Proza, Recensies

Veel data, geen vleeswording

Lookalikes

Thomas Meinecke (vert. Sebastian Roth)

Lookalikes (2001) is een roman over uiterlijkheden en het kopiëren, imiteren, documenteren en theoretiseren ervan. De oppervlakte is wat de Duitse schrijver Thomas Meinecke (1955) interesseert. Zijn werk wordt ‘popliteratuur’ genoemd, maar daar geeft de auteur een eigenzinnige invulling aan. ‘Pop’ wijst voor de auteur niet zozeer op zijn vele referenties aan populaire cultuur, als wel op het eindeloze benoemen en opsommen van wat hij ziet, hoort en leest. Walt Whitman en Andy Warhol zouden, als ‘grote opsommers’ en ‘tautologen’, de voorvaders van het genre zijn, maar Meineckes directe inspiratiebron is Hubert Fichte (1935-1986), de Duitse auteur van de onvoltooide romancyclus Die Geschichte der Empfindlichkeit (1987-2006). In Lookalikes zegt een onderzoekster over Fichte dat hij zich ‘geen inzicht aanmatigt, maar de dingen slechts samenbrengt, in principe dus woordketens vormt, clusters. […] Massa’s begrippen opeenhoopt, opdeelt, om in dat gewoel van woorden het geheel misschien in te sluiten.’ Meinecke probeert hetzelfde te doen, maar een geheel is ver zoek.

De auteur beschrijft zijn romans ook wel eens als ‘montageromans’. In dit boek brengt hij diverse citaten, observaties, dialogen en trivia samen, die hij vindt op het internet, in (academische) literatuur of op de plaatsen waar hij zich bevindt. Bij dit type literatuur zou de samenhang zichzelf geleidelijk aan moeten onthullen, maar in Lookalikes – nu bij uitgeverij het balanseer verschenen in Nederlandse vertaling door Sebastian Roth – blijken de fragmenten te zeer vooraf bepaald door de veelzeggende titel van het boek. Ik slaagde er niet in te lezen zonder telkens weer naar die titel teruggezogen te worden. Omdat er zo weinig (interessante) verbindingen tussen de pagina’s tot stand komen, verstikken ze onder het gewicht van hun cover. Hoe ironisch: de oppervlakte die alles overstemt.

De term ‘montageroman’ doet onvermijdelijk aan film denken. In tegenstelling tot de collage, drukt montage een duur uit en is daarom toepasselijk voor zowel film als literatuur. Belangrijk is het ritme van de montage, de snelheid waarmee de fragmenten elkaar afwisselen. Meer nog dan bij andere literatuur geeft dat de lezer constante keuzestress: hoe snel moet ik dit lezen? Lookalikes lezen voelt als zoeken naar een sleutel en misschien is die niet in het boek zelf te vinden, maar in het gedrag van de lezer. Eerst las ik aan mijn gewone tempo. Niets: een hoop saaie fragmenten. Dan ben ik heel traag beginnen te lezen. Weer niets, behalve dat het opviel hoe vervelend Meineckes zinnen zijn, met hun vele haakjes en catalogiserende taal. Ten slotte ging ik heel snel. Dat werkte iets beter, waarschijnlijk om de simpele reden dat ik dan sneller van het boek af was. De haakjes, zoals in deze passage over een candomblé-ceremonie, hielden mij niet langer op:

 

De in helder licht gehulde danszaal (witte stroken papier verbergen de neonbuizen aan het plafond) is al gevuld, Thomas wordt naar de mannen gestuurd (en kijkt op die manier uit op de vrouwen), stoelen en bankjes zijn al bezet, dus neemt hij (vandaag staand) andermaal de positie naast de grootste trommel (rum) in […].

 

Ik weet niet wat ik van dit boek moet vinden, al kan ik wel zeggen dat ik me zelden zo steendood heb verveeld. Een fragment van Jacques Lacan of een kort interview met de ontwerper van Lady Gaga’s vleesjurk waren zulke verademingen dat ik ze nooit zal vergeten. En normaal gezien ben ik geen sleutelzoekende lezer, maar hier kun je gewoon niet anders, al was het maar om de lectuur verteerbaar te krijgen. Het maakt Meineckes werk makkelijk academiseerbaar. Ik kan me zeer goed voorstellen dat een onderzoeker in de hedendaagse Duitse letterkunde zich met dit werk een leven lang weet bezig te houden: van referentie naar referentie huppelen en de papers schrijven zichzelf. (Het is niet verrassend – en het klonk tijdens de faculteitsvergadering waarschijnlijk heel cool – dat Meinecke in 2014 de eerste ‘writer- en dj-in-residence’ van de Katholieke Universiteit Leuven werd.)

Het is duidelijk dat er achter Lookalikes een project zit. Het boek begint met korte scènes uit het leven van semiprofessionele lookalikes, die een beetje geld verdienen met het imiteren van iconen als Justin Timberlake, Shakira, Greta Garbo en Serge Gainsbourg. Het effect is aanvankelijk veelbelovend: nog vooraleer je je goed en wel hebt gerealiseerd dat ‘Justin Timberlake’ niet de echte Justin Timberlake is, heb je de weinig glamoureuze scène al gelezen en geassocieerd met het tieneridool. Dat spel met verwachting en teleurstelling, origineel en kopie, had interessant kunnen worden, maar het boek groeit uit tot een kluwen van oneindig veel draden. De belangrijkste is Meineckes verblijf in Salvador da Bahia, een stad aan de oostkust van Brazilië, gesponsord door het plaatselijke Goethe-instituut. Daar woont hij in navolging van Hubert Fichte ceremonies van het candomblé-geloof bij, een syncretistische religie die ontstond tijdens de slavernij. Hij bezoekt er ook het huis van Pierre Verger, de etnograaf waar Fichte dan weer door gefascineerd was. Het imiteermotief van de titel komt hier op een andere manier terug: schrijven is in de voetsporen van iemand anders treden.

De manier waarop Fichtes etnografische romans worden omschreven – hij ‘benoemt en benoemt en benoemt’ – lijkt sterk op Meineckes passages die zich in Salvador da Bahia afspelen. Hij beschrijft de ceremonies op een participatieve maar toch academische manier, overladen met technische termen en verwijzingen. Ertussen heeft hij fragmenten uit academische literatuur en eigen stadsbeschrijvingen geplakt. Die zijn meestal levenloos. Braziliaanse muziek en de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector worden er ook bijgesleurd. Meinecke geeft geen zin om candomblé of het werk van Fichte verder te bestuderen (terwijl een ambitieus project als een negentiendelige romancyclus normaal gezien gegarandeerd mijn aandacht heeft).

Lookalikes is ook een boek over wat men met een anglicisme ‘receptie’ noemt: welk effect heeft een werk, een maker of een culturele traditie op zijn of haar omgeving, en hoe verandert dat na zijn of haar einde? Voor dit subthema gebruikt Meinecke vooral de naar Frankrijk gemigreerde zwarte variété-artieste Josephine Baker. De auteur komt met citaten, culturele theorie, dansbeschrijvingen, interviews, enzovoort. Haar dans is even syncretistisch als de candomblé en haar navolgers (zoals Grace Jones) zijn op hun beurt een brandpunt van verschillende invloeden. Maar wat wil Meinecke met deze nevenschikking verder nog bewerkstelligen? Je vindt aan het einde wel de idee ‘dat identiteit en alteriteit juist in hun dichotomie ontstaan en elkaar wederzijds bepalen’, maar wat zijn we daarmee?

Opnieuw komen we terecht bij de methode van bewuste oppervlakkigheid. Ook het getheoriseer over de oppervlakte-elementen blijft oppervlakkig. Terwijl de roman in 2011, toen hij in het Duits verscheen, misschien iets heeft kunnen zeggen over het menselijke kopieer- en imitatiegedrag in de tijd van het internet, massacultuur en de gedekoloniseerde universiteit, zijn die inzichten hopeloos gedateerd nu sociale media en AI onze verhouding tot beelden en andere mensen radicaal hebben veranderd. Meineckes montage blijkt een zeer tijdsgebonden instrument. Ik heb het gevoel dat de concepten en fragmentaire structuur van Lookalikes in 2026 maal honderd gedaan moet worden.

Emoties komen er in deze woordenbrij niet aan te pas, tenzij de data die ze achterlaten. Van de buitenechtelijke relatie tussen Hilmar Mock en (de lookalike van) Shakira krijgen we niet veel meer dan hun geniepige korte berichtjes te lezen. Seksueel verlangen beperkt zich tot specifieke lichaamsdelen, theoretisch gestut door het psychoanalytische begrip van het ‘autonome deelobject’. Een interview van de Italiaanse schrijver Alberto Moravia met Claudia Cardinale, waarin hij haar vraagt zichzelf lichaamsdeel na lichaamsdeel te beschrijven, is een goeie vondst en werkt als fragment. Zo had het vaker mogen zijn, want daarbuiten is Lookalikes vooral een boek voor ingewijden, die over dezelfde muziek-, dans- en popcultuurkennis als Meinecke beschikken. Het reproduceert de tweedeling tussen geïnitieerden en buitenstaanders eigen aan zijn onderwerpen: de candomblé-religie, het fandom, de muziekscene, etc.

Een postmoderne roman, waar we Lookalikes toch onder mogen plaatsen, beschrijft vaak zichzelf. Dat doet Meinecke continu. De lezer wordt uitgenodigd zich te verheugen op het vinden van meta-momenten, maar is alles wel zelfbewuste ironie? Is het niet nogal vreemd (of erger: mauvaise foi) om van ‘de popistische referentiehel’ te spreken als dat zeer toepasbaar is op je eigen roman? Wil Meinecke een hel voor de lezer scheppen? Hoe het ook zij, ik volg hem niet.

het balanseer, Gent, 2026
Vertaald door: Sebastian Roth
ISBN 9789083499949
346p.

Geplaatst op 25/05/2026

Tags: Candomblé, Hubert Fichte, Lookalikes, Thomas Meinecke

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.