Poëzie, Signalement

Mythologiseren van verlangen

Lieve Ganymedes

Homo-erotische gedichten uit de middeleeuwen

Stijn Praet (vertaler en samensteller)

Voor het eerst verschijnt in de Nederlandse literatuur een bloemlezing met een twintigtal gedichten uit het Latijn die twee dingen met elkaar gemeen hebben, ten eerste zijn ze geschreven in het Europa van de middeleeuwen en ten tweede zijn ze uitdrukkingen van homo-erotische verlangens. Het sterkst aan de bundel Lieve Ganymedes. Homo-erotische gedichten uit de middeleeuwen, samengesteld en vertaald door Stijn Praet, is de toegankelijkheid van zulk specifiek materiaal voor een breed publiek. Daar zit meteen ook het knelpunt: de gedichten behoeven een uitgebreidere inhoudelijke bespreking dan in de uitgave gepresenteerd wordt.

De titel van de bundel zal de moderne lezer wellicht verbazen. Lang domineerde namelijk het halsstarrige beeld over de middeleeuwen als een tijd van religieuze dogma’s en intolerantie, een tijd waarin de Katholieke Kerk elk aspect van het leven overheerste. In mediëvistische kringen is dit beeld reeds vanaf de twintigste eeuw achterhaald, maar in de populaire cultuur wordt queerness, een moderne parapluterm voor genderidentiteiten die afwijken van de norm, nog steeds gezien als non-existent in middeleeuws Europa. Hoewel homo-erotiek niet werd aangemoedigd, was homo-erotische poëzie niet afwezig, zeker in het Latijn. Middeleeuws Latijnse poëzie was namelijk sterk beïnvloed door de klassiek Romeinse, zoals we lezen in het nawoord van Praet, dat fungeert als een inleiding op de gedichten en daarom het best als eerst gelezen kan worden. In dit nawoord licht de aan de Universiteit Gent verbonden literatuurwetenschapper ook zijn selectie van de gedichten toe en verklaart hij de naam in de titel van de bundel – de Trojaanse jongen Ganymedes was de mythische wijnschenker en geliefde van Jupiter – als de klassiek Latijnse mythe die als model werd gebruikt voor homo-erotische poëzie. Bij de mythe van deze Ganymedes zijn echter kanttekeningen te plaatsen vanuit een sociaal aspect. Praet merkt hierover terecht op:

Ergens is het wel een beetje pijnlijk dat net dit verhaal, waarin een jongen wordt overmeesterd en ontvoerd door/op bevel van een machtige oudere man, is uitgegroeid tot één van de grote referentiepunten voor homo-erotiek in de Europese letteren.

Door de dichters werd niet het perspectief van Ganymedes zelf, maar dat van Jupiter ingenomen. Ook in de gedichten van deze bloemlezing weet de lezer niet of de begeerde jongen de gevoelens van het lyrisch ik wel beantwoordt. Niettemin gaat het in de gedichten juist om de voorstelling van erotisch verlangen en wordt de mythe van Ganymedes daarbij gebruikt als kader voor de aantrekkingskracht van een jonge knaap.

Ieder gedicht uit het Latijn is voorzien van een Nederlandse vertaling op de rechterpagina en een bondig commentaar achterin het boek. Het sterkst aan Praets vertalingen is zijn aandacht voor de vorm. Hij behoudt bijvoorbeeld de erotische metaforen en het eindrijm in de gedichten. Dit maakt dat de lezer die niet vertrouwd is met het Latijn kan genieten van het poëtische aspect van de gedichten, terwijl de lezer die wél het Latijn beheerst, wordt geprikkeld, want welke keuzes zijn er gemaakt door de vertaler? En welke alternatieven bestaan er?

Het is echter jammer dat de vertaling veelal slechts op een paar punten inhoudelijk wordt besproken in het commentaar, terwijl zo’n aanpak de ideeën die minder belangrijk maar wel interessant zijn, niet belicht. Een goed voorbeeld in dit kader is het eerste gedicht in de bundel, ‘De roof van Ganymedes’:

Hildebert van Lavardin – De roof van Ganymedes

 

De ogen, wangen, hals en het golvend blonde haar

van Ganymedes schroeiden Jupiter.

 

Nog even vroeg de god zich af of hij wel mocht,

besloot toen dat men alles mag met jongens.

Zijn koningschap, de godenroddels, Juno’s wrok,

zijn zelfbedwang, het kon hem niet weerhouden.

Dus steeg hij op met zijn Trojaan, een nieuwe ster.

Als nooit tevoren voelde hij zich god.

 

Zijn jongenshoertje was een streling voor de zinnen:

’s avonds schonk hij wijn en ’s nachts zijn lippen.

Praet kiest voor ‘[Hij] besloot toen dat men alles mag met jongens’ als vertaling van het Latijnse vers ‘in puero statuit cuncta licere deus’. Letterlijk staat er: ‘De god had besloten dat alles vrijstond in de omgang met een jongen.’ Praets vertaling negeert een significant detail: het woord ‘deus’, dat ook op een paar andere plekken in dit gedicht voorkomt. Terugkerende woorden worden in Latijnse poëzie gemarkeerd, dus het woord ‘deus’ kan niet ontbreken in de vertaling. In dezelfde strofe komt het woord bijvoorbeeld nog eens terug als wordt vermeld dat Jupiter zich pas echt een god voelde na het meenemen van Ganymedes naar de hemel als zijn lief. Jupiter wordt nadrukkelijk gepresenteerd als god, en het fraaie is dat de scheiding tussen mens en god letterlijk terugkomt in het Latijn als de woorden ‘puer’ (jongen: Ganymedes) en ‘deus’ (Jupiter) elk aan één uiteinde van het vers staan, lijnrecht tegenover elkaar als twee partijen; de laatste weet de eerste te overmeesteren en herstelt daarmee zijn macht. Daarom is het jammer dat Praet de spanning tussen wat goden geoorloofd is en wat mensen geoorloofd is niet expliciet maakt in zijn vertaling.

In de commentaren op de gedichten schetst Praet kort en bondig de context waarin deze zijn geschreven en geeft de mogelijke interpretaties. Hier staat ook relevante informatie over de auteur – mits die bekend is, omdat er ook een aantal anonieme epigrammen is dat Praet interessant genoeg vond om op te nemen in de bundel – en terecht: ook deze gedichten voegen rijkdom toe aan het geheel en vlakken het ongenuanceerde beeld van de intolerante middeleeuwen af. Een van de anonieme gedichten is ‘Treurlied’, door de Duitse letterkundige Ernst Robert Curtius in de twintigste eeuw een van de parels der middeleeuwse poëzie genoemd. Het eerste vers van het Latijnse gedicht luidt ‘O admirabile Veneris idolum’ (Praet: ‘Ach, mijn aanbiddelijke afgod van de minne’). Het gedicht staat bol van de allusies naar de Grieks-Romeinse mythologie, in het bijzonder naar de oorsprongsmythe van de mens zoals verteld in de Metamorphoses (8 n. Chr.) van de Romeinse dichter Ovidius: het echtpaar Deucalion en Pyrrha dat na een zondvloed nieuwe mensen creëerde uit losse stenen. De jongen die door de ik-figuur wordt begeerd, wordt in de eerste strofe geprezen om zijn schoonheid als van een marmeren beeld (men denke aan de Venus van Milo uit omstreeks 130 v. Chr.), maar als die liefde niet wordt beantwoord, besluit de ik-figuur zijn monoloog klagend dat de jongen gehouwen is uit het ruwe steen van het Ovidiaanse scheppingsverhaal.

Praet licht de mythologische allusies toe om die toegankelijk te maken voor de lezer die deze niet (her)kent. Ook verwijst hij naar vergelijkbare poëtische gemeenplaatsen buiten Europa, zoals de middeleeuws Arabische ghazals die eveneens monologen van een melancholische aard zijn. Hij interpreteert het gedicht als een serieuze klaagzang, wellicht omdat de manier waarop de mooie jongen wordt beschreven als godenbeeld uit de oudheid associaties oproept met een ander bekend werk waarin een vergelijkbare metafoor wordt toegepast: Thomas Manns tragische novelle De dood in Venetië (1912). Mij lijkt het gedicht echter homo-erotische verlangens subtiel om te zetten in louter bewondering voor klassieke kunstvormen, waardoor de aantijging van homoseksualiteit kan worden vermeden.

De dichters die wél bij naam bekend zijn, hebben in veel gevallen meerdere gedichten over homo-erotiek geschreven. Een van hen is Baudri van Bourgueil, een Franse abt uit de twaalfde eeuw, die vaak de grens tussen vriendschap en erotiek laat vervagen in gedichten die ook wel ‘passionele vriendschapspoëzie’ worden genoemd. In het commentaar op een van Baudri’s gedichten, dat Praet ‘Afscheid’ heeft getiteld, is te lezen dat Baudri inspiratie putte uit het prozaïsche werk over het belang van hechte vriendschap tussen mannen van de cisterciënzerabt Aelred van Rievealx in de twaalfde eeuw. Men zou zich af kunnen vragen of een gedicht met de titel ‘Afscheid’ niet een passend slotgedicht zou zijn voor de bundel, maar Praet komt met iets meesterlijkers: een excerpt uit een briefgedicht van Baudri dat hier als los gedicht is opgenomen en de titel ‘Apologie’ heeft gekregen. In het commentaar op dit gedicht haalt Praet een vaak geciteerd vers aan van Ovidius: ‘vita verecunda est, Musa iocosa mea’ (Praet: ‘Mijn leven is moreel, mijn Muze speels’, Tristia II.4). Dit vers is een belangrijke inspiratiebron geweest voor latere, gewaagde, Latijnse poëzie over homo-erotisch verlangen, omdat de dichter zich beroept op Ovidius’ poëtische licentie om zichzelf vrij te pleiten van zondige ideeën.

Kunnen we na het lezen van deze bloemlezing concluderen dat er vrij werd omgegaan met homoseksualiteit in middeleeuws Europa? Dat zou een ietwat optimistische conclusie zijn. Het moge in ieder geval duidelijk zijn dat er wel degelijk een bewuste scheiding was tussen de werkelijkheid en poëzie: in gedichten is alles geoorloofd.

Een signalement door Tugba Altin over Lieve Ganymedes. Homo-erotische gedichten uit de middeleeuwen, samengesteld door Stijn Praet.

Poëziecentrum, Gent, 2021
Vertaald door: Stijn Praet
ISBN 9789056553494
88p.

Geplaatst op 31/12/2021

Tags: Homoseksualiteit, Latijn, Middeleeuwen

Categorie: Poëzie, Signalement

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.