schoppend tegen het cartesiaans dualisme:

Elke stervende is een karikatuur van de cartesiaanse dualist, een persoon, gemaakt van twee substanties, res cogitans en res extensa. De denkende substantie gaat min of meer zijn eigen gang boven het opstandige lichaam dat gemaakt is van grove, verachtelijke materie en dat een verrader is van de geest, van dat verheven cogito dat blijft denken en praten.

In het laatste hoofdstuk krijgen we een blik op wat Harry’s werk teweeg kan brengen:

Ik voelde dat er iets belangrijks met me gebeurde en toen zag ik een vrouw op haar hurken op de grond zitten, niet een echt persoon, maar een flink standbeeld zonder haar. Ze had een heleboel mensen in haar hoofd, maar ook cijfers en letters, en ze sproeide cijfers en letters en mensjes uit haar geslacht, haar vagina, hoe dan ook, ik voelde dat er een grote grijns op mijn gezicht verscheen en ik liep naar haar toe om wat beter te kijken. Er is heel veel kunst die ik niet begrijp. Om eerlijk te zijn vind ik het vaak een beetje saai, maar dit was anders. Ik liet me op mijn handen en knieën zakken en begon om me heen te kijken naar al die kleintjes, en ik had het sacrale gevoel. Ik zei ook tegen Ethan [Harry’s zoon] dat ik het had. Ik spreidde mijn armen en zei: ‘Wauw,’ en toen zag ik haar. ‘Kijk,’ zei ik tegen hen. ‘Kijk, dat is Harry. Mag ik haar aanraken? […] ‘Kijk,’ zei ik, ‘ze loopt daar gewoon maar wat, helemaal blij en gezond, helemaal zichzelf, een beetje naar de lucht te kijken.’ Er waren waarschijnlijk iets te veel kleine sculptuurtjes voor hen geweest om tussen al die andere kleine mensjes hun eigen petieterige moedertje ook nog op te merken.

Het is niet de blik die we verwachten. De ‘ik’ is hier Sweet Autumn Pinkney, een in aura’s gelovend ex-vriendinnetje van Anton Tish, die handopleggend voor de stervende Harry gezorgd heeft. Ze observeert Harry’s werk niet met een erudiete blik maar met een intuïtieve, bijna kinderlijke nieuwsgierigheid. En ze ziet niet de maskers en de miserie, maar Harry en, zonder dat als dusdanig te kunnen duiden, Harry’s liefdevolle fascinatie voor het werk van Margaret Cavendish. Cavendish was een zeventiende-eeuwse filosofe en wetenschapper die met The Blazing World (1666) een sciencefictionverhaal/autobiografie/avonturenroman schreef en met vitalistisch geweld tegen het mechanistisch denken van de moderne wetenschap in dacht. Op dat moment wordt Harry’s werk uit de traditie en het discours gehaald die ze zo krampachtig wilde ontmaskeren. Sweet Autumn Pinkney is op geen enkele manier een ‘match’ voor Harry en toch is zij degene die doet wat Harry iedereen heeft gesmeekt te doen, van vader tot echtgenoot, kinderen en kunstwereld. Ze kijkt en ‘voelt’ de energie, de passie, de ziel.

Het vlak geschetste en bijna trieste personage Sweet Autumn Pinkney bezorgt De vlammende wereld geen groots slot – natuurlijk ‘voelt’ ze de energie, ze doet aan New Age. Maar ze zorgt er wel voor dat we na pagina’s en pagina’s goed geconstrueerd, maar ook bloedloos plot en uitgesponnen frustratie eindelijk krijgen waarnaar we hebben gehongerd, hongeren: een andere blik op een andere wereld, Harry als klein figuurtje tussen alle andere kleine figuurtjes, ‘blij en gezond, helemaal zichzelf’. Dat klinkt als de kern van de verhaaltjes die we elke avond voorlezen aan onze kinderen. Met dat verschil natuurlijk dat Harry een meisje is. En dat de magische kennis niet uit een toverstokje wordt gesproeid.

Links

De Bezige Bij, Amsterdam, 2014
ISBN 9789023482796
475p.

Geplaatst op 08/01/2015

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.