Essays, Filosofie

Mystiek materialisme. Essays van Simone Weil

Er is het voorbije decennium een opvallende interesse voor het werk en de figuur van de jong gestorven Franse filosofe Simone Weil (1909-1943). De Nederlandse vertalingen volgen elkaar snel op. In ‘De Filosofische Bibliotheek Diotima’, een initiatief van uitgeverij Letterwerk, verscheen Wat is heilig in de mens? (2021), een selectie uit de essays die Weil op het einde van haar leven schreef. Die selectie overlapt gedeeltelijk met de veel beperktere keuze die uitgeverij IJzer maakte in Waar strijden we voor? Over de noodzaak van anders denken (2021), bedoeld als inleiding op Wortelingen, Weils veelgeprezen maar onvoltooide hoofdwerk dat later op het jaar verschijnt. De voorbije jaren werden in het Nederlands eveneens een bundel politieke opstellen (Onderdrukking en vrijheid, 2018) en een verzameling religieuze teksten (Liefde is licht, 2020) uitgegeven.

Weils korte leven was een passionele en eigenzinnige combinatie van politiek engagement en spirituele zoektocht. Ze overleed op haar vierendertigste aan tuberculose, mede veroorzaakt door uitputting en zelfopgelegde ondervoeding. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte ze met haar ouders naar New York. Eind 1942 reisde ze naar Londen, waar ze zich aansloot bij La France Libre, de bevrijdingsbeweging van generaal De Gaulle. Ze wilde zo snel mogelijk terugkeren naar Frankrijk om zich bij het verzet aan te sluiten. Maar vanwege haar wankele gezondheid kreeg ze, zeer tegen haar zin, een bureaubaan. Uit solidariteit met de burgerbevolking leefde ze op voedselrantsoenen die op de duur haar zwakke gestel ondermijnden. Ze sliep nauwelijks en werkte dag en nacht, totdat ze er uiteindelijk bij neerviel, letterlijk, midden april 1943. Ze overleed in een sanatorium op 24 augustus van dat jaar. Haar belangrijkste werken – Attente de Dieu, Le Pesanteur et la Grâce en L’Enracinement – schreef ze tijdens en onder druk van die oorlogsjaren. Ze werden postuum uitgegeven door Albert Camus, die haar ‘de enige grote geest van onze tijd’ noemde. Er wordt over Simone Weil wel vaker in extreme en ongenuanceerde termen gesproken. Toen De Gaulle hoorde dat ze met een parachute achter de vijandelijke linies gedropt wilde worden, noemde hij haar gek. En ook hij had wellicht gelijk.

 

Doorleefd activisme

Weils diep doorleefde activisme is ongetwijfeld de belangrijkste reden voor de huidige belangstelling. Aanvankelijk vond ze inspiratie in het marxisme, maar vanaf het midden van de jaren dertig werd ze aangetrokken tot de christelijke spiritualiteit. Constant bleef Weils absolute en onvoorwaardelijke aandacht voor de zwakkeren, de uitgeslotenen en de vernederden, voor de arbeiders en voor degenen die geen woorden hebben om hun lijden uit te drukken: ‘Zoals een zwerver, die voor het gerecht ervan beschuldigd wordt dat hij in een veld een wortel gepakt heeft, staat voor de rechter die gemakkelijk gezeten in zijn fauteuil elegant vragen, commentaren en grapjes debiteert, terwijl de ander er zelfs niet in slaagt iets te stamelen, zo staat de waarheid voor de intelligentie die zich bezighoudt met op elegante wijze te argumenteren’, schrijft ze in ‘De persoon en het heilige’. Haar eigen intelligentie – en die was niet gering – heeft Weil haar leven lang radicaal ten dienste van die waarheid gesteld. In een van haar laatste brieven schreef ze: ‘Voor mij persoonlijk heeft het leven geen andere betekenis, en heeft ten diepste ook nooit een andere betekenis gehad dan dat het een wachten op de waarheid is.’ Voor haar vallen ‘waarheid’ en ‘goedheid’ samen en het ‘goede’ is ook het ‘werkelijke’: ‘Goed is, wat aan de dingen en de mensen meer realiteitswaarde verschaft, slecht is wat hen dat ontneemt.’ Ethiek is leven volgens de structuur van de werkelijkheid: goed handelen is waarheidsonthullend handelen.

Weil groeide op in een welgesteld joods gezin waar boeken belangrijker waren dan speelgoed en kreeg een agnostische opvoeding. Haar drie jaar oudere broer, André Weil, in wiens schaduw de onhandige Simone zich vaak de mindere voelde, werd een belangrijk en invloedrijk mathematicus. Van haar moeder zou ze smetvrees geërfd hebben en als jonge vrouw ontwikkelde ze anorexia. Ze hield er niet van aangeraakt te worden en wilde zo weinig mogelijk als vrouw behandeld worden. De vraag is terecht hoe belangrijk al die intieme biografische gegevens zijn voor een beter begrip van haar werk en haar levenshouding. Al tijdens haar kinderjaren werd ze emotioneel diep aangegrepen door het lijden van anderen. Bekend is de anekdote dat ze op haar vijfde, tijdens het begin van de Eerste Wereldoorlog, suiker weigerde te eten om die te kunnen opsturen naar de soldaten aan het front. In New York had ze zo intensief contact met jonge zwarte vrouwen dat een vriendin later zou beweren: ‘Als Simone in New York zou zijn gebleven zou ze zeker zwart geworden zijn!’.

 

Paradoxen

De contradicties zijn niet van de lucht wanneer het over Weil gaat. In de ogen van sommigen was ze een heilige die zichzelf volledig wegcijferde,  voor anderen leed ze aan zelfhaat en leefde ze op de rand van de waanzin. Op het einde van haar leven schreef ze: ‘De gedachte aan het ongeluk en de gevaren waaraan ik geen deel heb vervult me met een mengeling van afschuw, van medelijden, van schaamte en van wroeging, die me elke geestelijke vrijheid ontneemt.’ Haar verlangen naar identificatie met de lijdenden is extreem, ziekelijk en mee verantwoordelijk voor haar korte leven. Maar in de bewondering van Simone de Beauvoir verschijnt opnieuw iets van de schoonheid en de zuiverheid van Weils ethos: ‘Ik was jaloers op een hart dat in staat was om door heel het universum heen te kloppen.’ De paradoxen in Weils leven stapelden zich op. Ze schreef heel veel, maar publiceerde geen enkel boek tijdens haar leven. Ze was actief in de communistische vakbond, maar werd nooit lid. Ze was een marxiste, maar geloofde niet in de revolutie. Ze geloofde in Christus, maar heeft zich nooit laten dopen.

Weil was zich bewust van haar bijzondere gevoeligheid en intelligentie, niet zonder een zekere arrogantie: ‘Ik bezit een soort groeiende innerlijke zekerheid dat in mij een voorraad goud opgeslagen is, die doorgegeven moet worden. Alleen, de ervaring en de waarneming van mijn tijdgenoten overtuigt me er meer en meer van dat er niemand is om hem in ontvangst te nemen. Het is een massief blok. […] Ik kan het niet in kleine stukje uitdelen. [..] De goudmijn is onuitputtelijk.’ Gelukkig zijn wij niet verplicht haar geschriften als een massief blok te lezen.

 

Rode Maagd

Hoewel ze vaak in een religieuze en politieke context gelezen wordt, is ze in de eerste plaats een filosofe. Ze was een studente van de bekende Franse filosoof Alain. Zijn blijvende invloed op haar is de hartstocht voor de waarheid en de centrale rol van arbeid in de relatie tot de werkelijkheid. Wie Weils teksten leest, wordt getroffen door haar zoektocht naar het correcte woord, naar de precieze definitie van een bepaald begrip, naar een logische argumentatie, zelfs waar het spirituele zaken betreft. De juiste formulering is een stap in de richting van de waarheid, ook al is die uiteindelijk transcendentaal. Ondank de samenhang van haar werk, heeft ze geen filosofisch systeem uitgewerkt. Ze groef in de innerlijke morele diepte zoals Kierkegaard dat deed. Ze liet zich inspireren door de klassiek filosofische traditie. Van Descartes leerde ze een radicale scepsis en de kracht van het persoonlijke perspectief, van Kant het respect voor het individu en de absolute moraal, en van Marx de klassensolidariteit en de materialistische analyse. Het zijn basisattitudes die zij nooit heeft verloochend. Maar het is bij Plato en in de evangeliën waar ze de meest vruchtbare voedingsbodem voor haar denken vond.

Weil volgde een opleiding tot lerares. Omwille van haar provocerende, excessieve, extravagante, fanatieke, tegenstrijdige en zelfdestructieve gedrag werd ze door medestudenten ‘De Verschrikkelijke’ genoemd. Ze gaf filosofie op verschillende scholen en was begin jaren dertig zeer actief. Ze had contact met revolutionaire syndicalisten (die braken met het kapitalisme en via directe acties en stakingen ijverden voor een zelforganisatie van de arbeiders), publiceerde in bladen van de arbeidersbeweging, participeerde in demonstraties, en gaf les aan een Volkshogeschool voor communistische arbeiders. Na het leiden van een stakingsactie kreeg ze de bijnaam ‘De Rode Maagd’. Van groot belang voor haar persoonlijke ontwikkeling was haar reis naar Duitsland in 1932. Ze zag met eigen ogen hoe de communistische partij faalde in haar verzet tegen Hitler, onder andere door haar weigering om met de sociaal-democraten samen te werken. In haar essay ‘Réflexions sur les causes de la liberté et de l’oppression sociale’ (1934) rekende ze af met het marxisme en met de mogelijkheid van een revolutie. Ze begon macht te analyseren meer als een natuurlijk dan als een maatschappelijk fenomeen. Machiavelli leert ons meer dan Marx, zou ze later beweren.

 

Arbeid

Ze bekommerde zich steeds meer om de werkende klasse. Ze schonk een groot deel van haar salaris aan arme gezinnen. Naast haar intellectuele werk over armoede en uitsluiting, wilde ze zware fysieke arbeid ook aan den lijve ondervinden. In 1934-35 ging ze aan de slag in een staalfabriek en bij de autofabrikant Renault. Door haar zwakke gezondheid en aangeboren onhandigheid waren dit ware beproevingen. In L’Enracinement gaat ze in op de ontworteling van de moderne mens ten gevolge van de geldeconomie en het verlies van de traditionele groepsverbanden. Om een nieuwe ‘verworteling’ te creëren pleit ze voor een andere houding ten opzichte van de fysieke arbeid. Op het ogenblik dat de arbeid totaal gemechaniseerd is en meer dan ooit tot vervreemding leidt, geeft Weil aan de arbeid een haast spirituele dimensie: ‘Het is gemakkelijk om de plaats te bepalen die de lichamelijke arbeid in een goed geordend sociaal leven moet innemen. Hij moet er het spirituele centrum van zijn.’ In 1935 reisde ze met haar ouders naar Portugal en Spanje, waar ze in een vissersdorpje een eerste religieuze ervaring kreeg die haar de weg naar het christendom toonde. Toch zou ze zich nooit laten dopen. De kerk als instelling benaderde ze heel kritisch. Ze was het eens met Marx dat veel religie als opium functioneerde. Dat vond ze na 1934 trouwens ook van het marxisme, dat er niet in slaagde zijn beloftes waar te maken.

Weil verzette zich in 1936 tegen een militaire interventie van Frankrijk in de Spaanse Burgeroorlog, maar sloot zich toch aan bij de internationale anarchistische brigade om te vechten tegen Franco. Ze werd aangenomen als verpleegster. Ze stapte echter in het donker in een pan kokende olie en de ernst van haar brandwonden dwong haar naar Frankrijk terug te keren. Maar ook de oorlog zelf ervoer ze als een zware ontgoocheling: ‘Men vertrekt als vrijwilliger, met ideeën over opoffering, en men valt een oorlog binnen die op een huurlingenoorlog lijkt, maar met nog meer wreedheden en nog minder verschuldigd betoon aan achting tegenover de vijand’, vertrouwde ze een bevriend schrijver toe.

 

Religieuze obsessie

In de daaropvolgende jaren had ze nog twee belangrijke religieuze ervaringen: een eerste in Italië in de kerk waar Sint-Franciscus ging bidden en een andere in een Frans klooster. Religie en geloof werden een obsessie. Haar woordenschat evolueerde in de jaren dertig onder invloed van haar eigen fysieke en psychologische ervaringen in de fabriek én van haar geestelijk zoeken: van onderdrukking (oppression) over vernedering (humiliation) naar kwelling (malheur). Met dit laatste bedoelde ze een combinatie van lichamelijke pijn, psychologische nood, sociale degradatie en spirituele angst.

Haar geloof draaide rond de figuur van Christus, zijn naastenliefde, zijn lijden en zijn offerdood, maar was weinig orthodox. Zo verwierp ze het Oude Testament wegens een te wrede en gewelddadige god. Ook bleef haar belangstelling voor de niet-westerse godsdiensten groot, net zoals bij haar broer trouwens. Weil leerde zichzelf Sanskriet om de Bhagavad-Gîtâ te kunnen lezen. Ze zocht naar een gemeenschappelijke kern onder de vele ogenschijnlijke verschillen tussen de godsdiensten en vond die in de mystiek, die ze het ‘geheime centrum’ van de religie noemde.

Haar afkeer van oorlog bracht Weil ertoe om in 1939 het Verdrag van München te verdedigen. Na Hitlers inname van Praag gaf ze ieder pacifisme op. Toen de oorlog uitbrak, trok ze met haar moeder naar Zuid-Frankrijk. Ze leerde er de dominicaan Pater Perrin en de katholieke denker en boer Gustave Thibon kennen, twee belangrijke gesprekspartners in haar religieuze queeste, die na haar dood haar brieven en aantekeningen uit die periode publiceerden.

Je kan als lezer niet anders dan onder de indruk komen van de authentieke passie en de scherpe intelligentie van Weils teksten. Ieder woord is niet alleen gemeend maar ook gewogen, op de ervaring gewonnen en door de precisie van haar denken vormgegeven. Het is die radicaliteit die haar zo fascinerend maakt, al maakt haar passie haar oordeel vaak hard en ongenuanceerd. Zo verwerpt ze de Romeinse cultuur in één pennentrek. Ze schrijft met evenveel gemak, met dezelfde diepte en helderheid, over de Europese politiek en over de organisatie van het Franse verzet tegen de Duitse bezetter, als over God en de ziel. Wat vooral indruk maakt, is dat al die onderwerpen in haar betoog intiem met elkaar samenhangen. Politiek en mystiek zijn voor haar geen gescheiden compartimenten maar communicerende vaten. Het waren de twee wegen die haar met de hele wereld verbonden. Haar persoonlijke ontmoeting met God is een beslissend moment in haar leven en denken. Voor sommigen is het een breuk die het onmogelijk maakt om van één Simone Weil te spreken: je moet kiezen voor de activiste die zich gaf aan de onderdrukten of voor de mystica die zich gaf aan God. Zijzelf zag dat helemaal niet zo: ‘Hoewel het me meerdere malen overkomen is dat ik een drempel ben overgegaan, kan ik me niet herinneren dat ik ooit van richting ben veranderd’, vertrouwde ze Pater Perrin toe.

 

Aandacht

Simone Weil leefde en schreef ‘in finsteren Zeiten’, om een uitdrukking van Bertolt Brecht te gebruiken, een periode waarin de verworvenheden van de Verlichting en de democratie zowel door het communisme als het fascisme onder druk werden gezet. Omdat Weil geen van die vragen uit de weg ging, is haar denken ook voor onze huidige politieke situatie nog steeds een uitdaging. Begrippen als democratie, rechtsstaat en waardigheid van de persoon vormen de horizon van ons westerse politieke en maatschappelijke denken. Rond die termen zijn onze instellingen, onze omgang met elkaar en onze emancipatorische idealen gestructureerd. Weil verwerpt die termen en hun concrete en institutionele vertaling niet, maar ze ontneemt hen wel de seculiere ‘heiligheid’ waarmee ze intussen beladen zijn. Ook voor Weil bestaat het heilige, maar dat situeert zich op een ander, hoger niveau dat zich aan de concrete realiteit onttrekt: ‘Aan ieder die erin toestemt zijn aandacht en zijn liefde te richten buiten onze wereld naar de werkelijkheid die voorbij alle menselijke vermogens ligt, is het gegeven hierin te slagen. In dat geval zal er vroeg of laat iets goeds op hem neerdalen dat door hem heen van hem uit zal stralen.’

‘Aandacht’ is het centrale ethische concept van Simone Weil. Het is minder een morele positie dan wel een dispositie voor het lijden van de anderen. In die aandacht wordt de mens van zijn ego gezuiverd, waardoor deze de wereld kan ontvangen zonder de interferentie van zijn beperkend persoonlijk perspectief. Deze zelfontlediging staat voor een onpersoonlijke maar intersubjectieve ethiek. Als de aandacht in een eerste beweging uitgaat naar een mysterieuze en onkenbare God, gaat ze in een tweede beweging uit naar de noodlijdende andere. Net zoals de liefde is de aandacht een decentrering van het zelf in het onpersoonlijke en universele. Deze ethos van de  aandacht die ze in haar laatste levensjaren ontwikkelde, sloot direct aan op haar sociaal en politieke engagement dat zich richtte tegen kapitalisme, bureaucratie, fascisme en kolonialisme. Het is die combinatie van materialisme en mystiek die haar geschriften ook vandaag nog intrigerend en uitdagend maakt.

 

Simone Weil, Waar strijden wij voor? Over de noodzaak van anders denken (vertaald uit het Frans, ingeleid en van noten voorzien door Jan Mulock Houwer), Uitgeverij IJzer, Utrecht, 2021, 108 p., ISBN 978 90 8684 244 5

Simone Seil, Wat is heilig in de mens? De laatste essays (samenstelling en vertaling door Thomas Crombez i.s.m. Jacques Grasse), Filosofische Bibliotheek Diotima, Letterwerk, 2021, 246 p., ISBN 978 94 6407 523 8

 

Essay over Simone Weil door Erwin Jans

Geplaatst op 16/03/2022

Tags: activisme, christendom, Mystiek, Politiek, Simone Weil, Spiritualiteit, Waar strijden wij voor?, Wat is heilig in de mens?

Categorie: Essays, Filosofie

Reacties

  1. Benoît Crucifix

    Interessant artikel! Bij het overzicht Nederlandse vertalingen van Simone Weil is het ook waard om “Simone Weil, Leven aan de rand van de wereld” (2018) te melden.

    Beantwoorden

  2. paul blondeel

    Intussen is ook Wortelingen verschenen, met daarin een korte inleiding over het verschil dat Weil maakt tussen de Geest en de Ziel, waarbij de ziel toch de hogere, sturende instantie zou zijn. Deze lezer krijgt dat niet zo goed verteerd maar dat was dus alleen maar de inleiding (door iemand anders) en niet Weils tekst zelf. “Mystiek en verzet” (engagement/solidariteit/…) is mij meer vertrouwd vanuit Dorothee Sölle en haar gelijknamige boek. Deze vaten lijken bij Weil toch op een andere manier te communiceren. Bedankt voor je recensie/essay; de nieuwsgierigheid is gewekt!

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.