Geschiedenis, Non-fictie, Politiek

De geschiedenis van Fort Europa: vluchtelingen 80 jaar buiten de deur

Niemand wil ze hebben

Europa en zijn vluchtelingen

Linda Polman

Terwijl duizenden ontheemden de nacht op Lesbos onder de koude sterrenhemel doorbrachten, sloot het Nederlandse kabinet over hun hoofden een deal. Het zegt met een paar mitsen en maren toe 100 mensen van het Griekse eiland op te nemen, mits er ergens anders 100 mensen in de misère blijven zitten. Tegelijkertijd worden de rechten van asielzoekers verder uitgekleed. Ankie Broekers-Knol, de Nederlandse staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had moeite het uit te leggen, maar de VVD kon opgewekt verkondigen dat het aantal vluchtelingen onder aan de streep gelijk blijft.

Het Nederlandse kabinet en de staatssecretaris klampten zich na de brand in het kamp Moria, in weerwil van een volgende noodkreet om humaniteit, vast aan de ophaalbrug van Fort Europa. Ze staan daarmee in een lange traditie van Europese politici die zich sinds de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in alle mogelijke bochten wringen om mensen op de vlucht voor oorlog en geweld buiten de deur te houden. Een geschiedenis met dodelijk gevolgen, toen en nu.

Achter die ophaalbrug van Fort Europa gaat een decennialange geschiedenis schuil, waarin Europese landen zich in alle mogelijke bochten wringen om mensen op de vlucht voor oorlog en geweld buiten de deur te houden. Een geschiedenis met dodelijke gevolgen, toen en nu. In Niemand wil ze hebben (2019) neemt journalist Linda Polman die geschiedenis van het Europese vluchtelingenbeleid onder de loep. Ze laat zien hoe landen in Europa steeds meer en steeds hogere barrières opwierpen om vluchtelingen te weren, van deals met dictatoriale regimes tot detentiecentra achter in management speak opgetrokken rookgordijnen als ‘hotspots’ en ‘humanitarian reception facilities’.

Apathie met dodelijke consequenties
Het begon allemaal in 1938 bij een conferentie in de Franse badplaats Evian, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Joden werden op dat moment door het Nazibewind opgejaagd en probeerden Duitsland te ontvluchten. Omdat de Europese landen Hitler niet tegen zich in het harnas wilden jagen en een beleid van ‘containment’ voerden, kwam het initiatief voor de conferentie van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt. Roosevelt, die destijds geconfronteerd werd met binnenlandse economische problemen, wilde zijn handelspartner echter niet voor de borst stoten. Het doel van de conferentie werd aldus een veilig heenkomen voor Oostenrijkse en Duitse ‘emigranten’ te vinden. In de uitnodiging repte Roosevelt met geen woord over Hitler of de Joden. De halfslachtige houding van de Amerikaanse president, die thuisbleef en een zakenman zonder politieke invloed stuurde, sloeg over naar de Europese landen, waar antisemitisme welig tierde. Alle 32 afgevaardigden droegen vooral redenen aan waarom hun land geen vluchtelingen kon opvangen. ‘Keiner will Sie haben’, kopte NSDAP-blad de Völkischer Beobachter triomfantelijk na de mislukte conferentie.

De apathie had dodelijke consequenties, zo beschrijft Polman in Niemand wil ze hebben. Vier maanden na de conferentie vond de Kristallnacht plaats. In heel Duitsland, Oostenrijk en Sudetenland werden Joden en hun bezittingen aangevallen. Ruim honderd van hen werden door knokploegen vermoord. Een jaar later zette het Duitse passagiersschip St. Louis, dat 937 Joodse vluchtelingen uit Duitsland aan boord had, koers richting Havana. Van daaruit wilden de meeste passagiers aan wal om naar de Verenigde Staten te reizen. De Cubaanse regering was slechts bereid om in ruil voor geld de berooide vluchtelingen op doorreis binnen te laten en had de eerder verstrekte transitvisa ingetrokken. Vrienden en familie van de opvarenden voeren in kleine bootjes om de St. Louis heen; aan boord sneed een passagier zijn polsen door, een ander nam een overdosis kalmeermiddelen. Beiden overleefden. Na ook door de Verenigde Staten en Canada, en vervolgens door verschillende Zuid-Amerikaanse landen te zijn teruggestuurd zat er niets anders op dan terug te varen naar Europa. Daar stemden België, Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk uiteindelijk schoorvoetend in met de opname van een paar honderd vluchtelingen, onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat het tijdelijk zou zijn en eenmalig zou worden. In de Holocaust die volgde werden zes miljoen Joden vermoord. Onder hen waren  255 passagiers van de St. Louis.

De parallellen met schepen die vandaag op de Middellandse Zee, aan de rand van Fort Europa, drenkelingen oppikken zijn moeilijk te missen. Polman haalt in Niemand wil ze hebben het voorbeeld aan van het schip de Aquarius van de hulporganisaties Artsen zonder Grenzen en SOS Méditerranée. Deze reddingsboot voer in 2018 twaalf dagen lang met honderden migranten aan boord rond totdat Spanje zich als enige land bereid toonde de mensen aan boord een asielaanvraag toe te staan. Na de Aquarius volgden andere boten die het redden van mensen onmogelijk werd gemaakt. Zo werd kapitein Carola Rackete van de Sea-Watch 3 vorig jaar in Italië gearresteerd nadat ze zonder toestemming van de autoriteiten met een schip vol vluchtelingen en migranten uit Libië was aangemeerd. De argumenten van landen om de boten niet te laten aanmeren zijn dezelfde als die aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog: het zou zorgen voor een ‘aanzuigende werking’, ze verstoren de nationale cohesie, kosten geld, hebben geheime agenda’s, en passen niet in de cultuur van het beoogde gastland. Sinds de oprichting van de Europese Unie (EU) in 1993 kwamen al meer dan 30.000 vluchtelingen en migranten op weg naar Europa om het leven. De overtocht van de Middellandse Zee is daarmee de ‘dodelijkste van alle reizen die mensen moeten maken als ze niet de juiste stempels in hun paspoort hebben’, aldus Polman.

Mager compromis
Na de Tweede Wereldoorlog moest er onder de noemer ‘nooit meer’ een verdrag komen om vluchtelingen bescherming te bieden. Omdat de houding van de meeste landen jegens migratie in de kern niet was veranderd, leverde drie weken vergaderen in Genève een mager compromis op. De tekst bevatte vooral veel uitzonderingen voor waarom landen vluchtelingen niet zouden moeten opnemen. Een afgevaardigde van een liefdadigheidsorganisatie vergeleek de verdragstekst met het menu van chic restaurant, waarin de ene na de andere gang was doorgestreept en van voetnoten voorzien, misschien met uitzondering van de soep. In het Vluchtelingenverdrag van 1951 stond wel dat politieke vluchtelingen in individuele gevallen bescherming moeten krijgen, als ze hun vaderland hebben moeten verlaten vanwege ‘gegronde vrees’ voor vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde maatschappelijke groep. Daarnaast mochten erkende vluchtelingen niet langer worden teruggestuurd naar een land waar hun leven gevaar loopt, het zogenoemde non-refoulement principe.

Door een slimmigheidje konden vluchtelingen van buiten Europa aanvankelijk worden geweerd (deze geografische beperking werd later voor de meeste landen geschrapt), maar er werd een uitzondering gemaakt voor vluchtelingen die aan Jozef Stalins bewind uit Sovjet-Unie waren ontsnapt. Hoezeer de geopolitieke verhoudingen van de Koude Oorlog hun stempel drukten op migratie wordt goed duidelijk als Polman vanuit Amerikaans perspectief de cases Haïti en Cuba naast elkaar legt. Op beide eilanden in de Caribische Zee was in de jaren 60 een dictator aan de macht, François ‘Papa Doc’ Duvalier  in Haïti en Fidel Castro in Cuba. De Verenigde Staten heetten de Cubanen die hun land ontvluchtten welkom, zij konden daar een nieuw leven opbouwen. Haïtianen die richting het beloofde land vluchtten  moesten op hun beurt rechtsomkeert maken, zij waren ‘gelukszoekers’. De reden: Castro’s bewind was communistisch, dat van Duvalier anticommunistisch.

Het onderscheid tussen ‘echte’ en ‘niet echte’ vluchtelingen, die migranten worden genoemd, was gekunsteld en is steeds verder vervaagd, stelt Polman. ‘Het is ‘mixed migration’, in gang gezet door armoede, falend bestuur, mensenrechtenschendingen en gewapende conflicten’. Landen doen hun uiterste best om te bewijzen dat mensen geen echte vluchtelingen zijn en sturen ze terug naar onveilige landen. Zo zette Nederland Ali Mohammed al-Showaikh uit naar Bahrein, waar hij direct gevangen werd gezet en tot een tweemaal levenslang werd veroordeeld. Hoewel Al-Showaikh vervolging in zijn thuisland vreesde en zijn uitzetting daarom aanvocht, stelde de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) , dat het niet kon voorzien dat de Bahreiner bij terugkeer zou worden opgepakt.

EU-Turkije deal als kantelpunt
De deal die de EU in 2015 met Turkije sloot, bleek een kantelpunt in het Europese migratiemanagement te zijn. Toen in het voorjaar van dat jaar honderdduizenden  mensen de oversteek waagden vanuit Turkije naar de Griekse eilanden, ontstond er paniek in de Europese hoofdsteden. En niet omdat de inzittenden van de gammele bootjes de overtocht geregeld niet overleefden, zittende politici voelden de druk van de populistische partijen, waardoor het anti-migratiesentiment snel aan kracht won. Daarom bepaalde de EU dat Turkije een veilig land was waar vluchtelingen en migranten die geen asiel hadden aangevraagd, naar terug konden worden gestuurd. Mensenrechtenorganisaties rapporteerden echter dat Turkije de Syriërs, die het grootste gedeelte van de overstekers vormden, terugstuurde naar de oorlog. Zowel het recht op asiel als het non-refoulement principe werd in deze deal met een pennenstreek terzijde geschoven.

Tegen Polman zegt Katrien Coppens, adjunct-directeur van Artsen zonder Grenzen, dat zulke deals bepaald niet nieuw zijn. Wat wel nieuw was, was dat het handjeklap zo openlijk gebeurde. Gevolg is dat het ‘heel moeilijk [is] geworden om nog vanuit een andere motivatie met landen over vluchtelingenopvang te praten’, aldus Coppens in Niemand wil ze hebben. Van Marokko en Libië en van Niger tot Soedan, de EU heeft zijn migratiebeleid uitbesteed. Als de landen niet (voldoende) meewerken in het tegenhouden en inkapselen van migranten, worden ze gekort op hun EU-fondsen. In de deal met Turkije zegde de Europa Turkije 6 miljard euro toe in ruil voor het tegenhouden van de rubberen bootjes. Een jaar eerder had gek genoeg vrijwel niemand in de gaten dat de miljoenen Syriërs die Turkije toen al opving iets met de EU te maken hadden, herinnert Gerald Knaus, die de EU-Turkije deal achter de schermen voorbereidde zich. Eind 2014 bracht hij met een EU-delegatie een bezoek bracht aan vluchtelingenkampen in Turkije. ‘In die tijd heerste nog steeds het gevoel van: oké, de Turken hebben de opvang onder controle, fijn voor ze maar het is hun probleem,’ aldus Knaus. Uitbesteding van beleid leidt blijkbaar tot cognitieve dissonantie. Zo lang het ver weg gebeurt, is het niet ons probleem, lijken Europese politici te denken.

Maar het is weldegelijk ons probleem. En niet alleen als de mensen bij ons op de stoep staan. Een verkiezingsposter van de Duitse partij Die Linke voor de Europese verkiezingen van vorig jaar liet zien op welke manier: ‘Flucht hat ursache’ staat er in het ontstekingsdeel van een handgranaat. En daarnaast: ‘Waffenexporte stoppen’. De partij pleitte voor een ‘solidair Europa’ en greep het thema migratie aan om campagne te voeren. Daarin was het bepaald niet de enige, maar de manier waarop de Duitse socialisten het deden was wel uniek. In plaats van angstbeelden van ‘miljoenen Afrikanen’ die Europa gaan ‘overstromen’ op te roepen, benoemde het een simpel causaal verband: politiek handelen hier is een oorzaak van migratie daar.

Niemand wil ze hebben benoemt dit belangrijk radertje van een steeds gesofisticeerder en fijnmaziger systeem, waarin hypocrisie nooit ver te zoeken is. Ze laat zien hoe de Europese wapenhandel bestaat ‘als een ecosysteem’ in landen die vluchtelingen voortbrengen. De ruim 100 miljard euro aan wapens die EU-landen sinds de eeuwwisseling naar Noord-Afrika en het Midden-Oosten exporteerden werden gebruikt in conflicten over de grens; zoals Khadaffi’s wapens in Mali, en Erdoğan’s wapens in Syrië. Vervolgens verdient diezelfde wapenindustrie weer aan de mensen die voor diens Europese kogels gevlucht zijn. Levering van techniek voor grensbewaking en detentiecentra is namelijk ook een lucratieve business. Zo is de cirkel rond. Ondanks een verkiezingsposter in Duitsland, zien regeringen van landen die wapens exporteren, vluchtelingen over het algemeen nog altijd als een opzichzelfstaand probleem en niet als consequentie van het eigen buitenlandbeleid.

Ontmenselijking en satire
Niemand wil ze hebben
is vanwege zulke verbanden en de historische context die in het boek wordt geschetst buitengewoon inzichtelijk en zeer goed gedocumenteerd. Polman putte uit een uitgebreide literatuurlijst, ploos krantenberichten en vergadernotulen uit en maakte gebruik van haar uitgebreide notitieblokje dat ze in ruim drie decennia journalistiek werk over de grens bij elkaar verzamelde. Zo kan ze bijvoorbeeld het verhaal van de Haïtianen die de VS niet binnenkwamen uit de eerste hand vertellen. Juist vanwege die persoonlijke verhalen blijft het een leesbaar geheel, ondanks het feit dat (afkortingen van) internationale organisaties en verdragen de lezer geregeld om de oren vliegen. Af en toe bezigt de auteur wat overbodige krachttermen als ‘krankjorum taferelen’ of een ‘orgie van deals’. Na de doorwrochte systeemanalyse die Polman maakte, is flinke dosis cynisme misschien begrijpelijk, maar de dramatische feiten spreken voor zich.

Ook het addendum is zeer lezenswaardig. In dit laatste deel van Niemand wil ze hebben doet Polman een greep uit het idioom dat zich rond vluchtelingen en migranten heeft ontwikkeld. Het is even verhelderend – wat is bijvoorbeeld het verschil tussen mensensmokkel en mensenhandel? – als schokkend. Weten we nog dat het Amsterdamse Forum voor Democratie-raadslid Annabel Nanninga als oplossing voor het vluchtelingenvraagstuk aandroeg: ‘Hopen dat de ebola een beetje doorpakt’? Of dat de wegens ‘jokken’ afgetreden Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Halbe Zijlstra de fabel de wereld in hielp dat vluchtelingen naar Nederland kwamen omdat ze hier gratis borstvergrotingen konden krijgen?

Dat die ontmenselijking effect heeft, blijkt uit het beleid. Tegelijkertijd is er is ook een duidelijke tegenbeweging gaande. Neem de campagne voor 500 weeskinderen die vastzitten in Griekse kampen. Verschillende gemeenten en prominente Nederlanders zetten zich in om de kinderen in Nederland op te vangen, in weerwil van de positie van de Nederlandse regering. Die betaalt Griekenland om ze daar te houden. Zelfs als je Fort Europa al binnen bent, wordt je weggestopt en buiten de deur gehouden. Een bericht van de satirische website De Speld was nog het meest accuraat. ‘Nederland: kindvluchtelingen moeten worden opgevangen in de regio,’ luidde de kop boven het artikel. Een verwijzing naar de veelvuldig uitgesproken wens van politici vluchtelingen in ‘de regio’ op te vangen. Op de begeleidende kaart van Europa was Syrië roodgemaakt, Nederland oranje en de rest van het continent geel: ‘de regio’. Dat kwam nu even beter uit. De landen waar de vluchtelingen en migranten als eerste binnenkomen moeten het maar zien op te lossen. Of, zoals premier Rutte een aantal jaar geleden zei toen mensen het door oorlog verscheurde Libië wilden ontvluchtten: ‘Tsja, dat is dan gewoon pech voor hun.’

recensie: Niemand wil ze hebben van Linda Polman door Tan Tunali

Jurgen Maas, Amsterdam, 2019
ISBN 9789491921537

Geplaatst op 11/09/2020

Tags: 2019, Europa, Linda Polman, Tan Tunali, Vluchtelingen

Categorie: Geschiedenis, Non-fictie, Politiek

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.