Biografie, Recensies

Zelfportret(je) van de kunstenares als een jonge vrouw

Oorlogsdagboek

Met brieven van Jack Hamesh

Ingeborg Bachmann

Weinige andere figuren uit de Europese literatuur van de tweede helft van de twintigste eeuw spreken zo tot de verbeelding als de Oostenrijkse schrijver en dichter Ingeborg Bachmann (1926-1973). Die fascinatie heeft voor een belangrijk deel te maken met haar sterk gemediatiseerde biografie en, ruimer, met de symbolische rol die ze heeft gespeeld, dat wil zeggen met haar betekenis als figuur.

Afkomstig uit het wel zeer provinciale en conservatieve Klagenfurt (de hoofdstad van het Oostenrijkse Land Karinthië) sloeg ze al gauw haar vleugels uit: ze woonde en werkte in grote Europese steden als Wenen, Berlijn, München en Rome, en koos voor een moderne en vrijgevochten levensstijl,  inclusief een bewogen liefdesleven, met als partners onder meer grote namen als Paul Celan en Max Frisch. Laatstgenoemde liefdes zouden trouwens tragisch eindigen: een leven met de zwaar getraumatiseerde Celan bleek onmogelijk, de relatie met Frisch liep uit in een catastrofale breuk. Naast de ‘reguliere’ liefdesrelaties zijn er ook de suggesties van een grote seksuele appetijt en nogal kinky voorkeuren. Ook de psychische problemen waarmee Bachmann af te rekenen had en haar verslaving aan alcohol en alle mogelijke ‘tabletten’ spreken tot de verbeelding, net als haar gruwelijke levenseinde in Rome, waar ze overleed aan de gevolgen van ernstige brandwonden (opgelopen toen ze ongetwijfeld zwaar bedwelmd per ongeluk haar nachtpon in brand stak) en wellicht ook van een te abrupte ontwenning. Dat alles is gedocumenteerd en gefictionaliseerd in een waaier van verhalen, uitspraken en studies en in een aantal zeer bekend geworden foto’s, waarop de fan naar believen zijn fantasieën kan projecteren.

Bijzonder is de figuur Bachmann ook omdat ze de worsteling van het naoorlogse Oostenrijk met de nazitijd belichaamt. Als dochter van een overtuigde nazi en Wehrmacht-officier onderneemt ze een resolute poging om zich van het denken en het spreken van de vader- en dadergeneratie los te maken, maar moet ze ook ervaren dat het onmogelijk is om werkelijk tabula rasa te maken met het verleden. Symbolisch voor haar onverschrokken streven naar ‘ontworteling’ mogen haar relaties heten met een aantal Joodse mannen: met Celan, natuurlijk, maar bijvoorbeeld ook met Hans Weigel, haar Weense mentor in de jaren na de oorlog, en zelfs met Henry Kissinger, die ze leerde kennen toen ze in 1955 op uitnodiging een aantal maanden in Harvard mocht wonen en werken. Daar tegenover staan een klaarblijkelijk onvermogen om zich ooit geheel van het land van herkomst los te maken en, meer in het bijzonder, een sterke vaderbinding. Levenslang bleef ze op gezette tijden naar het ouderhuis terugkeren, en ze onttrok zich niet aan het schuldige zwijgen van de familie over het naziverleden van de vader. Zoals haar biografe Ina Hartwig suggereert is ze er dan ook nooit in geslaagd haar vader radicaal te ‘ontidealiseren’.

Van die worsteling getuigt ook Bachmanns werk. Na twee bijzonder goed onthaalde gedichtenbundels breekt ze met de poëzie, die in haar ogen wellicht te zeer verbonden was gebleven met een fout verleden en een bijbehorende ideologische context. De keuze die ze vervolgens maakt voor verhalend proza stort haar echter in een literaire crisis, die ze nooit meer zou overwinnen. In de rest van haar loopbaan zou ze nog slechts twee verhalenbundels, de roman Malina (1971) en een aantal essays, kritieken en toespraken publiceren. De laatste periode van haar schrijverschap wordt beheerst door het grote ‘Todesarten’  (‘Doodsoorzaken’) project, dat bij haar leven echter alleen de genoemde roman zou opleveren. Het grootste deel van de teksten uit dit project zou ze nooit voltooien: het bleef bij een imposante labyrintische ruwbouw, waarvan de bouwblokken in 1995 werden verzameld in een kloeke vijfdelige cassette, samen meer dan 3000 pagina’s.

 

Een dagboek en brieven

Bachmann is door dit alles zonder meer een cultfiguur, ook vandaag nog. Geen wonder dan ook dat in het Duitse taalgebied in de slordige halve eeuw sinds haar vroege dood een niet aflatende stroom van biografieën, brieven, tekstuitgaven, commentaren, bespiegelingen en parafernalia het licht heeft gezien. In die context moet Oorlogsdagboek worden gesitueerd. Wat hier voorligt is de integrale vertaling van een tien jaar geleden bij Suhrkamp verschenen boekje.

Het interessantste onderdeel van de uitgave is de tekst van een klein aantal getypte fragmenten uit een dagboek van de jonge Bachmann dat vermoedelijk verloren is gegaan. Wat hier als een ‘oorlogsdagboek’ wordt gepresenteerd is dus een korte en zeer onvolledige tekst. Het eerste deel ervan laat zien hoe miserabel het leven was in de laatste maanden van de nazitijd, met de materiële tekorten, de bombardementen en het naderende front, en hoezeer de jonge Bachmann het regime als steeds verstikkender en stompzinniger ervoer. Het tweede deel handelt over de eerste tijd na het einde van de oorlog, toen ze in het Karinthische dal woonde waar de vader vandaan kwam. Ze ontmoette er de in 1938 als achttienjarige geëmigreerde Oostenrijkse Jood Jack Hamesh, die direct na de oorlog korte tijd naar zijn vaderland zou terugkeren als lid van de Engelse Field Security Service, vooraleer door te reizen naar Palestina, waar hij zich definitief zou vestigen. Dat Bachmann als dochter van een Oostenrijkse nazi en officier, in dat pas uit de nazitijd ontwakende dorp in de zwartste provincie van het land, openlijk een relatie aanknoopte met een vertegenwoordiger van de overwinnaars die dan ook nog eens – zoals verschillende andere van haar latere minnaars – een Jood was, laat zich natuurlijk alleen maar opvatten als een demonstratieve, uitdagende afwijzing van de (denk)wereld waarin ze was opgegroeid, temeer ook omdat een cruciaal onderdeel van hun relatie een gedeelde belangstelling was voor onder de nazi’s verboden politieke en literaire geschriften.

Op deze dagboekfragmenten volgen dan een aantal brieven die Hamesh aan Bachmann schreef tijdens en na zijn naoorlogse Oostenrijkse passage. Die brieven zeggen natuurlijk vooral veel over Hamesh. Hij verschijnt erin als iemand die wanhopig worstelt met het trauma van de overlevende: hij moet weer zien aan te knopen met het leven na de Shoah, en dat in het pijnlijke bewustzijn dat hij zijn taal en zijn vaderland voorgoed is kwijtgeraakt. Voor wie zonder mededogen leest, klinken de brieven sentimenteel en vol zelfbeklag. Achter het pathos gaat echter een extreem lijden schuil dat zich jammerlijk moet behelpen met clichés om tot uitdrukking te komen.

Wie in deze brieven op zoek gaat naar nieuwe informatie over Bachmann in deze periode, leert weinig bij, tenzij dan dat de jonge schrijfster en studente in Graz en Wenen duidelijk niet geneigd is om zich aan Hamesh te binden. De weigering dan wel het onvermogen om zich eens en voorgoed ‘aan iemand te geven’ zou trouwens een constante worden in Bachmanns leven, die zich op verschillende manieren laat uitleggen: als een logische consequentie van haar streven naar emancipatie en individuele ontplooiing, bijvoorbeeld, maar ook als het gevolg van de problematische vaderbinding, die zelf niet los kan worden gezien van de bijzondere politiek-ideologische en historische context van haar leven en optreden.

 

Een nawoord voor Duitse lezers

Bachmanns en Hamesh’ teksten worden omstandig gecommentarieerd in een nawoord van Hans Höller, een van de éminences grises van de Bachmannkunde. Hij kadert de dagboekbladzijden in de biografische en historische context en in Bachmanns werk. Höllers tekst is degelijk en informatief, maar natuurlijk wel geschreven met een Duitstalig publiek voor ogen, dat meer voorkennis en een grotere betrokkenheid bij het onderwerp heeft dan Nederlandstalige lezers. In vertaling geeft het nawoord daardoor een nogal specialistische indruk. Zo kan men zich afvragen wat de Nederlandstalige lezer eraan heeft te vernemen dat het dagboek verbonden kan worden met passages uit de onvoltooide roman Der Fall Franza, die weliswaar ooit (in 1987) in het Nederlands is vertaald, maar bij de grote meerderheid van de Nederlandstalige lezers anno 2020 volslagen onbekend mag heten. Het nawoord ziet er bovendien behoorlijk academisch uit, compleet met voetnoten, een aansluitend ‘Redactioneel commentaar’ en een ‘Dankwoord’. In Duitsland is dat allemaal niet zo ongewoon, hier te lande werkt het vooral drempelverhogend.

Mij lijkt dat vertaalster Machteld Bokhove (die zich duidelijk wel goed in de Bachmann-literatuur heeft ingelezen) hier zelf op de voorgrond had moeten treden, met een eigen commentaar bij de teksten dat de hedendaagse Nederlandse lezer, didactisch en inleidend, Bachmanns wereld binnenleidt. Die tekst had dan een uitwerking kunnen zijn van het ‘Slotwoord’ van Oorlogsdagboek. Zoals het nu is schetst Bokhove daar de biografische achtergrond van het dagboek, waarna ze nog kort ingaat op het utopische in Bachmanns werk en de discussie over de slachtofferrol die de schrijfster zichzelf vaak toedicht, om vervolgens nogal abrupt af te breken. De tekst maakt daardoor een nogal onaffe indruk, en is ook niet altijd even samenhangend. Zo lijkt Bokhove eerst Bachmanns bewering dat ze de Anschluss (de annexatie van Oostenrijk door nazi-Duitsland in 1938) als kind als een schokkende gebeurtenis ervoer, klakkeloos voor waar aan te nemen, om er dan een paar bladzijden verderop op te wijzen dat die versie van de feiten toch met de nodige scepsis moet worden bezien.

Hinderlijk aan Oorlogsdagboek is ten slotte dat de vertaling nogal te wensen overlaat. Ook hier is het Duits vaak niet dicht genoeg naar het Nederlands toe gebracht, en klinkt de tekst vaak ‘vreemd’. Dat geldt in het bijzonder voor de vertaling van de dagboekbladzijden, die toch wel als het kernstuk van deze uitgave mogen worden beschouwd. Het begint al in de tweede zin, waar ‘Panzerfaustausbildung’ vertaald wordt met het afzichtelijke ‘antitankgeschuttraining’. Verder op de bladzijde wordt ‘Lehrerbildungsanstalt’ vernederlandst tot ‘Kweekschool’, maar ‘Zeugnis’ blijft ‘getuigschrift’, wat verwarrend is voor wie niet weet dat het in Oostenrijk gebruikelijk is om een cijfer toe te kennen in een ‘Zeugnis’. Soms slaat Bokhove de bal wel heel erg mis. Over de hond van Bachmanns buren in Klagenfurt heet het: ‘Ali is de dag erna naar binnen gegaan’ – als vertaling van ‘eingegangen’, hier in de betekenis van sterven! Op de kwaliteit van Bokhoves vertaalwerk bleek overigens ook in het verleden wel wat af te dingen.

Alles bij elkaar is Oorlogsdagboek dus een gemiste kans. Bachmanns tekst is bijzonder interessant, Hamesh’ brieven laten zich lezen als een belangwekkend complement erbij. Höllers nawoord was echter beter door een oorspronkelijk Nederlands nawoord vervangen dat bij voorkeur een uitgewerkte en sterk verbeterde versie was geweest van het slotwoord van de vertaalster. De vertaling zelf had nog een grondige revisie nodig.

 

Recensie: Oorlogsdagboek van Ingeborg Bachmann door Erik Spinoy

 

Koppernik, Amsterdam, 2020
Vertaald door: Machteld Bokhove
ISBN 9789492313942
128p.

Geplaatst op 19/08/2020

Tags: Hans Höller, Ingeborg Bachmann, Jack Hamesh, Machteld Bokhove, Max Frisch, nationaalsocialisme, Nazi-Duitsland, Oostenrijk, Paul Celan

Categorie: Biografie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.