Non-fictie, Recensies

Monsters, macht, seks en gedaantewisselingen

Medusa in de spiegel

Wat mythen ons vertellen over wie we zijn

Jacqueline Klooster

‘Mythologie biedt speelruimte voor diversiteit,’ stelt universitair docent Griekse taal en cultuur Jacqueline Klooster in een interview met Nemo Kennislink over haar nieuwste publicatie Medusa in de spiegel. Klooster studeerde klassieke talen in de jaren negentig en vroeg zich toen af hoe het zat met vrouwen in de oudheid, waarom ze zo onzichtbaar zijn in historiografische teksten en waarom er vooral over hen werd geschreven in plaats van door hen.

Tijdens haar opleiding zag Klooster dat het beeld van vrouwen grotendeels is bepaald door mannen. In de Griekse mythologie komen veel vrouwen voor, maar vaak ontbreekt het hen aan enige agency. Zo wordt de nimf Daphne achternagezeten door de verliefde Apollo en kan ze alleen aan hem ontsnappen door haar menselijkheid op te geven en te transformeren in een boom. Persephone wordt meegenomen door de god van de onderwereld en wordt zo een levende dode. Io, de dochter van een riviergod, wordt verkracht door Zeus, die haar vervolgens in een koe verandert om haar te verbergen voor zijn jaloerse echtgenote. Medusa is een bloedmooie vrouw op wie Poseidon zijn oog laat vallen; ze wordt door hem verkracht in een tempel en wordt dan door de godin aan wie de tempel toebehoort veranderd in een monster.

In veel mythen worden vrouw-zijn en onmacht aan elkaar verbonden. Daarom was het voor Klooster schokkend om een personage als Io op college te bespreken als een van de ‘liefdes’ van Zeus. Vanuit Zeus’ perspectief klopt die benaming misschien wel, maar hoe zou Io zichzelf beschrijven?

In Kloosters studietijd was er weinig aandacht voor dit soort vragen. Vrouwen waren immers geëmancipeerd, was het heersende idee, dus het was niet meer nodig feminist te zijn. Juist door die emancipatie merkten vrouwen echter op dat ze nauwelijks voorkomen in de geschiedenisboeken of in de canonieke literatuur. Alsof ze niet bestonden, of alsof hun bestaan nietszeggend was.

Mythes en #MeToo

Inmiddels is er meer bewustzijn dat dit het gevolg is van het patriarchaat dat al in de oudheid is ontstaan. Zo was de Atheense democratie, hoe revolutionair ook, niet democratisch in de huidige zin van het woord: alleen mannelijke burgers wier voorouders in Athene geboren waren, mochten deelnemen aan de volksvergaderingen. Daarmee werd minstens de helft van de bevolking – namelijk vrouwen, migranten en slaafgemaakten – niet gerepresenteerd.

Klooster noemt behalve het feminisme ook dekolonisatie als ingrijpende sociale verandering in de twintigste eeuw die zijn weerslag heeft op de literatuurwetenschappelijke discussie en op de literatuur zelf. De behoefte ontstond namelijk om een tegengeluid te laten horen tegen de literaire canon die lange tijd werd gedomineerd door rijke, witte mannen. Er was meer belangstelling voor ‘de Ander’, een concept dat in postkoloniale en feministische benaderingen wordt uitgelegd als een verwijzing naar mensen die afwijken van de norm: wit, rijk (machtig), heteroseksueel, man.

In de eenentwintigste eeuw kwam bovendien een nieuwe mondiale beweging op die machtsmisbruik en seksueel geweld jegens vrouwen aankaart: de #MeToo-beweging. De grondbeginselen werden al in 2006 gelegd door de zwarte activiste Tarana Burke, maar de beweging verwierf pas bekendheid op sociale media nadat meerdere populaire actrices de invloedrijke filmproducent Harvey Weinstein beschuldigden van seksueel machtsmisbruik. In deze periode kwam Klooster voor het eerst in aanraking met moderne hervertellingen van Griekse mythen van vrouwelijke auteurs vanuit het perspectief van een vrouw.

Zowel #MeToo als de hervertellingen riepen bij Klooster herinneringen op aan haar eigen studietijd. Ze besloot te onderzoeken wat die hervertellingen precies deden en hoe ze omgingen met de brontekst. Het boek met de veelzeggende titel De stilte van de vrouwen (oorspronkelijk: The Silence of the Girls, 2018) van Pat Barker gaat bijvoorbeeld over Briseïs, de jonge vrouw die slechts een bijrol had in de Ilias van Homerus. In de originele tekst was ze de trofee van de centrale held Achilles en van koning Agamemnon en werd ze heen en weer geslingerd tussen beide mannen, maar in Barkers boek is ze de ik-verteller en beschrijft ze in de tegenwoordige tijd wat haar overkomt.

De lijst met dit soort hervertellingen groeit alsmaar. Bovendien verschijnen er non-fictiewerken over vrouwen in de oudheid en zelfs fan-fictie met aandacht voor diversiteit, waarin bijvoorbeeld Achilles een transvrouw is – niet met als hoofdreden om aan te sluiten bij de queerbeweging, maar om dichter bij de brontekst te blijven.

Een patriarchale literaire wereld

In Medusa in de spiegel. Wat mythen ons vertellen over wie we zijn probeert Klooster deze werken in een context te plaatsen. Een sterk punt is dat ze niet alleen de teksten bespreekt, maar ook schilderijen, toneelstukken en films die de bekende verhalen hervertellen. Allereerst biedt ze een theoretisch kader en gaat ze in op de vraag waarom mythen ‘moeten’ worden herverteld. Ze doet dit aan de hand van een aantal concepten uit de literatuurwetenschappen, met name écriture féminine van de Franse wetenschapper Hélène Cixous.

Cixous betoogde in haar essay Le Rire de la Méduse (‘De lach van Medusa’, waar Klooster haar titel op gebaseerd heeft) uit 1975 dat vrouwen taal moeten ‘stelen’ van mannen. Ze licht dit toe aan de hand van het monster Medusa, die mensen – vooral mannen – versteent door oogcontact met hen te maken. Volgens Cixous is Medusa alleen een monster omdat ze is vormgegeven in een patriarchale literaire wereld:

Zodra je inziet dat het idee dat de vrouw als ‘de ander’ een (masculiene) culturele constructie is, zul je door de vooroordelen en stereotypen heen prikken, en zul je vrouwen kunnen zien voor wat ze echt zijn. Geen monsters, niet anders, maar gewoon zichzelf, en mooi als zodanig. Dat is dus wat Medusa in de spiegel ziet.

Vrouwelijke auteurs die schrijven over Medusa en over andere vrouwen die slechts als nevenpersonages voorkomen in het verhaal van een man, creëren zo literatuur die niet wordt gedomineerd door mannen.

De eerste mythe die Klooster bespreekt, is die van Pygmalion. Dit is een treffend begin, omdat dit verhaal en de verhalen die ermee samenhangen het beeld hebben geschapen van de zondige vrouw die onder de duim gehouden moet worden door een man. De beeldhouwer Pygmalion is namelijk verontrust – of misschien vooral geïntimideerd – door de vrouwen om hem heen, die hij verderfelijk vindt. Daarom maakt hij een vrouw van ivoor die precies voldoet aan zijn verwachtingen. Hij wil alleen deze vrouw die hij zelf schept (maar geen naam geeft) en geen ander. Wanneer de godin van de liefde en seksualiteit, Aphrodite, ervoor zorgt dat het beeld tot leven komt, is hij door het dolle heen en trouwt hij met haar. De mythe van Pygmalion is zo het verhaal van een man die bepaalt hoe een vrouw eruit hoort te zien en hoe ze zich hoort te gedragen.

Klooster merkt op dat dit verhaal, zoals veel Griekse mythen die zijn overgeleverd door de Romeinse dichter Ovidius in zijn Metamorfosen (‘Gedaantewisselingen’), impliciete incestueuze ondertonen heeft omdat de mythe die eraan voorafgaat die van Myrrha is, die verliefd wordt op haar vader. Ovidius lijkt Pygmalion neer te zetten als de vader van de naamloze vrouw die hij creëert. Daarbij is ‘meisje’ misschien een betere term, want een kind blijkt makkelijker te kneden en te vormen dan een volwassen vrouw.

Voor de mannen die geen liefdesgodin tot hun beschikking hebben die hen de macht geeft hun eigen schepsels te creëren, is het volgens dit soort verhalen een natuurlijk gegeven om een afkeer te hebben van vrouwen. Dat wordt bijvoorbeeld getoond in de mythe van de schepping van de eerste vrouw, Pandora, die door de goden juist wordt gecreëerd als eerste vrouw om een man te straffen, niet om hem te belonen.

Klooster koppelt de Pandoramythe aan het Bijbelboek Genesis en de schepping van de eerste vrouw, Eva, uit een rib van Adam. Net als Pandora is Eva de oorzaak van de erfzonde, omdat ze Adam verleidt om tegen God in te gaan. Eva en Pandora laten zien hoe vrouwen ‘nou eenmaal zijn’ en Pygmalion laat zien hoe mannen ze kunnen ‘heropvoeden’.

In Madeline Millers hervertelling Galatea (2013) gaat het iets anders: in de eerste plaats heeft het beeld een naam, Galatea, en in de tweede plaats beschrijft ze een uiterst dominante echtgenoot die haar verbiedt te lezen en te schrijven en haar weghoudt bij hun kind. De incestueuze ondertonen die in Ovidius voorkomen, verwerkt Miller door Pygmalion op te laten merken dat de dochter die hij deelt met Galatea al net zo mooi is als haar moeder. Dit is niet het liefdesverhaal van Ovidius, maar een mogelijk vervolg erop. Het is namelijk de vraag of een man die een vrouw als zijn eigendom ziet, tolereert dat zij haar eigen keuzes maakt. Ook buiten de literatuur komt dit voor: de ervaring van de Nederlandse Nadia Rashid toont opvallend veel gelijkenissen met het verhaal van Galatea.

Speelruimte voor diversiteit

De andere mythes die centraal staan in Kloosters boek zijn achtereenvolgens Medusa, Helena, Medea, Antigone, Achilles en Briseïs, Daphne, Persephone en Clytemnestra. Een slim detail is dat het hoofdstuk over Helena, de mooiste vrouw ter wereld, direct volgt op het hoofdstuk over Medusa, een angstaanjagend monster met slangenhaar en een dodelijke blik. Medusa was echter een beeldschone vrouw, net als Helena, voordat ze in een monster veranderde en net als bij Helena werd haar aantrekkelijkheid haar ondergang. Poseidons verkrachtte haar en daarna werd niet hij, maar zij gestraft.

Klooster toont dat Ovidius’ verhalen complex zijn en aandacht vragen voor het lot van vrouwen, maar dat een aantal bekende kunstwerken uit de Renaissance een ander beeld van de mythen scheppen. Cellini’s Perseus met het hoofd van Medusa (1554) presenteert Perseus als de held en Medusa als een monster, maar wie is eigenlijk precies het monster? Medusa, slachtoffer van verkrachting, of Perseus, die haar onthoofdt? Die vraag probeerde componiste Saskia Venegas te beantwoorden in de muziektheatervoorstelling Medusa (2023). Op gelijke wijze lijkt Bernini’s sculptuur Apollo en Daphne (1625) de vereniging tussen Apollo en Daphne, die door Daphne zo werd verafschuwd, te verheerlijken.

Bijzonder is dat Klooster het Daphne-hoofdstuk juist níet begint met deze sculptuur, maar met het minder bekende schilderij Daphne (2015) van de zwarte kunstenares Elizabeth Colomba. De centrale figuur daarin is een jonge zwarte vrouw die angstvallig een lier (Apollo) in de gaten houdt. Hiermee brengt Colomba op een meesterlijke manier de straffeloosheid en zelfs verheerlijking van mensenroof in verband met slavernij aan de hand van de klassieke mythologie, die in het Westen wordt gezien als het toppunt van cultuur, waar de Ander (de slaafgemaakten of andere mensen uit de koloniën) geen deel van uitmaakte.

Klooster is gedurende het hele boek voorzichtig met het geven van haar mening over de hervertellingen of de theorieën die ze bespreekt. Ze is alleen uitgesproken over een aantal bewerkingen van Clytemnestra’s mythe. In Aeschylus’ Agamemnon doodt Clytemnestra haar man Agamemnon omdat hij hun dochter Iphigeneia heeft opgeofferd, maar ze doodt ook zijn in Troje buitgemaakte slavin Cassandra, zonder duidelijke reden.

Misschien de opmerkelijkste wijziging in de moderne versies is dat Clytemnestra’s wrede moord op de Trojaanse prinses Cassandra steevast resoluut vergoelijkt of weggepoetst wordt. […] Het is duidelijk dat dat moment de toeschouwers van Aeschylus’ tragedie de rillingen over de rug moest laten lopen: wat een schokkende bloeddorst en verdorvenheid! Deze vrouw is een monster! Zo gaat het uiteraard niet in de moderne romans. Dat leidt bijvoorbeeld tot het paradoxale, maar ingenieuze scenario: Cassandra, getraumatiseerd en aan het einde van haar krachten, geeft Clytemnestra een teken dat beduidt: ‘Doodt me, ik wil niet meer leven.’

Hervertellingen die het bronmateriaal lijken te ‘corrigeren’ en een beeld scheppen dat vrouwen bijna geen fouten maken, doen geen recht aan de complexiteit van de mythes en manipuleren de werkelijkheid, stelt Klooster. Over de andere hervertellingen velt ze echter geen oordeel.

Klooster laat de lezer via de selectie van hervertellingen kennismaken met soms minder bekende maar fascinerende werken. Zo refereert ze in het kader van de vriendschap en mogelijk seksuele relatie tussen Achilles en Patroklos aan het nog oudere Mesopotamische verhaal van Gilgamesj en Enkidu en neemt ze een recente vertaling ervan op in de sectie ‘verder lezen’. (De almaar groeiende lijst van hervertellingen wordt door Klooster trouwens zelf bijgehouden op de website Hic et nunc, waar lezers op zoek kunnen gaan naar interessante titels met de inzichten van de uitvoerige besprekingen van de auteur in het achterhoofd.) Op die manier komen lezers van Medusa in de spiegel. Wat mythen ons vertellen over wie we zijn van Jacqueline Klooster erachter dat er meer interessante beschavingen waren in de oudheid dan alleen de Griekse en Romeinse. Mythologie blijkt met zo’n houding inderdaad speelruimte te bieden aan diversiteit.

 

Een recensie door Tugba Altin over Medusa in de spiegel. Wat mythen ons vertellen over wie we zijn van Jacqueline Klooster.

Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2025
ISBN 9789025317140
224p.

Geplaatst op 20/12/2025

Tags: Feminisme, Griekse mythologie, hervertelling, Jacqueline Klooster, Medusa

Categorie: Non-fictie, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.