Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
In een aangrijpend essay van begin dit jaar in de London Review of Books (Vol. 47 nr. 4, 6 maart 2025), getiteld ‘Beware the man whose handwriting sways like a reed in the wind’, schrijft Anne Carson:
When I was diagnosed with Parkinson’s disease a symptom particularly mortifying to me was that my handwriting disintegrated. I used to take pleasure in writing in notebooks, shelves of them, day after day, year after year. Now the upright strokes bend or break or go in all directions, vowels shrink to blobs, slant loses its smooth smart angle, it all looks just embarrassing. Or, Barthes would say, stupid. I scrub out whole paragraphs in shame.
Hard to describe or explain the shame of bad handwriting.
Een aantal dingen valt op. De mededeling is zonder opsmuk – ‘When I was diagnosed with Parkinson’s disease’. Dan, de onmiddellijke koppeling met iets anders, hier het schrijven, het componeren, terwijl de diagnose op zoveel emotionele en praktische zaken een verpletterende uitwerking moet hebben. Maar schrijven is heel het leven, dus wekt de aantasting van die vitale praktijk afgrijzen. Vervolgens, uiteraard via de literatuur, in dit geval Roland Barthes, volgt alsnog een affectieve uitspraak. Niet Carson zegt dat deze nieuwe realiteit ronduit ‘stom’ is, zij gebruikt liever een woord uit een hoger register (‘embarrassing’). Nee, Barthes zegt het: ‘stupid’.
Dit sluit aan bij de rode draad van het stuk. Carsons essay gaat immers ook over het werk en de werkwijze van de door haar bewonderde schilder Cy Twombly (1928 – 2011), die in zijn kunst dikwijls gebruikmaakt van het handschrift, en waarover Roland Barthes in The Responsibility of Forms de open vraag stelt: ‘How to draw a line that is not stupid.’
Is Anne Carson in 2020 al op de hoogte van de ingrijpende diagnose? In elk geval opent ze in oktober van dat jaar op de Literary Hub in een stuk getiteld ‘The Sheer Velocity and Ephemerality of Cy Twombly’ met dezelfde vraag van Barthes over Twombly. Barthes’ vraag fascineert Carson in dit stadium nog vooral omdat ze de ‘uitstekende’ vraag troostrijk vindt, ‘for I’ve always disliked my own hand’.
Het gaat dus ook, in poëticale zin en buiten de latere diagnose van Parkinson om, om een verlangen naar controle. Een slecht of lelijk handschrift staat gelijk aan verraad, aan een blik op het schaamtevolle. Carson is evenals Barthes gefascineerd door ‘de hand’ of de lijn van Twombly, die van niemand is of lijkt te zijn, en (juist daardoor) van iedereen is, ‘mythic, or just a stain left behind by something written there before’.
Twombly’s intentie is om het Zelf achterwege te laten of uit het zicht te houden, om de sporen van het ego te ontwijken, omdat de leegte interessanter is dan de ruis van onze aanwezigheid. Niet dat de poëzie van Carson een ascetisch project is, integendeel, maar het verlangen uit het beperkte ‘ik’ te breken, is overal in het oeuvre terug te vinden. Alleen zo komt ze paradoxaal genoeg tot de kern.
Dus gaat het in The Beauty of the Husband (2001) niet alleen over het einde van een huwelijk, maar in hoge mate over vorm, via tekstfragmenten en meditaties over schoonheid van John Keats (‘I DEDICATE THIS BOOK TO KEATS (IS IT YOU WHO TOLD ME KEATS WAS A DOCTOR?) ON GROUNDS THAT A DEDICATION HAS TO BE FLAWED IF A BOOK IS TO REMAIN FREE AND FOR HIS GENERAL SURRENDER TO BEAUTY’). En zo wordt in Nox (2010) niet zomaar de overleden broer van Carson herdacht, maar gebeurt dat, in een bijzondere en onconventionele uitgave, aan de hand van een elegisch gedicht van Catullus, en verder collages, tekeningen, foto’s, snippers uit brieven. Een onvertaalbaar boek, lijkt mij, juist door de unieke materialiteit van de tekst. Met collages werkt Carson trouwens hoe langer hoe meer, zie alleen al H of H Playbook (2021) en Wrong Norma (2024), of de prachtige eerste uitgave van Antigonick (2012).
‘Beware the man whose handwriting sways like a reed in the wind’ zou een plat, tragisch essay kunnen zijn, want ‘Your handwriting is your brain and your brain is you’, maar ‘Parkinson’s messes with all that.’ Een ramp dus:
Many physical actions are inhibited or mangled, like brushing one’s teeth or writing with the hand. But scriptural disintegration is just an image of the beginning of a cognitive breakdown whose gradual effects will include disorder, discontinuity, forgetting, gaps and fissures, slowdowns and stops.
Het is tekenend voor dit avontuurlijke, inventieve en onderzoekende schrijverschap dat ook een onthullend essay als dit de performatieve taal bevat die Carsons oeuvre voor zoveel lezers aantrekkelijk maakt. Het is alsof de Canadese classica voor een zaal studenten staat die ze direct aanspreekt. Zo is ze heel bewust bezig hen (wij, de nieuwsgierige lezers) bij de les te houden.
In The Beauty of the Husband gebeurt dat aanspreken heel expliciet, bijvoorbeeld in een regel als ‘Fair reader I offer merely an analogy’, of hier:
Or supposing,
fair reader,
you are trying to recollect not autumn but freedom,
a principle of freedom
that existed between two people, small and savage
as principles go – but what are the rules for this?
Het lyrisch ik zoekt een getuige, iemand die de crisis aanvoelt en een bondgenoot zou kunnen zijn. Ook in ander werk is dat adresseren aanwezig. In het Parkinson-essay lees ik:
Let’s start with life, your life. There it is before you – possibly a road, a ribbon, a dotted line, a map – let’s say you’re 25, then you make some decisions, do things, have setbacks, have triumphs, become someone, a bus driver, a professor, a pirate, years pass, maybe in a family maybe not, maybe happy maybe not, then one day you wake up and you’re seventy. Looking ahead you see a black doorway. You begin to notice the black doorway is always there, at the edge, whether you look at it or not. […]
A minute ago you were 25. Then you went ahead getting the life you want. One day you glanced over from 25 to now and there it is, the doorway, black, waiting.
En verderop: ‘Do you ever wonder what it’s like inside the brain? Is it a noisy workroom or a silent laboratory? What does a sound sound like in there? I imagine it as a big boardroom with CEOs sitting around staring at their phones and sending one another texts.’ Het is het alom bekende idee van literatuur als flessenpost.
Dit is meteen het andere aspect van Carsons stijl: die typerende, ongebreidelde metaforiek, die in één vloeiende beweging van erudiet naar banaal gaat, van contemplatief naar geestig, en alles tegelijk. (‘Anyway, going back to tremor: I brush my teeth with my right arm and right hand, where I have a tremor: the toothbrush therefore goes whamming up and down at a savage pace, colliding with lips and gums.’)
Het begrip ‘onderzoek’, dat te pas en te onpas in verband wordt gebracht met de schrijver of kunstenaar, is bij Carson wel écht van toepassing. De dichter beklaagt haar lot niet in het LBR-essay, al is de radeloosheid en de angst voor wat in de komende jaren te wachten staat duidelijk tussen de regels te lezen. Al schrijvende probeert ze tot een beter begrip te komen van de ziekte en haar geestelijke en fysieke gevolgen. Dit mondt uit in een existentieel vraagstuk: wat verwacht ik van mijzelf, op deze leeftijd, wat ben ik aan mijzelf verschuldigd als wat ik denk te zijn, straks niet meer gaat?
Afgemeten openhartigheid
De aantrekkingskracht van Carsons eerste, werkelijk baanbrekende werk, Glass, Irony and God uit 1995, ligt wat mij betreft voor een flink deel in de erudiete, ogenschijnlijk koele maar eigenlijk zeer warme, vertrouwelijke toon. Het is allereerst de markante stijl die mij jaren geleden rechtop deed zitten en die mij nu, bij het verschijnen van Glas, ironie & God, wederom meesleept. Evenals Rood (met daarin opgenomen het tweeluik Autobiography of Red uit 1998 en Red Doc> uit 2013) en De schoonheid van de echtgenoot (2024), is Glas, ironie & God vertaald door Marijke Emeis en smaakvol uitgegeven door Koppernik.
Glass, Irony and God verscheen dertig jaar geleden, maar het boek is allerminst gedateerd. Het is heerlijk om, inmiddels met de kennis van een omvangrijk en veelzijdig oeuvre, opnieuw (en nu in de eigen taal) kennis te maken met al die bekende ingrediënten die Anne Carsons teksten zo’n avontuur maken om te lezen. In dit vroege werk lees je het impliciete adresseren en doceren al terug; uiteraard zijn de essayistische gedichten doordrongen van referenties aan de klassieken, en meer dan dat, de klassieken worden toegeëigend, naar de hand gezet (maar nooit kapot of belachelijk gemaakt). Er is het spel met tekstvorm, al komt dat in later werk krachtiger en veel excentrieker tot uiting, en ondanks het ogenschijnlijk onthullende karakter van het bekende openingsgedicht, ‘The Glass Essay’, kun je het gedicht prima lezen als het achterlaten van het Zelf. Ja, ‘The Glass Essay’ is precies, gedetailleerd, maar het gedicht spreekt vooral tot de verbeelding omdat het niet bij de ‘ik’-figuur en haar moeder blijft. De ogenschijnlijk eenvoudige en zelfs wat dunne verhaallijn (verteller bezoekt bejaarde moeder die geïsoleerd op ‘een heideveld in het noorden’ woont, denkt na over haar ex, ene Law, en over het werk van Emily Brontë) wordt een rijke vertelling over de generatiekloof tussen een moeder en een dochter, een bespiegeling op de kwetsbaarheid van het vrouwenlichaam, en de niet altijd prettige afhankelijkheid van en hunkering naar de liefde.
Het gedicht zit vol momenten die ik koester. Nu ik het voor de eerste keer in het Nederlands lees, is het even wat wennen na die jarenlange vertrouwdheid met het Engelstalige origineel. Zo luidt de beroemde opening:
I can hear little clicks inside my dream.
Night drips its silver tap
down the back.
At 4 A.M. I wake. Thinking
of the man who
left in September.
His name was Law.
My face in the bathroom mirror
has white streaks down it.
I rinse the face and return to bed.
Tomorrow I am going to visit my mother.
Als in het hele oeuvre, is hier een verteller aan het woord die iets wil zeggen maar ook niet te veel woorden vuil wil maken. De afgemetenheid, de directheid, het onsentimentele: het zit er allemaal al in. Het is strak als het proza van J.M. Coetzee. Ik merk dat Emeis dat strakke in het Nederlands wil oproepen, omdat het bij Carson op de eerste plaats om het ritme van de zinnen gaat. Dat ritme is niet enkel een formele kwestie; de talige afgemetenheid leidt tot een eigenaardige vorm van openhartigheid en mededeelzaamheid:
Ik
Ik hoor binnen in mijn droom klikjes.
Nacht drupt uit zijn zilveren kraan
langs de achtergevel.
Om 4 uur ’s nachts. Ik lig wakker. Denk
aan de man die
in september vertrok.
Hij heette Law.
In de badkamerspiegel
staan witte strepen langs mijn gezicht.
Ik was het af en ga terug naar bed.
Morgen ga ik mijn moeder bezoeken.
De aard van de band tussen moeder en dochter komt tot uitdrukking in de stroeve dialoog en het banale gekissebis van alledag, die in het licht van het grotere thema natuurlijk helemaal niet zo banaal is. De vraag ‘Is dit poëzie?’ is irrelevant.
‘Het glas-essay’ is een verschrikkelijke en verschrikkelijk goede tekst. Een tekst over het precaire vrouwenlichaam, over seksuele schaamte, onderworpenheid, en de al dan niet succesvolle poging zich daaraan te ontworstelen:
In dat ene moment
toen ik als een baviaan mijn kleine brandend rode onderrug
bleek uit te steken naar een man
die mij niet langer koesterde
heb ik alles geleerd wat ik nu weet over liefde en noodzaak.
En dan is er in dit essay-gedicht nog het ‘hoofdstuk’ ‘Held’, een tekst van de buitencategorie in een toch al uitzonderlijk gedicht. Moeder en dochter krijgen aan de ontbijttafel ruzie, die zowel een generatiekloof laat zien (‘Je zegt dat vrouwen verdienen verkracht te worden / omdat in Sears-advertenties / hoog uitgesneden badpakken staan? Meen je dat nou echt, ma?’), als het besef van verlies van wat zo dierbaar is (‘Van grote hoogte overvalt me het fragiele feit/ dat mijn moeder bang is. / Ze wordt deze zomer tachtig.’). Waarom van de buitencategorie? Omdat Carson hier het scherpe kijken, het essayistische en het onthullende met een warme deernis en mensenkennis inkleurt. Dat kun je niet leren. Het is niet per se ‘echt’, maar je voelt dat wat je leest ‘waar’ is, of waarachtig.
‘Het glas-essay’ is een liefdesverklaring aan het strijdbare lichaam, aan de moeder, en aan de allesbepalende kracht van het verlangen. Terecht dat dit gedicht de bundel opent. Met het risico dat de rest tegenvalt, maar dat is gelukkig niet het geval, ook omdat Carson – denk aan haar spel met tekstvormen – steeds iets heel anders doet in de opeenvolgende teksten. En appels en peren laten zich niet vergelijken. Na de openhartigheid en de toegankelijkheid van ‘Het glas-essay’ is ‘De waarheid over God’ niet zozeer een tekst over religie of spiritualiteit, maar een gedicht dat een abstractie probeert te concretiseren, zoals Carson laat zien in ‘Gods stijve’ en ‘Gods vrouw’ – een abstractie die de westerse cultuur in grote mate bepaalt. ‘De waarheid over God’ verklaart (mede door het concept van misreading te omarmen), vult gaten op, en creëert nieuwe sporen:
In den beginne was er een dag voor alle soorten taken.
Maar op de dag dat Hij gerechtigheid moest scheppen
was God net even aan de gang met een libelle
en lette Hij niet op de tijd.
Het diertje was om en nabij 5 centimeter lang
met turquoise stippen over de hele rug net als Lauren Bacall.
Na al die jaren word ik opnieuw aangenaam getroffen door de cyclus ‘Tv-mannen’, met zijn hak-op-de-tak-verbeelding, zijn hilarische en gedurfde anachronismen, wat in een opvoering resulteert die zowel glashelder is als totaal onnavolgbaar. Averechtse portretten zijn het, van de Trojaanse held Hektor (‘Wij bezoeken Hektor / de avond voor de filmopnames in Death Valley’), Socrates (vertaalster Emeis kiest voor ‘Sokrates’), toneelschrijver Antonin Artaud (‘Ze vonden hem bij zonsopgang. Hij zat op het voeteneinde van zijn bed. Met zijn schoen in zijn hand’), Sappho en ‘De slaper’. Ook de cycli ‘De val van Rome: een reisgids’ en ‘Het boek Jesaja’ zijn teksten waar elke andere dichter een moord voor zou doen, maar die hier gewoon twee van de zes lange teksten zijn.
‘Teksten’, want de afsluiting is zeker geen gedicht te noemen. In het essay ‘Het gender van geluid’ lees ik Carson op haar best. Nee, ze is geen activist of feminist op de pamflettistische manier, maar wat ze te zeggen heeft is ook nu, zoveel jaar na dato, (helaas) bijzonder actueel, activistisch en feministisch. ‘Het gender van geluid’ is een tekst over misogynie en de minachting van de vrouw, en laat zien hoe krankzinnig argumenten raken om ongelijkheid in stand te houden:
Een hoge stem en spraakzaamheid horen alle twee bij iemand die afwijkt van, of niet voldoet aan, het mannelijke ideaal van zelfbeheersing. Vrouwen, schandknapen, eunuchen en hermafrodieten vallen in deze categorie. Hun klanken zijn akelig voor het oor en geven mannen een gevoel van onbehagen. De omvang van dit onbehagen is af te meten aan Aristoteles’ inspanningen om aan de hand van fysionomie het gender van geluid te verklaren; uiteindelijk schrijft hij de lage klank van mannenstemmen dan maar toe aan de spanning die op de stembanden van de man staat doordat de testikels fungeren als gewichten aan een weefgetouw.
Net als het werk dat ze na Glas, ironie & God nog zal schrijven, wordt de verwijzing naar de Griekse oudheid onder andere ingezet om te laten zien dat geschiedenis werkelijk doorwerkt in het heden, en herinnert aan gedragingen en denkwijzen vandaag de dag, als je kritisch en goed kijkt:
[D]e anekdote geeft ons een sterk beeld hoe de antieke cultuur het concept ‘anders-zijn’ van de vrouw neerzette. De vrouw is het schepsel dat de binnenkant aan de buitenkant legt. Bij projecties en lekken van elke soort – somatisch, vocaal, emotioneel, seksueel – onthullen of verkwisten vrouwen wat binnen dient te blijven. Vrouwen flappen er een rechtstreekse vertaling uit van wat bedekt dient te worden geformuleerd.
Glas, ironie & God biedt een staalkaart van alles waarin Carson uitblinkt: de averechtse denksprongen, de vreemde beelden, de heel precieze registratie van ons dagelijkse doen en laten, zowel het fantastische (zie Autobiografie van Rood) als het realistische en minutieuze (bijvoorbeeld Nox).
Een dichter die je zo door en door denkt te kennen, het blijft vreemd die in een andere taal te lezen, ook al is het je moedertaal. Maar net als in haar eerdere vertalingen doet Emeis wat mij betreft recht aan de strakke, ritmische taalbehandeling van het origineel, al zou ik hier en daar zeker andere keuzes hebben gemaakt, en zijn er nu en dan wat kleine onzorgvuldigheden blijven zitten (op een regel bijvoorbeeld ‘Hektor’, en direct daaronder ‘Hector’). Van de grootsheid van dit werk ben ik na het dichtslaan van deze vertaling echter andermaal overtuigd.
Werkterrein
Die grootsheid staat wat mij betreft nu in het licht van de tragiek waarover Carson schrijft in ‘Beware the man whose handwriting sways like a reed in the wind’. De onnavolgbare dichteres, classica, vertaalster en essayiste is, hoe meer ik erover denk, eigenlijk bijzonder openhartig voor haar doen:
The more I know about Parkinson’s disease, the more I see it as holding oneself upright against a current that never ceases to pull. The books tell me to pay conscious, continual attention to actions like walking, writing, brushing my teeth if I want to inhibit or delay the failure of neurons in the brain. It is hard to live within constant striving. It is hard to live within the word ‘degenerative’, which means that, however I strive, I do not win.
Het vertalen van Carsons werk is een lovenswaardig project waarmee Koppernik bezig is. Het is van groot belang dat werk van de grootste dichters (Tranströmer, Pessoa, Holub, Szymborska, Brodsky, Rankine, Darwish, en ga zo maar door) in het Nederlands verschijnt, en zo deel wordt van het plaatselijke landschap. Mijn Engelse uitgave uit 1995 bevat nog een (inzichtelijke) inleiding van Guy Davenport. Nu zou dat ondenkbaar zijn, Carson kan haar bio tegenwoordig afdoen met het ultrakorte: ‘Anne Carson was born in Canada and teaches ancient Greek for a living.’ Geen reden om die inleiding bij de vertaling te voegen, dat snap ik. Een roman van Salman Rushdie of Zadie Smith wordt ook niet ingeleid. Maar in 1995 leek het blijkbaar nog een goed idee, en Davenport geeft rake typeringen, onder andere:
Poets distinguish themselves by the way they see. A dull poet is one who sees fashionably or blindly what he thinks poets see. The original poet sees with new eyes, or with imported vision (as with Eliot seeing Laforgue or Pound like the Chinese). Anne Carson’s eyes are original.
Geen Davenport dus in Glas, ironie & God, wel een kort en informatief nawoord van de vertaalster. Over de ‘Tv-mannen’-reeks schrijft Emeis bijvoorbeeld: ‘In ‘Tv-mannen’ ondermijnt Carson al eerder Hektors heldenimago en schetst hem als een man met zwakke kanten. Zo eentje die ’s avonds snel nog een briefkaart schrijft aan zijn vrouw Andromache, die boven het vuur badwater warmt voor als hij moe van het moorden thuiskomt. […] Carson vult de gaten in zijn imago. Maakt hem een vollediger mens.’
Wie weet volgen vertalingen van boeken als Decreation (2005), Norma Jeane Baker of Troy (2019) en het meest recente werk Wrong Norma, waarin Carson andermaal laat zien dat niet alleen het bizarre en het grillige haar werkterrein is, maar ook onze soms al te pijnlijke, dagelijkse, onderlinge interactie. Zoals met de geliefde, dementerende vader die in een kliniek zit ‘voor patiënten die chronische zorg nodig hebben’, en in het magistrale hoofdstuk ‘Held’ uit het ‘Glas-essay’ door zijn dochter wordt gebeld, jaren eerder, als de eerste tekenen van de ziekte merkbaar worden:
Een zondagavond in de winter.
Ik hoorde zijn zinnen vollopen met angst.
Hij begon aan een zin – over het weer, raakte verdwaald, begon aan een volgende.
Luisteren naar zijn gestuntel maakte me razend –
mijn lange trotse vader, oud-navigator uit de Tweede Wereldoorlog!
Het maakte me genadeloos.
Ik keek vanaf de rand van het gesprek
hoe hij wanhopig aanwijzingen zocht,
gaf hem er geen,
en pas als een langzame lawine bereikte me
dat hij geen benul had met wie hij praatte.
Vandaag een stuk kouder lijkt me…
zijn stem drong binnen in de stilte en brak af,
raakte besneeuwd.
Er viel een lange pauze waarin sneeuw ons allebei bedekte.
Ik zal je niet langer ophouden,
zei hij wanhopig opgewekt ineens alsof hij land in zicht had.
Leven, dat is schatten verzamelen en schade veroorzaken, schade oplopen, schade aanschouwen. Tot het allemaal ophoudt. Om dat alles waarachtig te kunnen maken op papier, moet je meer kunnen dan gewoon goed schrijven.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.