Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Klachten over taalverloedering, verzet tegen ‘woke’ taalgebruik, paniek over generatieve AI : in publieke debatten over taal kan het er fel aan toe gaan. Er wordt soms meer vanuit emoties en particuliere ervaringen geredeneerd dan op basis van wetenschappelijk onderbouwde argumenten. Marjolijn Voogel wil met haar essaybundel Met andere woorden een weloverwogen en toegankelijk tegenwicht bieden tegen dergelijke taalpaniek.
Voogel neemt de lezer mee op een boeiende ontdekkingstocht die inzicht biedt in actuele vraagstukken rond fenomenen als taalverwerving, taalvariatie, taalverandering en taaltechnologie. Als socioloog legt Voogel een speciale belangstelling aan de dag voor de manieren waarop mensen taal aanwenden om hun identiteit of maatschappelijke positie tot uitdrukking te brengen. Ze vertrekt vanuit haar eigen meertaligheid die werd gevormd door haar Duitse oma’s, haar jeugdjaren als ‘Hollandse’ in Friesland en een studie Frans. Die persoonlijke insteek is een rode draad door het boek: Voogel gaat in gesprek met familieleden, vrienden en collega’s, ze reflecteert op haar eigen ervaringen in het licht van wetenschappelijke inzichten en slaagt er zo in om een breed scala aan taalkundige noties toegankelijk te maken voor een breed publiek.
Het boek benadrukt dat onze huidige samenleving gekleurd wordt door verschillende vormen van meertaligheid, via onder meer de vele dialecten en regionale talen, de thuistalen van mensen met een migratieachtergrond en niet in de laatste plaats het talenonderwijs. Nederland staat internationaal bekend om het feit dat veel mensen maar liefst drie vreemde talen leren op school, maar Voogel wijst er terecht op dat het niet goed gaat met dat talenonderwijs. Met name de vakken Frans en Duits zijn impopulair onder jongeren en kampen met enorme lerarentekorten doordat de talenstudies weinig studenten trekken.
Dat is een probleem dat Voogel duidelijk aan het hart gaat en ze behoort tot de groep die zich actief inzet voor het vernieuwen van het talenonderwijs door de lessen te voeden met meer boeiende en uitdagende inhouden. Met dit boek neemt ze daar een voorschot op: het bevat negen korte hoofdstukken die elk een concreet vraagstuk belichten op een aansprekende manier. Het is goed voor te stellen dat taaldocenten hierin inspiratie vinden voor hun lessen; niet voor niets verschenen meerdere stukken eerder in het vakblad Levende Talen Magazine.
Met andere woorden is een soort reisgids langs plekken waar mensen werken met en over taal. Voogel beweegt zich door steden, bibliotheken, cafés, congressen, klaslokalen en online ruimtes en telkens opnieuw blijken deze omgevingen aanleiding tot reflectie op hoe taal functioneert en vooral: wat taal met mensen doet.
Zo bezoekt ze het Baby & Child Research Center in Nijmegen, waar ze met onderzoekers in gesprek gaat over de manier waarop jonge kinderen taal leren. Intussen vat ze ook in hoofdlijnen samen hoe in de wetenschap wordt gediscussieerd over de vraag of het menselijke taalvermogen is aangeboren of aangeleerd. Ze slaagt erin beide posities in dit complexe debat helder uiteen te zetten en neemt ons dan mee terug naar de concrete werkelijkheid van het lab. Daar ontdekt ze onder meer hoe heel jonge kinderen al gevoelig zijn voor klankpatronen. Het blijkt bijvoorbeeld dat je in het gehuil van Franse baby’s de stijgende intonatie van hun moedertaal kunt horen.
Niet alleen krijgt de lezer in dit hoofdstuk inzicht in de manier waarop het proces van taalleren globaal verloopt, ook biedt Voogel een bijzonder enthousiasmerend inkijkje in de manier waarop taalwetenschappers hier onderzoek naar doen. Aan het einde van dit hoofdstuk zet ze weer haar sociologische bril op om te reflecteren op de manier waarop dat bijzondere menselijke taalvermogen in de maatschappij functioneert:
Verder is het mensentaalsysteem waarschijnlijk het enige systeem waarin je kunt communiceren óver dat systeem. Die twee aspecten maken menselijke taal bijzonder. Want daarmee is taal niet alleen een systeem of een orde, het biedt mensen ook orde. En dat maakt taal bovenal een instrument om die orde te manipuleren. Pfff, inderdaad een flinke opdracht aan het kinderbrein om dat allemaal netjes te ordenen…
Voogels sociolinguïstische benadering werkt ook goed in het hoofdstuk waarin ze deelneemt aan een workshop die tot doel heeft sprekers van het Fries, een regionale taal, assertiever te maken in de omgang met anderstaligen. Alle deelnemers blijken geneigd tot linguistic submissiveness: hoewel Voogel prima Fries verstaat, wordt zij in het Nederlands aangesproken. Het illustreert de ongelijke verhoudingen in wat Abram de Swaan het ‘wereldtalenstelsel’ noemt: de taalkeuzes die mensen bewust of onbewust maken, hangen nauw samen met de communicatiewaarde van de verschillende talen die zij beheersen. Een regionale taal heeft daarin minder status dan een landstaal en het Engels neemt als dominante wereldtaal een hypercentrale positie in.
Terecht heeft Voogel ook aandacht voor de andere beweegredenen die het gebruik van de Friese taal kunnen motiveren. In een situatie waarin alle Friezen ook het Nederlands beheersen, functioneert de regionale taal tegenwoordig vooral als vehikel van identiteit en cultuur. Het is dan een uiting van een beweging die beter als streekrenaissance kan worden aangeduid dan als dialectrenaissance.
Een van de sterkste kanten van dit boek is de consistente zoektocht naar nuance in de soms verhitte debatten over fenomenen als jongerentaal, internettaal, verengelsing en inclusief taalgebruik. Voogel erkent enerzijds de zorgen van taalgebruikers die vrezen voor verlies van nuance, rijkdom of culturele specificiteit; anderzijds toont ze hoe taal nu eenmaal voortdurend verandert en hoe die dynamiek juist laat zien dat taal leeft.
Als het gaat om straattaal, neemt ze afstand van afkeurende oordelen over ‘taalverloedering’ en schrijft ze enthousiast over een gastles van taalonderzoeker Khalid Mourigh op een middelbare school. Samen met de leerlingen ontdekt ze dat Nederlandse straattaal een unieke mix is van invloeden uit het Arabisch, Sranantongo en Engels, en welke culturele waarde die heeft als instrument van groepsvorming en zelfexpressie. En passant trekt ze interessante parallellen met het Franse argot des cités, dat ook bijzonder dynamisch en creatief is, maar op weinig officiële waardering kan rekenen.
Voogel grijpt heel regelmatig terug op voorbeelden uit Frankrijk. Ze bespreekt Franse debatten over de feminisering van beroepsnamen, de impact van jongerentaal uit de banlieues en de regulerende rol van de Académie française. Bijzonder interessant is haar reportage over de Cité internationale de la langue française, een prestigeproject van president Macron dat de Franse taal in haar internationale context belicht en daar behoorlijk goed in slaagt. Deze excursie biedt aanleiding tot een beschouwing over de historische ontwikkeling van het Frans als nationale standaardtaal en als internationale lingua franca en distinctietaal van de elite, ook in ons land.
In die context komt ook de institutionalisering van het Nederlands aan de orde en de negentiende-eeuwse pogingen tot zuivering van de taal door het uitbannen van buitenlandse invloeden. Het is een mooi voorbeeld van Voogels werkwijze: naar aanleiding van een concrete trip naar het ‘Franse taalkasteel’ biedt zij een historisch vergelijkend panorama van taalpolitieke debatten en interventies.
De bijzondere aandacht voor Frankrijk is dus niet slechts een uiting van de persoonlijke band van de auteur met dat land; zij gebruikt haar kennis van het Franse taalveld om parallellen te trekken met Nederland en om te laten zien dat elk land eigen gevoeligheden en tradities heeft wanneer het om taal gaat. Daardoor krijgt de lezer niet alleen inzicht in het Nederlandse taallandschap, maar ook in een bredere Europese context waarin vergelijkbare thema’s spelen.
In die internationale context spelen vertalers een cruciale rol, zoals Voogel betoogt naar aanleiding van een masterclass die ze volgde bij Martin de Haan, gelauwerd vertaler van Franstalige literatuur. Het samen discussiëren over mogelijke vertalingen van een beroemde zin van Marcel Proust biedt de deelnemers inzicht in de complexiteit van het vertaalvak en geeft aanleiding tot reflectie op de noodzaak van het periodiek hervertalen van literaire klassiekers. Voogel pleit ervoor om vertalen weer een grotere plek te geven in het talenonderwijs en daarmee ook het vermogen tot diep lezen te versterken. Het is een enigszins tegendraads pleidooi in een tijd waarin menselijke vertalers in toenemende mate worden vervangen door vertaalmachines. De opkomst van generatieve AI is een disruptieve ontwikkeling waar Martin de Haan zich fel tegen verzet, vanuit de overtuiging dat literair vertalen een vorm van uitvoerende kunst is die vraagt om menselijke creativiteit en stijlgevoel.
Een meer genuanceerde houding ten opzichte van taaltechnologie vinden we in Voogels verslag van haar gesprek met AI-expert Barend Last, die taalmodellen inzet om een kinderboek te schrijven. Last pleit voor een intelligent gebruik van chatbots, waarbij de menselijke intelligentie de controle houdt over het proces en de uitkomsten kritisch beoordeelt.
Het spreekt voor zich dat hier een grote nieuwe uitdaging ligt voor taaldocenten. Het gesprek over AI roept bij Voogel allerlei fundamentele vragen op over wat schrijven eigenlijk is en hoe lezen functioneert. Ook denkt ze na over hoe deze nieuwe technologieën de menselijke verhoudingen op kleine en grote schaal beïnvloeden:
Taal is een sociale praktijk; kunstmatige taal comfortabele calculatie. Ook onze menselijke taal zal steeds meer worden beïnvloed door kunstmatige taal, net zoals het Engels en taal op social media in ons dagelijks taalgebruik doorsijpelen. Taal(bewustzijn) wordt daarmee alleen maar belangrijker.
Het is deze genuanceerde en onderzoekende houding die Met andere woorden onderscheidt van veel andere taalboeken. Marjolijn Voogel is niet op zoek naar zondebokken en laat zich niet verleiden tot makkelijke verklaringen, maar richt de blik op de mechanismen die onder taalverandering liggen. Daarmee is het boek ook een impliciet pleidooi voor een taalsociologische benadering: taal wordt voortdurend bestudeerd in relatie tot wat mensen, groepen en maatschappelijke contexten ermee doen. De auteur toont hoe taalgebruik samenhangt met sociale positie, toegang tot onderwijs, culturele bagage en de ruimtes waarin mensen zich bewegen.
Tegelijkertijd zijn haar analyses ingebed in concrete ontmoetingen: gesprekken met jongeren, docenten, schrijvers, onderzoekers en vertalers. Die voortdurende dialoog met anderen maakt het boek levendig en afwisselend. Deze ontmoetingen onderstrepen bovendien dat taal altijd relationeel is. Het is die gedachte die steeds weer terugkeert, of het nu gaat over jongeren die hun identiteit via taal uitdrukken, internetgebruikers die nieuwe omgangsvormen creëren of sprekers die afhankelijk van de context schakelen tussen dialect en standaardtaal.
Met andere woorden is kortom geen vrijblijvende reeks beschouwingen, maar een gedreven pleidooi voor het kapitale belang van taalonderwijs en taalonderzoek. Het is een rijk, toegankelijk boek dat theoretische inzichten verbindt met herkenbare anekdotes, culturele observaties en persoonlijke ervaringen. Het is bovendien geschreven met een merkbaar taalplezier waarvan ik hoop dat vele lezers – in het bijzonder scholieren en studiekiezers – ermee worden besmet, zodat ook in de toekomst het fascinerende en veelkantige fenomeen taal de aandacht krijgt die het verdient.
Een recensie door Maaike Koffeman over Met andere woorden. Hoe je taal maakt en hoe taal je raakt van Marjolijn Voogel.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.