Poëzie, Recensies

Gedichten, maar geen poëzie

Charmolypi

Annelies Verbeke

Charmolypi wordt in de markt gezet als het poëziedebuut van Annelies Verbeke. Daarbij wordt voor het gemak vergeten dat ze in 2013 bij De Bezige Bij samen met Klaas Verplancke Tirol inferno uitbracht, een graphic novel over mensen die vastzitten in een skilift waarvoor zij de tekst schreef: een episch gedicht dat bestaat uit kwatrijnen in een jambische pentameter waarvan telkens de tweede en de vierde regel rijmen. Maar misschien moeten we dat geen poëzie noemen. Tirol inferno is maakwerk waarbij alles – taallogica, zeggingskracht, lyriek – ondergeschikt is aan de metriek. Karamellenverzen, dus. Passons.

Maar nu is er dus een publicatie van Verbeke met op de cover ‘Gedichten’. De vraag is of dat poëzie oplevert. Alleszins moet dit de dichtbundel zijn met de mooiste, meest klankrijke en mysterieuze titel van de afgelopen jaren: Charmolypi is een onvertaalbaar Grieks woord, zo leert ons het achterplat, voor ‘een gevoel waarin verdriet en vreugde tegelijk aanwezig zijn en uit elkaar voortvloeien’ – een metafoor voor het bestaan, met andere woorden.

Een persoonlijk verslag van een bestaan, is ook wat we krijgen. Verbeke toont snapshots uit het leven van ene Nisaba. Die draagt de naam van de Soemerische godin van het schrijven, vernemen we opnieuw op de backcover, maar ook van het graan en – niet onbelangrijk voor de inzet van de bundel – de wijsheid (de coverafbeelding toont haar met een kleitablet en iets wat op een sikkel lijkt, de wijsheid zit dus in de woorden – deze teksten willen inzichten bijbrengen). Op het openingsgedicht van iedere afdeling na draagt elk vers een titel die begint met ‘Nisaba’ en kort de inhoud aangeeft: ‘Nisaba heeft geduld’, ‘Nisaba ruimt het zelf wel op’, ‘Nisaba legt zich erbij neer’. Daarmee plaatst Verbeke zich in een traditie van typetjes die in ultrakorte verhalen de werkelijkheid vanuit een gespeelde naïviteit bekijken en kritische vragen opwerpen. Monsieur Teste van Paul Valéry, Herr Keuner van Bertolt Brecht, Meneer Cogito van Zbigniew Herbert, Meneer Toto van Bernlef of Luuk Gruwezs Psilo, allemaal zijn het heertjes die in bizarre situaties terechtkomen, en met grote ogen de wereld observeren en de absurditeit ervan commentariëren. Met Nisaba voegt Verbeke – prominent lid van Fixdit, het collectief dat ijvert voor meer diversiteit in de letteren – daar zo’n figuur aan toe die de realiteit beschouwt vanuit een nadrukkelijk vrouwelijke blik.

Dat levert bijvoorbeeld gedichten op als ‘Nisaba’s eenmansbetoging’, waarin de kleurloosheid van de wereld op de korrel wordt genomen. Kleur wordt er onder andere geassocieerd met ‘labiel, primitief, feminien, vulgair’ en dus als antimannelijk weggezet ten voordele van beige en grijs. Of er zijn gedichten over mansplaining, zoals ‘Nisaba ondergaat’, waarvan de openingsstrofen luiden:

 

Volgens de man ligt het aan de passieve protagonist.
Volgens hem, volgens velen, om niet te zeggen allemaal
ligt het daaraan: geen boog.

Volgens de man kon ze het later wel.
Volgens zijn dossier onder haar neus volgde ze vervolgens zijn instructies op
ademde ze vervolgens correct, zonder maar dankzij hem.

 

Het oordeel van de man wordt gepresenteerd als algemeen geldig en universeel. In de openingsregels van ‘Nisaba moet nog veel leren’ heet het over een handtastelijke ijdeltuit die het beter weet:

 

Hij rukt de pluim uit zijn aars
zodat het zonlicht de wereld kan beschijnen?
hurkt naast haar neer met meer geduld dan ze verdient
en terwijl zijn hand haar knie test
legt hij het uit.   

 

Het zijn voorbeelden van verzen die een duidelijke aanklacht vormen tegen grensoverschrijdende gedragingen en toxische mannelijkheid.

Ook op andere vlakken dan de man-vrouwverhoudingen toont Verbeke zich een geëngageerd auteur. Vooral de hardheid van de meritocratie wordt met stijgende verbazing aangezien. In ‘Nisaba vindt van niet’ verwondert ze zich over het gebrek aan solidariteit dat onze hedendaagse prestatiegerichte maatschappij kenmerkt: ‘Een CEO vindt dat wie chips eet op de bank / eerder dood mag gaan / of toch minder moet worden geholpen / in leven te blijven.’ In ‘Nisaba legt zich erbij neer’ heet het: ‘Die met het backpfeifengesicht, / zij mogen ook leven, zij het verlamd’ (waarbij ‘backpfeifengesicht’ een Duits woord is voor ‘een smoel om op te slaan’, het gaat dus om mensen wier uiterlijk je niet aanstaat). Nisaba wordt moedeloos van zoveel onverdraagzaamheid en gaat op de grond liggen: ‘Boven haar moet de lucht opklaren. / Onder haar: Puhpowee’ – dat laatste is een term voor de kracht die paddenstoelen ’s nachts doet opschieten. ‘Nisaba mijmert over een ander boeg’ gaat dan weer over het verlangen dat ieder van ons wel eens bekruipt om je leven een wending te geven, liefst eentje waardoor je schatrijk wordt. Nisaba’s conclusie: ‘Nee, dan liever deze vertraagde ruimte voor training / in de grammatica van bezieldheid.’ Of neem het gedicht ‘Met lede ogen’, waarin de neokapitalistische newspeak tegen het licht gehouden wordt: ‘Nachtenlang sparren over een dedicated terugkoppeling, / opgeschaald en key, / vervolgens geparkeerd tot na de workation, the next generation’ (met verder nog alomtegenwoordige, maar holle termen als: ‘dealbreaker’, ‘concullega’, ‘can-do- én hands-onmentaliteit’, ‘asset’, ‘salestijger’ en ‘sparringpartner’). Verbeke pleit voor zachtheid en mededogen.

Daarnaast bevat de bundel ook meer persoonlijke verzen, zoals ‘Nisaba neemt afscheid’, waarin een huisdier veel te vroeg sterft (in het dankwoord lezen we: ‘In Memoriam de volmaakte kater Mous (2023-2025)’), of ‘Nisaba kan er zich even niet mee bezighouden’, waarin het hoofdpersonage zich de grote vraagstukken en kwesties van de wereld aantrekt, maar beseft dat de problemen in haar omgeving al zwaar genoeg zijn. Er zijn gedichten over ontsnappen in de helende natuur (‘Nisaba in het woud (het woud in Nisaba)’), over het pijnlijk spaak lopen van een relatie (‘Nisaba vergat’), of over het moeizaam afscheid kunnen nemen van de dingen die overblijven van overleden geliefden (‘Nisaba heeft er plaats voor’), en er is, helemaal in het centrum van de bundel, het grappige, kennelijk door artificiële intelligentie gegenereerde gedicht ‘Nisaba vraagt het aan Google AI’ dat antwoordt op de (onuitgesproken) vraag ‘is het leven de moeite waard?’:

 

De vraag houdt mensen al eeuwen bezig.
Al die invalshoeken.

De vraag is diep
en uiteindelijk
persoonlijk.
De een vindt van wel.
De ander twijfelt.
Niet voor iedereen is hetzelfde
de moeite waard.

Betekenisgeving kan van belang zijn
Maar ook acceptatie
van de absurditeit.

 

En zo is Charmolypi thematisch gezien een typisch hedendaagse dichtbundel met aandacht voor brandende maatschappelijke en sociale kwesties, maar ook voor de eigen, innerlijke wereld en bijbehorende onzekerheden. De vraag is vervolgens of het ook poëzie is.

Om het antwoord daarop te illustreren, citeerde ik het AI-gedicht in z’n geheel. Als het inderdaad door de computer gegenereerd is – wat waarschijnlijk is: wie dezelfde vraag in Gemini gooit, krijgt een vergelijkbaar, typisch nietszeggend antwoord – dan verschilt het stilistisch eigenlijk niet heel erg van de door Verbeke zelf geschreven gedichten. Dat lijken namelijk korte verhaaltjes die verknipt werden tot gedichten, en die als je de regels niet zou opknippen en er geen witregels tussen zou zetten, prozagedichten genoemd zouden kunnen worden. Een beetje zoals bij Delphine Lecompte, die ook gebalde gekke anekdotes schrijft die ze eruit doet zien als gedichten doordat ze regels niet tot het einde van de bladzijde laat lopen zonder dat die vorm evenwel iets toevoegt aan de betekenis.

Ook bij Verbeke worden de verzen slechts uiterst zelden betekenisvol afgebroken. Neem deze verzen: ‘de beste manier om je plek / te behouden / is om niets te doen’. Waarom staat ‘te behouden’ op een afzonderlijke regel? Verliest de uitspraak kracht als dat zinsdeel gewoon ook op de eerste regel zou staan? Er lijkt niet al te lang over nagedacht. Dat blijkt ook uit de momenten waarop de enjambementen uiterst knullig zijn, zoals in ‘een echo in / de greep’. Afbreken na een voorzetsel getuigt van weinig dichterlijke kunde. Ten slotte eindigen regels vaak op een komma of een punt, waardoor de syntactische eenheid met de poëtische samenvalt (zie het AI-gedicht) en er bijgevolg geen spanning ontstaat tussen vorm en inhoud en dus ook geen poëtische kracht. De vraag is dan waarom je de regelval nodig hebt. Iets dergelijks geldt ook voor de witregels. Bij Verbeke lijken die vooral te fungeren zoals een nieuwe paragraaf in proza. In Charmolypi vraag je je voortdurend af: waarom hebben deze teksten deze vorm? Die structureert de lectuur, maar zelden voegt die iets toe – dat is de banalisering van het genre.

Een aantal keer lijken gedichten ook niet meer dan oefeningen uit een handboek poëzie schrijven. Het openingsgedicht, bijvoorbeeld, met zijn weersparallellisme om de innerlijke gesteldheid van Nisaba aan te geven. Of de vele gedichten die uit opsommingen of lijstjes bestaan (‘Nisaba heeft er plaats voor’, of ‘Nisaba maakt een bucketlist’ en ‘Nisaba is feeling blessed’, waarin elk vers een zinnetje is). Eigenlijk zijn elk van Verbekes gedichten kleine, gecondenseerde verhaaltjes die door de manier waarop ze eruitzien pretenderen poëzie te zijn, maar weinig met lyriek te maken hebben. Neem nu ‘Nisaba zit haar kat met een vloertrekker achterna’, een anekdote over een poes die een vogel vangt en het baasje dat die probeert te redden van een wisse dood. Het tekenfilmachtige relaas wordt – anders dan de andere gedichten in de bundel – in staccatostijl verteld waarbij de taal beperkt wordt tot voornamelijk substantieven en werkwoorden: ‘Kat draait hoofd als uil / Geen geest / Kat moet, mus ook // Kat richt, vloer, mat / Mus botst, licht dak / Bovenkant kast klinkt / mus landt, kat grijpt’. Je kan je afvragen welke poëtische winst dat oplevert. Je zou kunnen zeggen: het suggereert de snelheid van de actie, of het onderstreept de spanning die er heerst. Een stijl is het in elk geval niet, want het is het enige gedicht in de hele bundel dat deze truc gebruikt. Opnieuw lijkt de keuze eerder willekeurig dan te getuigen van een doorgedreven visie op de poëtische techniek. Je moet je dus afvragen waar hier de poëzie zit.

Charmolypi is bij momenten genoeglijke lectuur met soms origineel verwoorde striemende kritiek, soms aandoenlijke taferelen uit de dagelijkse worsteling met het leven. Gedichten zijn het omdat de teksten op de bladspiegel staan zoals je dat verwacht van gedichten, maar poëzie is dit niet. Daarvoor ontbreekt het al te vaak aan reflectie op de mogelijkheden van de lyriek, met als gevolg een gebrek aan vormbeheersing.

De Geus, Amsterdam, 2026
ISBN 978 90 445 5292 8
72p.

Geplaatst op 01/05/2026

Tags: Annelies Verbeke, Charmolypi

Categorie: Poëzie, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.