Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Met Le vin est tiré… schaarde Robert Desnos zich in 1943 nadrukkelijk onder de schrijvers van littérature engagée. Dat engagement wordt expliciet in het voorwoord uitgesproken: ‘Onderhavig boek probeert aan te tonen […] dat sociale omstandigheden verantwoordelijk zijn voor de elke dag toenemende verspreiding van drugs.’ ‘Over twintig jaar’, zo waarschuwde de Franse Desnos destijds, ‘zullen drugs zich over alle lagen van de bevolking hebben verspreid, misschien zelfs tot op het platteland, en dan zal het te laat zijn om de strijd ertegen te winnen.’ Meer dan tachtig jaar later heeft hij helaas overschot van gelijk gekregen.
In tegenstelling tot wat we van de eerste surrealisten zouden verwachten, was Desnos de enige onder hen die recreatief drugs gebruikte. Voor Le vin est tiré…, nu door John Fenoghen vertaald als Een opiumliefde, putte hij uit zijn eigen ervaringen met de opiumplant, die een rechtstreeks gevolg waren van zijn verliefdheid op de Belgische zangeres Yvonne George (in deze roman Barbara Durand geheten). Antoine Maison – Desnos’ alter ego – kan Barbara slechts benaderen door mee opium te roken: ‘Door haar had hij de drug leren kennen, door de drug probeerde hij haar beter te leren kennen.’ (De vertaling is over het algemeen zorgvuldig en helder. Eén terugkerend minpuntje: het letterlijk vertaalde ‘ondanks zichzelf’ voor malgré lui/elle/eux/elles; ‘ongewild’ of ‘tegen wil en dank’ zou natuurlijker hebben geklonken.)
Opvallend is wat Desnos niet doet. In tegenstelling tot een groot deel van de opiumliteratuur –Thomas de Quincey in Confessions of an English Opium-Eater (1821), Charles Baudelaire in Les paradis artificiels (1860), de psychedelische literatuur van Carlos Castaneda, … – kiest hij niet voor een exuberante beschrijving van hallucinaties en metafysische ontwrichting. Er zijn weliswaar koortsdromen, visioenen en paranoïde momenten, maar zelden wordt de ontregeling van de werkelijkheid tot in haar ontologische kern doorgedacht. Desnos gebruikt opium niet als esthetische springplank. (In zijn nawoord zegt Fenoghen dat er geen enkel bewijs voor is dat Desnos ooit opium gebruikte om zijn creativiteit te verhogen.) Zijn aandacht gaat elders heen: naar de groepsdynamiek tussen gebruikers. Meestal is die geforceerd en banaal. Gesprekken klinken verheven in de nacht (‘Goddelijke woorden, taal van de sferen…’), maar lossen bij dageraad op in vergetelheid of teleurstelling. De roes produceert geen openbaring, slechts overschatting.
De roman is een tableau van verschillende opiumgebruikers, onder wie Antoine (de enige die niet verslaafd raakt), Barbara (de spilfiguur van de groep), Courvoisier (met gefnuikte wetenschappelijke ambities), Auportain (die zijn ouwe dag ‘in de rook van opium’ wil hullen), Dondlinger (een loodgieter die zich door Barbara – en haar opium – laat verleiden) en Columot (die in opium een ‘tovermiddeltje voor de eeuwige jeugd’ zoekt). De variatie in leeftijd, achtergrond, geslacht en klasse suggereert een bijna sociologische ambitie. Maar het tableau heeft een prijs. De roman is kort, de personages talrijk. Het individuele traject – vóór, tijdens en na de verslaving – wordt slechts in contouren zichtbaar. Wie interioriteit verwacht, kan beter de Quincey lezen. Tegelijk is het bewonderenswaardig hoeveel Desnos in dit beperkte bestek weet te condenseren: sterfgevallen die geen verdriet maar ‘sentimenteel gekwebbel’ oproepen; afkickpogingen die neerkomen op voortdurend uitstel of onmiddellijke terugval; heroïne of laudanum als noodoplossing wanneer opium ontbreekt; de wetenschap dat de toekomst altijd door de herinnering aan drugs getekend zal blijven.
In Desnos’ versie van Parijs – eens zo wreed omdat het zo mooi is – wordt verslaving een vorm van zelfenscenering, een manier om zichzelf een rol toe te bedelen in een stad die anders onverschillig voorbijstroomt. De personages spreken af in de taverne Rendez-Vous des Pêcheurs (‘Afspraak van de Vissers/Zondaars’). Die dubbelzinnige naam legt al bloot hoezeer hun bijeenkomsten dreigen te verglijden van hobby naar moreel verval. Hun vriendengroep functioneert als een klein theatergezelschap, met acteurs, figuranten en wisselende decors – Desnos’ taal is doordrongen van die metafoor. Ieder weet welk toneeltje hij moet opvoeren om aan het spul te raken. Zodra ze de drug te pakken hebben, spelen ze eens te meer komedie. Interessant zijn wordt een belangrijke opdracht, maar doen ze interessant om aan drugs te komen of nemen ze drugs om interessant te zijn? Doelen en middelen lopen in elkaar over.
Onderlinge relaties worden geregeerd door egoïsme dat zich slechts voor even laat verwarren met kameraadschap. Desnos’ opiumgebruikers vrezen de eenzaamheid, ‘zijn doodsbang voor de verveling en de weemoed die eruit voortkomt en geven de voorkeur aan ruzie en ergernis’. Wat hen bindt, is minder genegenheid dan de angst om alleen te moeten zitten met hun eigen gedachten. Vriendschap blijft hangen bij de ondergrens van samen de leegte te bezweren. Zodra de rook optrekt, blijven er vooral schulden, irritaties en gekrenkte ijdelheden over. ‘Het was met hen als met alle andere groepjes die spontaan samenklitten rond een ondeugd of gewoon een gemeenschappelijke smaak.’ Hun gemeenschap is geen morele ruimte maar een decor waarin men zijn verslaving spiegelt aan die van de ander, zodat ze draaglijker lijkt. Zelfs conflicten – wie leent van wie, wie heeft meer recht op de laatste pijp – worden onderdeel van het spel, noodzakelijke scènes die de illusie van verbondenheid in stand houden. In die zin is hun samenzijn niet de ontkenning van hun isolement, maar de tragische bevestiging ervan.
Een van de meest verontrustende motieven is de verschuiving van aandacht. Terwijl Artenac ligt te sterven, amuseert Antoine zich met het afwegen of de deur ‘wijd open’ dan wel slechts ‘open’ staat. Morele intuïtie lost op in trivia en de geest wordt door de opium weggeleid van waar de kern van het leven zich afspeelt. De doden leveren gespreksstof in plaats van rouw: ze worden snel verscheept naar ‘het rijk van herinneringen en toespelingen’. Klasseverschillen verdwijnen misschien even in de rook, maar keren des te brutaler terug. Dat wordt het duidelijkst in de figuur van Dondlinger: hij leent van de rijke Barbara, kan niet terugbetalen en slikt de beledigingen. ‘Hij had zich onherroepelijk tot slaaf gemaakt,’ is Desnos’ harde verdict.
Wanneer inspecteur Estival uitlegt dat de politie het probleem verergert, dat men beter verslaafden zou registreren en officieel voorzien van drugs, klinkt plots de stem van het voorwoord door. Het wetenschappelijke inzicht lijkt verrassend modern voor een inspecteur in de jaren veertig. Auportain is nog zo’n stem van de rede: hij fulmineert tegen een systeem dat verslaafden als schuldigen behandelt in plaats van als slachtoffers van ‘het sociale systeem’. Hier duwt Desnos zijn roman in de richting van een manifest, terwijl het narratief alleen had volstaan. De ervaringen van de geïnterneerde Arichetti, ‘speelbal van administratieve beslissingen’, tonen al genoeg hoe sociale structuren individuen vermalen.
Zoals de Nederlandse titel aangeeft, staat in dit boek het onvermogen tot liefde centraal, heel mooi opgetekend door Desnos, zoals hier voor Antoine: ‘De drugs sublimeerden de liefde ten koste van het verlangen. Hij vond er een sentimentele bevrediging in die hem verwijderde van zijn doel, van de fysieke verwezenlijking van dat verlangen. Hij associeerde Barbara met een fantoom dat er zoals zij uitzag en dat hij onbewust verkoos boven haar menselijke persoon.’ Columot formuleert het nog radicaler: ‘De opium staat tussen ons,’ zegt hij tegen Barbara. Na een kus beseffen ze dat er tussen verslaafden geen vereniging ontstaat, enkel een gedeeld tekort. Liefde is amper mogelijk, want beloftes zijn voor verslaafden niets waard: ze wijken altijd voor de verslaving. Twee mensen kunnen hoogstens samen varen op een ‘verloren tijd die almaar groter wordt’.
Een opiumliefde is geen extatische afdaling in de roes, maar een koele anatomie van afhankelijkheid. Desnos toont hoe sociale structuren en emotionele leegte samen een milieu vormen waarin opium geen avontuur is maar compensatie. Daarin schuilt de grootste kracht van de roman: Desnos weigert te romantiseren, zonder daarom in het andere uiterste te vervallen en de aantrekkingskracht van drugs te ontkennen. Geen verrukkelijke trip, geen creatieve ontremming – slechts mensen die zich in verdovende rook hullen omdat de werkelijkheid ondraaglijk is en de liefde ontoereikend. ‘Alleen dwaasheid, zonder grootsheid.’
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.