Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Voor een lezer die bekend is met het oeuvre van Joke van Leeuwen is Plooi u in tweeën. Een memoir een feest van herkenning, vol verwijzingen naar haar eerdere werk. Voor anderen biedt dit openhartige zelfportret een kennismaking met haar humor, taalgrappen en engagement. Van Leeuwen schrijft en illustreert proza en poëzie voor jong en oud en treedt ook op als performer. Voor haar werk ontving ze talloze prijzen. De rode draad in Plooi u in tweeën is haar levensloop: ze werd in 1952 geboren in Den Haag in een protestants predikantengezin met zes kinderen en verhuisde in 1966 naar het overwegend Franstalige, katholieke Brussel.
De openingszin van Plooi u in tweeën luidt:
Dit is mijn verhaal over Brussel, die stad van negentien burgemeesterssjerpen, met haar Krakeelstraat, haar Trooststraat, haar Vrijheidsplein en haar Slakkengang, over de jaren waarin ik daar als halfwas te weten kwam hoe mijn borsten en mijn bezigheden eruit zouden zien, over Nederland, waar mijn moeder mij baarde, en over België, waar mijn vader ons heen bracht omdat hij in Brussel ging werken, waardoor ik een moederland kreeg en een vaderland.
Uit dit zelfportret blijkt opnieuw hoe belangrijk de periode in Brussel voor Van Leeuwen is geweest. Haar jeugd daar in de roerige jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw heeft haar gevormd. Het is niet de eerste keer dat ze over de cultuurshock schrijft die ze als puber onderging in de hoofdstad, ook al meende Aleid Truijens in haar bespreking van dit werk in de Volkskrant van wel. In 1999 verscheen namelijk al haar dichtbundel voor volwassenen Kind in Brussel. Hierin dicht Van Leeuwen reeds over de andere taal die daar wordt gesproken:
Er kwamen woorden op bezoek.
Ze bleven zitten in mijn rotan stoelen.
Ze zaten te bedoelen met rood hoofd.
Gij, waarin ik zo anders had geloofd
was zonder goddelijke jas
en stukken kleiner. Verfijnd
vroeg ieverans zich af hoe ergens
ergens anders was. Seffens
hield zich niet strak aan straks,
bleef sloom op beide billen hangen.
Maar goesting,
uit zijn stoel gerezen,
breed, met handen, bood zich aan
als nieuwste woord om zelf te lezen.
Ook de uitdrukking uit de gymnastiekles waaraan dit memoir zijn titel ontleent, komt al in Kind in Brussel voor:
Maandstonden heette hier de vlucht.
Er waren er die leken lek.
Plooi u in tweeën! En ik strek-
te mij, zeilde met sterke vlerken
naar de einder
Niet alleen haar oog voor taal houdt verband met Van Leeuwens jeugd in Brussel. Ook haar compassie met ‘de ander’ is uit die ervaringen voortgekomen. Het gevoel een vreemdeling te zijn is haar immers bekend. Zowel uit haar werk voor kinderen als dat voor volwassenen spreken Van Leeuwens sociale betrokkenheid en engagement. Hoe en waar dat engagement is ontstaan, blijkt uit verschillende hoofdstukken in Plooi u in tweeën.
Al Van Leeuwens werk wordt bevolkt door ondernemende meisjes en vrouwen, maar nieuw in dit memoir is Van Leeuwens meer expliciete aandacht voor vrouwelijke seksualiteit. Haar achtergrond als historica is te zien aan de verbanden die ze legt tussen de ‘grote’ geschiedenis en haar persoonlijke ontwikkeling in de jaren zestig en zeventig.
Typerend voor Van Leeuwen is dat ze vaak haar werk voor volwassenen van illustraties voorziet. Ook Plooi u in tweeën is voorzien van afbeeldingen: foto’s, krantenartikelen, tekeningen, brieven. Daarmee doorbreekt ze – net als in bijvoorbeeld haar Kind in Brussel (1999), Wuif de mussen uit (2006) en Alles nieuw (2008) – de traditionele grens tussen jeugdliteratuur (mét illustraties) en werk voor volwassenen (zonder illustraties).
In het eerste hoofdstuk van Plooi u in tweeën vinden we een foto van haar eerste optreden als performer op de Nederlandse middelbare school bij een voordrachtwedstrijd. De basis voor de combinatie tekeningen en tekst ligt al in haar familiehuiskrant, waarvoor ze gedichten schrijft en tekeningetjes maakt.
Een van de hoofdthema’s in dit memoir is de kritische en humoristische terugblik op de zogenaamde ‘natuurlijke bestemming van de vrouw’ en op de manier waarop jongens en mannen zich gedragen tegenover vrouwen. In haar klas van de Gelderse middelbare school kijken de jongens naar meisjes met ‘de ideale vrouwenmaten’, die Van Leeuwen nog niet heeft. Tijdens het schoolbal moeten meisjes langs de wanden van de balzaal blijven zitten tot de jongens hen komen ophalen. Zelf een jongen kiezen is er niet bij.
Op het Nederlandstalig Koninklijk Atheneum in Brussel valt het op dat veel vrouwen een baan hebben en dat hiervoor de opvang op school goed geregeld is met warme maaltijden:
De meeste Nederlandse moeders in Brussel zitten nogal eens met talenten en afgeronde studies opgescheept waar ze hier niets mee kunnen, omdat ze getrouwd zijn en met de kinderen bezig.
Kinderen van werkende moeders kunnen op het schoolterrein een warme maaltijd krijgen:
Wij niet, wij gaan even naar huis. Onze moeder zegt iets over kinderen die de hele dag moeten worden opgevangen, voorschools, naschools, dat dat niet leuk voor hen is, en ik begrijp dat ze hier wil blijven geloven in haar rol als thuisblijver […], de taak die haar en de meeste andere moeders van haar generatie is opgedrongen, verpakt in het glanspapier van een natuurlijke bestemming.
Tijdens een ritje met de tram naar een schoolvriendin zet de ‘wattman’ haar uit het voertuig, omdat ze te weinig geld bij zich heeft voor de laatste zone. Het laatste stuk moet ze te voet verder over een heel stil fietspad door het bos. Daar wordt ze aangevallen door een man. Haar verzet is blijkbaar lastiger dan hij verwachtte (‘meisjes blijken minder lijdzaam dan in zijn fantasieën’) en dus weet ze te vluchten tot het huis van de vriendin.
Op het schoolplein ziet en hoort ze vrouwelijke leeftijdgenoten zich op een nogal ‘bijvoeglijke manier gedragen, alsof er niets interessanter is dan jongens en er geen plaats is voor de vraag wat je met je leven wil doen’. Joke weet dat allang: zij wil schrijven en tekenen. Daar besteedt ze heel veel tijd aan. In haar dromen is ze in deze jaren meer met meisjes dan met jongens bezig. Ze beschrijft haar seksuele voorkeur als een slinger: soms richting mannen, dan weer richting vrouwen.
Vanuit de verwondering over het voor haar lastige Brusselse Frans en de vele fraaie Vlaamse taaluitdrukkingen (‘zever in pakskes’, ‘je kat sturen’, ‘iemand met een hoek af’) ontwikkelt Van Leeuwen een scherp oog voor taal. Haar taalplezier (‘Ik voel me ozo heppie’) vinden we op allerlei manieren in haar oeuvre terug: wat kun je allemaal met taal doen?
Een van de mooiste voorbeelden daarvan is te zien in haar in 2004 voor de Stichting Ons Erfdeel geschreven Waarom een buitenboordmotor eenzaam is, een soort Opperlands voor kinderen, zoals in het boek Opperlandse taal- en letterkunde (1981) van Hugo Brandt Corstius (Battus), dat taal beschrijft om van te genieten: ‘Nederlands met vakantie’, losgekoppeld van de inhoud. In Waarom een buitenboordmotor eenzaam is behandelt Van Leeuwen voor kinderen taalvragen ‘over de taal die je nu leest’, bijvoorbeeld een bespreking van de klanken van het alfabet in het hoofdstuk ‘hoe hoe klinkt’.
Plooi u in tweeën bestaat uit 23 korte hoofdstukken, waarin we Joke volgen van puber tot en met startend kunstenaar en performer. Aan dit verhaal over haar coming of age gingen artikelen en het geschenkboekje voor de Confituur-boekhandels Niet met de wattman spreken (2018) vooraf. De opzet is min of meer chronologisch en de toon is vooral verhalend, maar af en toe komt ook de spreektaaldichter van Wuif de mussen uit (2006) aan het woord, bijvoorbeeld in het hoofdstuk waarin ze de beruchte grote brand in het beroemde Horta-warenhuis À l’Innovation beschrijft:
En wie klaar is met kopen en kijken stapt naar buiten en zal later zeggen dat als hij langer was gebleven, dat als zij toch naar boven was gegaan, maar dat was ze niet, dat zij dan evengoed, dat hij dan, maar dat ze toevallig, zij wel dus, zij wel.
Stilistisch heel fraai is het hoofdstuk over haar vader, de dominee. Ze noteert op zijn sterfbed zijn verhaal over zijn eenvoudige dorpsjeugd en zijn studietijd in Zwitserland in 1939 waar hij vluchtelingen over de grens hielp smokkelen. De stokregel die daarin telkens terugkeert is ‘Hij zal vertellen dat’, waardoor het verhaal een haast Bijbelse grondtoon krijgt.
Ik noemde Van Leeuwen hiervoor een geëngageerd auteur en verbond dat allereerst aan haar positie als Nederlandse in het katholieke, Franstalige Brussel. Haar opgroeien in de revolutionaire jaren zestig en zeventig in een domineesgezin ‘waar de wereld binnenkwam’ in de persoon van vluchtelingen vanuit bijvoorbeeld Eritrea en Zuid-Afrika, hebben dat engagement gevoed. Dat is in veel van haar latere werk terug te zien, bijvoorbeeld in de oorlogsroman voor de jeugd Toen mijn vader een struik werd (2010).
Ze neemt zelf ook actief deel aan verschillende actiegroepen tegen de afbraak in de volkswijk Noordwijk. Ze protesteren tegen de stadsvernieuwing, laten aan een politieagent die alleen Noord-Afrikanen controleert ongevraagd hun identiteitskaart zien, organiseren een kerstherberg (‘Daar komt weer een eenzame’) en voeren discussies over de Apartheid in Zuid-Afrika. Een wereldwinkel met eerlijke koffie, chocolade en andere producten wordt bijna alleen door de moeders bezocht die hun kinderen in de winkel willen steunen. De winkel moet dus snel sluiten, maar ondanks dat is het een ‘bewuste actie geweest […], omdat er iets gedaan moet worden aan de scheefheid van de wereld, en wel meteen’.
Er is het langzame begin van de tweede feministische golf, maar die dringt nog niet overal door. In het voorjaar van 1968 zijn er studentenprotesten en bezettingen in Brussel. De studentenleider vraagt via de megafoon meisjes voor de ravitaillering en de kinderoppas. Met behulp van een verzameling bizarre reclamefoto’s uit de HUMO uit 1968 van vrouwen die op hun onnozelst worden gepresenteerd, laat Van Leeuwen met haar geestige commentaar zien dat de ‘bevrijding van de vrouw’ nog ver weg is. Haar feministisch ideaal is gospelzangeres Mahalia Jackson, ‘omdat een vrouw blijkbaar zo’n prachtig diepe warme stem kon hebben en met zo’n gedrevenheid buiten de lijntjes kon zingen’.
In 1970 gaat Van Leeuwen studeren in Antwerpen, op de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. De opleiding valt haar tegen, er is geen ruimte om te experimenteren (‘buiten de lijntjes te zingen’), om een verkeerde weg in te slaan en daarvan terug te komen, er moet productie worden geleverd. Omdat de opleiding zo tegenvalt aangezien ze in haar eigenzinnigheid wordt afgeremd, gaat ze meer schrijven. Ze stuurt een novelle op naar een schrijfwedstrijd voor jongeren uit Zuid-Nederland en Vlaanderen, en hoort tot haar verrassing dat ze een Ontmoetingsprijs heeft gewonnen.
Bij die prijsuitreiking wordt ze samen met een jonge mannelijke Antwerpenaar geïnterviewd. De journalist citeert daarna alleen deze jonge dichter, die niet zo sentimenteel zou zijn als Van Leeuwen. De ervaring genegeerd of gekleineerd te worden, heeft ze vaker en die verbindt ze aan haar positie als vrouwelijke auteur. In haar eerste televisie-interview met een ‘dwars-denkende’ Vlaming wordt haar geen enkele wezenlijke vraag gesteld. De denker zal daarna in HUMO verklaren dat ze niets te vertellen heeft.
Wanneer Van Leeuwen de AKO-literatuurprijs wint met haar roman Feest van het begin (2012) zal een mannelijke collega verontwaardigd schrijven dat hij een veel terechtere winnaar zou zijn geweest. Deze gaslighting-ervaringen verwerkt ze in haar roman Ik dacht dat jij (2023).
Van Leeuwen trouwt vroeg en gaat met haar man in Brussel wonen. Daar vervolgt ze haar opleiding. Ze wil niet zoals haar moeder financieel afhankelijk zijn van haar partner. Omdat er in kinderboeken tekeningen staan en zij van jongs af aan zowel schrijft als tekent, probeert ze een kinderboek te publiceren. In eerste instantie levert haar dit geen succes op. Daarom gaat ze Geschiedenis studeren aan de Vrije Universiteit Brussel. Die studie bevrijdt haar van het idee mislukt te zijn en levert achtergrondinformatie voor haar historische romans, bijvoorbeeld Feest van het begin (2012) en Alle tijden zijn onzeker (2024).
Na een jaar van vergeefs lobbyen voor haar kinderboek heeft ze succes. Voor haar tweede boek ontvangt ze twee prijzen en verhuist ze naar een betere uitgever. Bovendien rolt ze het cabaretcircuit in. Ze treedt op tijdens een amateurcabaretfestival in Den Haag, waar een impresario haar na haar aanvankelijke tegenwerpingen binnenhaalt en niet lang daarna wint ze het Camarettenfestival; het belangrijkste festival voor jong komedietalent. Men vindt dat ze zich helemaal aan het cabaret moet gaan wijden, maar Van Leeuwen zegt dat ze het tekenen en schrijven vooropstelt en een vorm wil vinden waarbij die drie bezigheden met elkaar in evenwicht zijn:
Maar ze beschouwen dat niet als een poging tot zelfinzicht, ze doen alsof het vrouwtje er niet goed mee kan omgaan dat ze heeft gewonnen.
In het eerste hoofdstuk van Plooi u in tweeën staat zoals gezegd een foto van een verlegen Joke in de brugklas die gedichten declameert. Op de voorlaatste pagina zien we een uitbundige Joke met neusfluit, zonder podiumvrees. Dat toont de ontwikkeling die de auteur in dit boeiende memoir beschrijft: haar weg die ze gaandeweg gevonden heeft in het geconcentreerd maken van beelden en teksten. Zo hoeft ze zich niet te plooien of ‘bijvoeglijk te gedragen’. Die eigenzinnigheid blijkt ook in Plooi u in tweeën haar kracht.
Een recensie door Lizet Duyvendak van Plooi u in tweeën. Een memoir door Joke van Leeuwen.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.