Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Het moet op een poëzieavond ergens rond Valentijn 2009 geweest zijn dat ik Peter Verhelst hoorde voorlezen uit zijn bundel Nieuwe sterrenbeelden (2008). Ergens midden in een vers uit een reeks wrange liefdesgedichten stokte de dichter en was hij tot tranen toe bewogen door zijn eigen woorden. Dat is het moment waarop Verhelst voor mij transformeerde van een postmodernist in een sentimentele dichter – de performance onderstreepte uitstekend de inhoud van de verzen, die voor een tot dan toe als postmodern te boek staande auteur ongezien schaamteloos over emoties gingen. Grote, heftige emoties: ontroering, verzengende liefde, melancholie, verdriet.
Die bundel markeert ook het moment waarop Verhelst een populair dichter werd. Nieuwe sterrenbeelden leverde hem de eerste van drie Herman de Coninck-prijzen op (de andere kreeg hij voor Wij totale vlam (2014) en Zing zing (2016), die inhoudelijk en stilistisch in het verlengde lagen), de oplages van zijn bundels overschreden vlot de duizend exemplaren (uitzonderlijk voor poëzie!), en sindsdien krijgt hij ook voor zijn dichtwerk systematisch aandacht in dagbladen en zelfs in Humo (uitzonderlijk voor poëzie!).
Die voor Verhelst nieuwe poëziebenadering culmineerde in de zelfbloemlezing Koor (2017), waarin hij zijn gedichten samenbracht en herschikte. Daarin figureren nog wel een aantal van zijn vroege verzen, maar de nadruk ligt toch vooral op de poëzie vanaf Nieuwe sterrenbeelden, de bundel die klaarblijkelijk ook naar het aanvoelen van de dichter een cesuur in zijn oeuvre vormt. De flaptekst van Koor spreekt over poëzie ‘waarin de grote thema’s als verdriet en liefde weer de bovenhand krijgen’ – misschien wel de kortste samenvatting van de poëtica vanaf Nieuwe sterrenbeelden. Sindsdien schrijft Verhelst sentimentele poëzie.
Daarmee bedoel ik niet alleen dat hij de auteur is van gevoelige, overgevoelige, soms huilerige en zelfs pathetische verzen (wat allemaal opgaat voor zijn gedichten), maar ik gebruik de term ook in de betekenis die Friedrich Schiller eraan geeft in Über naive und sentimentalische Dichtung (1795). Anders dan de naïeve dichter ervaart de sentimentele dichter een fundamentele breuk tussen hemzelf en de natuur: het eenheidsgevoel is opgeheven, en daarover reflecteert hij in zijn werk, waarin gestreefd wordt naar hernieuwde harmonie, wat vaak mislukt zodat de kloof tussen de imperfecte werkelijkheid en het ideaal net onderstreept wordt. Dat resulteert in elegische of idyllische verzen.
Precies als zodanig kan Verhelsts poëzie gekarakteriseerd worden: hij schrijft melancholische gedichten over een onbereikbaar gevoel van eenheid of spiegelt de lezer beelden voor van een ideaal moment waarin dat toch tot stand komt. De liefde is bij Verhelst bij uitstek het terrein waarop de kloof tussen werkelijkheid (de fundamentele eenzaamheid) en ideaal (het samenvallen met de ander, het opgaan in elkaar – letterlijk: een eenheidsgevoel) eventjes een moment gedicht kan worden. Wij totale vlam en Zing zing kunnen gelezen worden als smachtende liefdespoëzie over het opheffen van de individualiteit via lichamelijkheid. Beschreven wordt de zoektocht naar grenservaringen die het mogelijk maken om uit zichzelf te treden.
Zon (2019) en 2050 (2021), waarin Verhelst zich ontpopte als politiek en maatschappelijk geëngageerd dichter, tonen dan weer hoe ver realiteit en ideaal uit elkaar liggen: de bundels waarschuwen voor gevaarlijke utopieën als nationalisme of ecopositivisme. Ze bieden beelden van de disharmonie en de anti-idylle waarin de werkelijkheid vervallen is. Die bundels onderstrepen dat bij Verhelst sentimentele poëzie geen onoverdachte romantisch angehauchte puberlyriek is, maar voortkomt uit een reflectie over de breuk met de natuur.
Zabriskie, dat geldt als het sluitstuk van de geëngageerde trilogie, kan begrepen worden als een synthese, waarin de dichter nagaat hoe de mens weer dichter bij de natuur en bij zichzelf kan komen, en beschrijft hoe de heelheidservaring hersteld kan worden. In zeldzame momenten van uitzonderlijke schoonheid (in natuur of kunst) licht heel kort het ideaal op, en valt de mens samen met zichzelf en de wereld – het zijn momenten waarin het verhevene ervaren wordt. Dat zijn ervaringen die het leven in barre tijden de moeite waard maken.
Naar dat soort buitengewone en buitengewoon precieuze momenten is Verhelst opnieuw op zoek in zijn nieuwe bundel Nachtatlas. Die sluit aan bij Zabriskie (het motief van de witte lynx tegen de witte achtergrond duikt hier opnieuw op), maar grijpt ook terug naar Wij totale vlam, zowel thematisch als wat de zegging betreft. Dat blijkt al uit het openingsgedicht ‘L.S.’ (Lectori salutem), waarin de lezer wordt aangesproken. Dat vers heeft de stamelende stijl van het titelgedicht van Wij totale vlam, waarin wat gezegd wil worden steeds wordt gepreciseerd en tentatief omschreven:
Ik had je willen vragen om één keer,
als was het voor de laatste keer en dan
voor eeuwig niets
als zouden wij nooit meer dan nu, nooit eerder
heeft er iemand iemand zo gewild,
heeft iemand zo verlangd als was het
voor de eerste keer, net voor het niets begint
had ik je één keer willen vragen.
Waar het over gaat (kennelijk iets eenmaligs, unieks, een hoogtepunt) blijft onuitgesproken – blijkt onzegbaar. Dat geldt voor de hele bundel: Verhelst houdt zich ver van beschrijvingen, maar omcirkelt met beelden de liminale ervaring.
In de eerste afdeling, ‘Mijn liefste ze speekt zoals stilte’ (naar een regel van Bob Dylan), tracht de dichter het wezen van de stilte en de liefde te ontdekken, want de liefde heeft iets van de absolute stilte: daarin worden alle zintuiglijke ervaringen en alle verlangens opgeheven. Vooral de gedichten die een tafereel uit de jeugd schetsen waarin de ik-figuur op zoek gaat naar volstrekte rust maken indruk. Die beginnen allemaal met de regel ‘Ik was een kind en gooide me van de rots’. Nu eens gooit de ik zich in zee, dan weer in een rivier, ten slotte in een vijver – telkens wordt de volkomen geruisloosheid gezocht. De gedichten beschrijven heel beeldend de intense lichamelijke sensatie van de confrontatie met het water, maar vooral de mislukkende zoektocht naar de totale afwezigheid van geluid. Die blijkt ook onder water onbereikbaar. En toch is dat een levenslang streven: ‘Zo ver mogelijk van thuis verwijderd hopen we de stilte te horen / van sneeuw vallend op sneeuw, wit op wit, droom in droom’ heet het elders. De paradox onderstreept de onmogelijkheid – het verlangen zal onvervulbaar blijven en slechts in de dood verwezenlijkt worden.
Tegelijk is de eerste afdeling een cyclus liefdesgedichten waarin de volledige overgave aan elkaar bepleit wordt (met als motief de steeds herhaalde imperatief ‘zeg ja’). Daarmee liggen deze gedichten duidelijk in het verlengde van Wij totale vlam, waarin ook gestreefd werd naar het samenvallen met de geliefde. Hoewel hij heel goed is in suggereren in plaats van benoemen (zie het openingsgedicht), schuwt Verhelst de grote woorden niet: ‘verlangen’ (‘verlangend naar verlangen’), ‘liefde’ (‘Ik weet niet in welke armen ik had gehoopt te springen, ik noem het liefde’), ‘gemis’, ‘angst’ en ‘dood’. Bij een minder dichter zou je daarop afknappen, Verhelst komt ermee weg, vooral omdat die abstracta ingebed worden in gedichten die bestaan uit heel concrete, originele beelden.
‘Mochten we mensen openmaken zouden we landschappen vinden’ heet de tweede afdeling, en ook daarin wordt gezocht naar wat exceptioneel is, zoals ‘die ene planetoïde […] / in de vorm van een schip en een eiland / en een vrouw en een lynx / en een mes en een roos tegelijk’. Of een onbeschrijflijk kort, onzichtbaar, ongrijpbaar moment: ‘Die seconde voor de eerste bloesem / van de eerste kersentak loskomt’, ‘Die seconde nadat de eerste bloesem / van de eerste kersentak is losgekomen’ of zelfs ‘Die ene seconde waarin de bloesem tegelijk / nog aan de tak hangt en al losgekomen is’. Eigenlijk wordt hier een mystieke ervaring nagestreefd; elders in de afdeling heet het: ‘Leegte, gat, zero, laatste letter van het alfabet.’ – allemaal synoniemen voor de (on)eindigheid.
De ultieme vorm van stilte en (on)eindigheid is uiteraard de dood. Daaraan is de derde afdeling, ‘Tegen het uitdoven van het licht’, gewijd. Dat is een lang gedicht waarin de dood aangesproken wordt als een godheid. Het is een bezwerend gebed tot een Gij, waarin allerlei eufemismen en synoniemen voor de dood worden opgesomd die de verschillende functies (verstrekker van een levensdoel, vernietiger, verlosser, …) en de verschillende houdingen tegenover het levenseinde (overgave, angst, boosheid, …) vatten. Het leidt tot een omarming van de dood, die gezien wordt als ultieme vervulling: ‘Gij, liefste allerliefste. Gij, hoogste streven. Gij, verlossing. / Kom dan toch!’, waarna ze ook expliciet genoemd wordt – Verhelst schuwt de grote, abstracte woorden opnieuw niet: ‘Dood. Mort. Death. Tot. Ja. / Muerto. / Ja. / Morto.’ In de dood wordt de disharmonie eindelijk opgeheven, het blijkt de ultieme ontmoeting met het verhevene: ‘Zo prachtig. De plek waar we / van droomden, duizelingwekkend, nog mooier dan we hadden gedroomd, / duister, schitterend, helder, dat licht / dat geen licht is.’
De titel Nachtatlas suggereert dat deze bundel een boek is dat je helpt navigeren door donkere tijden. Alleszins toont het hoe iemand recht blijft, namelijk dankzij het tegen beter weten in streven naar het hogere. Daarmee weet Verhelst opnieuw te charmeren.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.