Recensies, Samenleving

Overschreeuwde onmacht

Het is klasse, suffie, niet identiteit!

Ewald Engelen

In Het is klasse, suffie, niet identiteit! heeft Ewald Engelen een aantal columns gebundeld die de afgelopen jaren in De Groene Amsterdammer en FTM verschenen. De columns gaan vergezeld van een aantal eveneens in De Groene verschenen interviews met Angelsaksische auteurs, die zich net als Engelen bezighouden met de samenhang tussen sociaaleconomische kwesties en wat hij identiteitspolitiek noemt. Engelen kiest in zijn columns zeer nadrukkelijk positie en plaatst datgene wat de door hem geïnterviewde auteurs te berde brengen nadrukkelijk binnen zijn eigen vertoog. Ook de gekozen titel laat weinig aan de verbeelding over. Zodoende legt hij met deze bundel een van de meest polemische boeken voor die de afgelopen jaren in het Nederlandse taalgebied zijn verschenen.

Maar er is iets vreemds aan de hand met die polemiek. Neem de volgende passage:

De abstracties van de experts stonden weer eens haaks op de sentimenten van de burger; de geaggregeerde cijfers botsten weer eens met de rode cijfers op de bankrekening. En dat suggereert niet alleen dat er misschien iets mis is met die abstracties en de technocratie die er omheen is gebouwd. En dat burgers, de Britse oud-minister Michael Gove indachtig, experts wellicht terecht spuugzat zijn. Maar het doet ook vermoeden dat identiteit niet de alles-verklarende sleutel is voor het begrijpen van kiezersgedrag, maar dat alledaagse economische ervaringen dat ook zijn. Helaas vang je die niet met abstracte vragen over de staat van de economie waarin surveys grossieren. En dus kun je op basis daarvan ook niet concluderen dat sociaaleconomische kwesties er niet toe doen.

De passage is bedoeld als verklaring voor de nederlaag van de paarse coalitie van PvdA en VVD bij de laatste landelijke verkiezingen in Nederland. Het zal echter onmiddellijk in het oog springen hoe geforceerd deze verklaring geformuleerd is. In de eerste zin van de geciteerde passage gebruikt Engelen twee keer ‘weer eens’. Drie van de in totaal zes zinnen die de passage rijk is, beginnen met het woord ‘en’, waarbij het ‘en’ in de laatste zin vergezeld gaat van een nadrukkelijk ‘dus’. In de vierde zin staat twee keer ‘maar’ en daar komt dan nog de krampachtige ironie van ‘suggereert’, ‘misschien’, ‘wellicht’ en ‘helaas’ nog bij.

VORM ZEGT VEEL

Het is een typerende passage. In het hele boek vliegen je de hyperbolen om de oren: alles is ‘ten diepste’, ‘magistraal’, ‘uiterst’, ‘onmetelijk’. Geen aanval of hij is frontaal, geen toestand of hij is schrijnend en als hij het over authenticiteit heeft, laat Engelen niet na om erbij te vermelden dat het hem om ‘echte authenticiteit’ te doen is. Zoveel stilistisch onvermogen verraadt impotentie: wie schreeuwt, heeft geen argumenten. De veronderstellingen die Engelen in het boek hanteert zijn dan ook op z’n minst dubieus te noemen. Fundamenteel voor alles wat hij zegt, is de aanname dat het succes van extreemrechts in Europa en de VS uitsluitend te verklaren is doordat linkse politici geobsedeerd zijn door ‘identiteit’, terwijl ze in het sociaaleconomische beleid kaalslag bedrijven. Dubieus is daarbij allereerst het gebrek aan nuance. De situatie in de VS is voor Engelen dezelfde als die in Europa, waar de veronderstelling eveneens voor elk afzonderlijk land op heet te gaan. De Nederlandse PvdA stelt Engelen gelijk aan de Griekse PASOK, de Belgische sp.a, de Franse PS en zelfs aan de Amerikaanse Democratische Partij. Ook de begrippen ‘sociaaldemocratie’, ‘links’ en ‘het politieke midden’ gebruikt hij inwisselbaar. Op rechts van hetzelfde laken een pak: Trump is Le Pen is Dewinter is Orbán is Wilders is Baudet – ook een verschijnsel als Brexit gaat moeiteloos in de categorie mee. Dit alles retorisch dichtgetimmerd met pertinente zinsneden als ‘onverkort van toepassing’, ‘sluit naadloos aan’ en ‘exact hetzelfde’.

Afgezien van het gebrek aan nuance is de veronderstelling dat het succes van extreemrechts uitsluitend te verklaren is door het falen van links dan wel het midden, ook veel minder overtuigend dan Engelen met zijn ronkende stijl wil doen geloven. Zo heeft hij geen oog voor de traditie van extreemrechts, die in veel Europese landen na de Tweede Wereldoorlog levendig is gebleven. Even blind is hij voor de ideologische en propagandistische ondersteuning die extreemrechts vanuit het politieke midden krijgt. Voor de Nederlandse situatie heeft Merijn Oudenampsen duidelijk gemaakt dat het succes van politici als Pim Fortuyn, Rita Verdonk, Geert Wilders en Thierry Baudet niet begrepen kan worden zonder te kijken naar de conservatieve ideeënstrijd die in de jaren negentig gevoerd werd. Die ideeënstrijd kwam niet uit de koker van neonazi’s, maar uit die van politici en auteurs die opereerden vanuit liberale en in sommige gevallen sociaaldemocratische instituties – iemand als Paul Scheffer is een goed voorbeeld. Over een fenomeen als Viktor Orbán, wiens succes natuurlijk van een andere orde is dan dat van iemand als Wilders, kun je dan weer niet veel zinnigs zeggen zonder het communistische verleden van Hongarije in je analyse te betrekken.

Brexit is niet zonder meer te verklaren als succes van extreemrechts, of ‘rechts populisme’, zoals Engelen het vergoelijkend noemt. Het is niet gewaagd om te stellen dat het Britse lidmaatschap van de EU van begin af aan ten doel had Europese integratie af te remmen in plaats van te bevorderen, uit angst voor Duitse dominantie. Britse regeringen hebben altijd een status aparte binnen de EU bedongen. Achter de Brexit-campagne gingen grote kapitalistische belangen schuil, gefaciliteerd door een vrijwel gemonopoliseerde pers, en gekonkel ten burele van de Tories. Wat Trump betreft: is het werkelijk zo uitzonderlijk dat een controversiële miljonair, profiterend van een obsoleet verkiezingsrecht, president van de VS wordt?

LINKS EN IDENTITEIT

Engelens diagnose over links en de vermeende obsessie met identiteit snijdt ook geen hout. Natuurlijk is het zo dat er de afgelopen jaren in Nederland over onderwerpen als racisme, moslimhaat en misogynie veel maatschappelijke discussie is geweest. Die discussie is er echter alleen omdat een relatief kleine groep activisten, journalisten en auteurs als Seada Nourhussen, Anousha Nzume, Asha ten Broeke, Lotfi el Hamidi, Meredith Greer, Quinsy Gario, Jerry King Luther Afriyie en Nadia Ezzeroili met veel pijn en moeite een positie binnen het publieke domein wisten te veroveren om hun vertoog te berde te kunnen brengen. Ook de belangstelling voor het werk van wetenschappers als Gloria Wekker en Philomena Essed kon pas ontstaan toen het debat op deze manier opengebroken was.

Linkse politici hebben zich van die ontwikkeling echter weinig aangetrokken, laat staan naar hun politieke praktijk vertaald. Als het om racisme gaat zijn de PvdA en de SP juist meegegaan in de rechtse agendering van onderwerpen als nationale identiteit en migratie. Iemand als Alexander Pechtold heeft de moslimhaat van Wilders weliswaar weersproken, maar altijd op een formele manier: hij wierp zich op als hoeder van rechtsstaat en democratie, niet als antiracist. En er moesten demonstranten onder toeziend oog van de politie worden belaagd en geïntimideerd voordat GroenLinks voorman Jesse Klaver zich ondubbelzinnig uitsprak tegen Zwarte Piet.

Wat de emancipatie van vrouwen en LGBT+ betreft, is de omgang dubbelzinniger, maar ook hier is van engagement van linkse politici geen sprake. Zeker niet in Nederland. Natuurlijk planten linkse politici hier graag een boompje over vrouwen en homo’s, maar dan vooral in termen van wat er niet allemaal al is bereikt. Als het echter gaat om beleid, laat men het vaak afweten. Mij althans zijn geen wetsvoorstellen naar aanleiding van #MeToo bekend – überhaupt is de discussie over seksueel geweld in Nederland akelig snel doodgebloed. Transfobie is helemaal geen onderwerp voor linkse partijen. Elders trouwens ook niet. Engelens bewering dat de Democratische Partij in de VS ‘strijdt’ voor de rechten van transgenders is een grievende leugen voor iedereen die ook maar enig benul heeft van wat het betekent om als transgender in de VS op te groeien. Voor de duidelijkheid: een regenboogvlag uithangen is uiteraard een mooi gebaar, maar heeft met ‘strijd’ of emancipatie weinig te maken.

TRADITIE EN TOEKOMST

Met heel veel goede wil zou je kunnen stellen dat Engelen als een overijverige propagandist zijn analyse verwaarloost ten faveure van zijn politieke zaak, namelijk de bestrijding van het neoliberale paradigma. Een goede zaak uiteraard, want dat paradigma heeft tot ongekende sociale en ecologische verwoestingen geleid. Maar ook in activistisch opzicht is zijn polemiek niet vruchtbaar. Zo legt hij geen rekenschap af van het feit dat een flink deel van de mensen die onderwerpen als racisme, seksueel geweld en transfobie ter sprake hebben gebracht krachtige impulsen aan de discussie over het neoliberalisme en in bredere zin kapitalisme geven. Die impulsen zijn voor de Nederlandse situatie helder in kaart gebracht door Rogier van Rekum en Willem Schinkel, nota bene in een reactie op een column van Engelen, die hij in een eveneens in deze publicatie opgenomen column nogal badinerend wegwuift.

Een ander probleem is dat Engelen zich nadrukkelijk opwerpt als tribuun, maar nalaat duidelijk te maken namens wie hij spreekt. Soms lijkt hij namens de arbeidersklasse te spreken, dan weer namens de middenklasse en dan weer namens lager opgeleiden. Op andere momenten gebruikt hij generieke termen als ‘burgers’, ‘kiezers’ en een enkele keer ‘het volk’. Die onduidelijkheid wekt de indruk dat het Engelen eerder te doen is om zijn woordvoerderschap dan om daadwerkelijke maatschappelijke en sociale progressie.

Daar komt nog een gebrek aan kennis – of veronachtzaming – van de linkse traditie bij. In een passage over de Derde Weg definieert hij de ‘wortels’ van de sociaaldemocratie als volgt: ‘kapitalismekritiek en maatschappijverandering om de zwakken en kwetsbaren te helpen’. Hiermee negeert hij het feit dat de sociaaldemocratie bij uitstek een voorbeeld is van een beweging die streefde naar zelfbeschikking. De arbeiders wilden hun lot zelf in de hand nemen. Hulp, dat was iets wat ze van bemiddelde burgers kregen die rond de kerst in een kramp van naastenliefde schoten.

Bovendien is het historisch gezien dubieus om te stellen dat het de sociaaldemocratie om maatschappijverandering te doen was. De vroegste geschiedenis van de meeste sociaaldemocratische partijen in Europa werd gekenmerkt door een felle richtingenstrijd tussen revolutionairen en revisionisten. Die richtingenstrijd is vrijwel overal door de revisionisten gewonnen, die nadrukkelijk een compromis tussen kapitaal en arbeid zochten. Daarna zijn sociaaldemocratische partijen vrijwel overal een belangrijke rol gaan spelen in het voorkomen zo niet regelrecht onderdrukken van bewegingen die poogden het kapitaal te ontmantelen. Het meest tragische voorbeeld daarvan is uiteraard de mislukte Duitse revolutie van honderd jaar geleden, waarbij de sociaaldemocratische kanselier Friedrich Ebert met behulp van de zogenaamde Freikorps revolutionaire arbeiders afslachtte.

Hoe oprecht de ambities van uiteenlopende sociaaldemocratische politici ook geweest mogen zijn en hoezeer arbeiders ook van hun beleid geprofiteerd hebben: sociale zekerheid, herverdeling en toegang tot onderwijs en zorg hebben de facto het ontstaan van een maatschappij verhinderd waarin het kapitaal niet langer het laatste woord had. Het is geen toeval dat Willem Drees, alom gevierd als vader van de Nederlandse verzorgingsstaat, een geheime dienst oprichtte om het communisme tegen te gaan. In die zin is de fameuze Derde Weg van Kok, Blair en Schröder evenzeer een voortzetting van de sociaaldemocratische traditie als een breuk. Herman Gorter zag in 1909 de bui al hangen: ‘Het marxisme wil door strijd hervormingen en revolutie bereiken, het revisionisme zoekt hervorming door tegemoetkoming aan de bourgeoisie.’

Engelens gebrek aan kennis van linkse tradities wreekt zich ook waar hij over politieke alternatieven nadenkt. ‘Wat te doen?’, vraagt hij zich af, en citeert daarmee al dan niet bewust de titel van de belangrijkste politieke tekst van Vladimir Iljitsj Lenin, uit 1902. Het antikapitalistische schrijverscollectief Tiqqun heeft er jaren geleden al op gewezen hoe patriarchaal en autoritair deze vraag was: ze veronderstelt een verlichte voorhoede die de arbeiders uitlegt wat er te doen staat. Tiqqun herformuleerde de vraag daarom in het democratischer ‘Hoe te doen’.* Met deze en andere innovaties van de linkse traditie is Engelen onbekend – of hij veronachtzaamt ze – en daarom ageert hij op een manier die volkomen achterhaald is.

Ook van het antwoord dat Tiqqun op de vraag ‘Hoe te doen?’ gaf, had Engelen veel kunnen leren. We leven namelijk niet meer in een situatie waarin arbeiders in staat zijn zich te organiseren en de geschiedenis naar hun hand te zetten. Het is dan ook anachronistisch om, zoals Engelen, te pleiten voor een herstel van het compromis tussen kapitaal en arbeid zoals dat in de jaren vijftig in West-Europa en de VS bewerkstelligd kon worden. Dat compromis bestond bij de gratie van instituties die het globale kapitaal inmiddels volledig buitenspel heeft gezet. Een belasting op eigendom – om een van de weinige concrete voorstellen van Engelen te noemen – kan alleen effectief zijn als die op supranationaal niveau ingevoerd en gehandhaafd wordt. Onder de huidige omstandigheden is dat volkomen utopisch en dus moeten er andere strategieën worden toegepast. Wat ook gebeurt, alleen heeft Engelen niet de moeite genomen daar kennis van te nemen.

EXTREEMRECHTS FACILITEREN

Bij zoveel onvermogen is het verleidelijk om cynisch te worden. Maar Engelens impotente polemiek is verre van onschuldig. Dat wordt op z’n laatst duidelijk als gekeken wordt hoe hij het object van zijn kritiek beschrijft. Daartoe gebruikt hij namelijk termen als ‘elite’, ‘de politiek’, ‘de middenpartijen’, ‘establishment’, ‘technocraten’, ‘kaste’, ‘links’ en ‘sociaaldemocratie’ willekeurig door elkaar heen. Engelens kritische object wordt daarmee minder een entiteit in een analyse als wel een spil in een complot. Temeer daar in de beleving van Engelen deze spil niet behept is met verwerpelijke ideeën, maar inherent slecht is, ‘parasitair’ en ‘incestueus’ bovendien. Als het slachtoffer van de spil dan ook nog eens ‘vernederd’ en ‘verraden’ heet te zijn, daarmee de noodzaak van een ‘schoonmaak’ op het plan roepend, zitten we middenin de retoriek van extreemrechts. ‘Geen afschuwelijker mensensoort dan de sociaaldemocratische bestuurder’, roept Engelen, midden in een tijd waarin mensen zijn vermoord omdat ze sociaaldemocraat zijn.

Engelen doet bitter weinig om zijn affiniteit met extreemrechts te ontkrachten. Integendeel: zijn sympathie voor een figuur als Baudet, wiens ‘gelijk’ hij in een van de titels van zijn columns zonder verdere toelichting postuleert, is evident. Van enige empathie met het leed dat het succes van extreemrechts met zich meebrengt, is geen sprake. In plaats daarvan citeert hij gretig Joan Williams, die de terreuraanslag van iemand als Timothy McVeigh als een natuurlijke reactie van de in zijn eer gekrenkte witte man legitimeert.

Het is klasse, suffie, niet identiteit! is daarom een meer dan verontrustend boek. Engelen is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, hij is een van de belangrijkste ideologen van de Partij voor de Dieren en beschikt over een gigantisch bereik: hij is niet alleen vaste medewerker van De Groene Amsterdammer en FTM, maar krijgt ook ruimte in vrijwel alle Nederlandse dagbladen, inclusief De Telegraaf, en is een graag geziene gast in talkshows. Er heeft een uitgever brood gezien in het uitgeven van teksten die hij al gepubliceerd had. Bij de mensen die op al die plekken aan de knoppen draaien, komt Engelen weg met een impotente polemiek die extreemrechts zonder meer faciliteert. Sterker nog: hij wordt gepresenteerd als progressieve thought leader. Dat zegt weinig goeds over de politieke cultuur in Nederland.

We mogen ons niet vergissen: als het waar is dat elk fascisme het gevolg is van een mislukte revolutie, zoals Walter Benjamin stelde, dan is fascisme in extremis een uiting van onmacht – onmacht de paradoxen van de moderniteit op te lossen, onmacht vorm te geven aan de onzekerheid die de emancipatie van de ander met zich meebrengt, onmacht om weerstand te bieden aan de disruptieve macht van het globale kapitaal. Het geeft daarom geen pas die onmacht te overschreeuwen. Weerstand bieden kunnen we alleen als we bedachtzaam zijn, empathisch en bovenal waardig.

*De auteur van deze recensie reageerde op de Nederlandse vertaling van deze tekst, gepubliceerd in het tijdschrift nY (nummer 5, verschenen in het voorjaar van 2010) nogal polemisch, iets waar hij met meer dan gemengde gevoelens op terugkijkt. Ik wil maar zeggen: het is nooit te laat om tot inkeer te komen.

Editie Leesmagazijn, 2018
ISBN 9789491717529
136p.

Geplaatst op 01/02/2019

Tags: De Groene Amsterdammer, Ewald Engelen, FTM, Identiteit, Identity Politics, Klasse, niet identiteit!, nY, Partij voor de Dieren, VVD, Walter Benjamin

Categorie: Recensies, Samenleving

Deel:

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.