Politieke taal en deskundigheid

Let op je woorden. Politiek, taal en strijd

Jan Blommaert

In een hoofdstukje uit Les chaînes de l’esclavage (1774/1792) gaat de Franse revolutionair Jean-Paul Marat heftig tekeer tegen taalmisbruik van hogerhand:

Nooit krijgen de dingen hun ware naam. De vorsten, hun ministers, hun agenten, hun vleiers, hun lakeien, noemen kunst van het regeren de kunst om volkeren uit te putten, om dwaze ondernemingen op te zetten, […] en om overal terreur te zaaien; de schandelijke kunst om de mensen te bedriegen noemen ze politiek; […]; trouw aan de wetten heet rebellie.

Enzovoort. Toen André Breton in 1946, vlak na de oorlog, deze tirade citeerde (Œuvres complètes III, Pléiade, p. 213), opperde hij dat ‘vandaag de dag’ Marat vast ook de term democratie aan zijn lijst zou hebben toegevoegd.

Het inzicht dat politiek voor een flink deel een strijd rond ‘juiste’ en ‘verkeerde’ woorden is, dateert dus bepaald niet van gisteren, en het staat vast dat de kritiek op valse en verdoezelende taal altijd weer opnieuw moet en zal worden bedreven, met meer of minder systematiek.

Victor Klemperer deed het onder het naziregime met zijn beroemde LTI (‘Lingua Tertii Imperii’; sinds 2010 bestaat er een uitvoerig geannoteerde editie). Vele jaren later liet de Franse uitgever en schrijver Éric Hazan zich daardoor inspireren tot zijn LQR. La propagande du quotidien (2006), ‘Lingua Quintae Respublicae’. Voor een nieuwe loot aan deze boom zorgde onlangs Jan Blommaert met Let op je woorden.

Blommaert (1961) is sociolinguïst en taalkundig antropoloog, en doceert ‘taal, cultuur en globalisering’ in Tilburg; hij publiceert op zijn vakgebied in het Engels, en voor een wat breder publiek in het Nederlands. In Vlaanderen is hij nu, denk ik, vooral bekend als links opiniemaker en polemist; hij heeft een eigen blog, en schrijft onder meer ook voor de nieuwswebsite DeWereldMorgen.be.

Let op je woorden is nadrukkelijk didactisch bedoeld. Het wil – mede via ‘vormingswerk en opleidingen’ – mensen meer greep geven op ‘de woordenbrij die dagelijks op hen wordt afgevuurd’ (sic), en het lijkt zich vooral te richten tot jongeren. Er zijn drie delen. Het eerste beschrijft de context waarin de tekst wil ingrijpen (het ‘publieke debat’, dat nu vooral op het internet woedt) en schetst een methodologie. Daarna komt het taalgebruik over vier thema’s aan bod: economie, vormen van arbeid, vakbonden en stakingen, migratie en veiligheid. Deel drie gaat door op de context: ontwikkelingen in de media, gevolgen daarvan voor informatievoorziening en sociale actie. Ten slotte volgt nog een reeks oefeningen, die de pedagogische opzet bevestigen.

Blommaerts analyses gaan in zekere mate op voor alle West-Europese landen, maar de voorbeelden en allusies zijn bijna uitsluitend ontleend aan de Belgische realiteit, en ze veronderstellen enige kennis daarvan. Meer zelfs: de wereld van Let op je woorden is vooral die van na 2014, toen in België en Vlaanderen erg rechtse regeringen aan de macht kwamen (met de liberale Open VLD en MR, en de N-VA van Bart De Wever). Daardoor lijkt het boekje ondanks de algemene strekking soms op een pamflet tegen de huidige Belgische machthebbers.

Ik heb daar geen probleem mee, al kun je af en toe de foute indruk krijgen dat de ellende van het neoliberalisme pas twee jaar geleden begonnen is (maar in het slotdeel moeten juist sociaaldemocratische politici het ontgelden). Blommaerts houding tegenover ons maatschappelijke systeem lijkt trouwens ambivalent: zo verdedigt hij uitgebreid de vakbonden, maar weet ook dat ze ‘de afgelopen decennia de geleidelijke afbouw van de welvaartsstaat mee goedgekeurd en gesteund [hebben]’. En wil hij het kapitalisme weg of wil hij het alleen hervormen?

Wiens woorden

Blommaert stelt, niet verrassend, dat politiek gebruikte woorden ‘nooit neutraal’ zijn, ‘ze geven altijd een politieke positie weer’. De maatschappij is niet homogeen, en dus kan haar taal het evenmin zijn. Telkens weer moet je je afvragen: ‘uit welke hoek van de samenleving komt dit? Voor wie is dit een waarheid? En waarom?’

Een dergelijke analyse van taaluitingen en de bewustwording van wat erachter zit kunnen dan leiden tot ‘herformulering’. Bijvoorbeeld: ‘Je hoort “we moeten zuurstof aan onze economie geven”, en je zegt “we moeten zuurstof (geld, dus) geven aan onze bedrijven”.’ En je begrijpt dat ‘onze’/‘de’ economie in feite een specifiek economisch stelsel is (het kapitalisme), en dat het in feite gaat om specifieke actoren binnen dat stelsel (privéondernemingen, die niet van ‘ons’ zijn).

Zo neemt de auteur een groot aantal woorden en woordgroepen onder de loep: ‘loonlasten’, ‘loonhandicap’, ‘groei’, ‘actieve’ en ‘niet-actieve’ mensen, ‘politieke staking’, ‘veiligheid’…, maar zijn beschouwingen reiken verder, hij schetst bijna een globaal maatschappijbeeld. Grosso modo ben ik het eens met vrijwel alles wat in deze hoofdstukken te lezen staat. Maar dat heeft geen belang, en evenmin heeft het belang dat ik er weinig nieuws in aantref: de vraag is of het publiek waar Blommaert op mikt er iets aan heeft; vermoedelijk wel, maar ik kan dat niet beoordelen. Ik heb wel een heleboel bedenkingen, waaronder deze:

– Kritiek leidt niet noodzakelijk tot vervanging. Vele besproken woorden zijn zo vast verankerd dat we ze zullen blijven gebruiken, ook als we hun dubieuze aspecten kennen: zo woekert de ideologie helaas voort. Een bijna klassiek voorbeeld is het bizarre duo werk-gever/werk-nemer. (Zoals Lidy van Marissing in 1975 al schreef in haar montageroman De omgekeerde wereld: ‘De ondernemers, die van boven geven en van onderen nemen’.)

– Soms zet Blommaert zich af tegen al te extreme formuleringen. ‘Actieve mensen hoeven geen solidariteit tentoon te spreiden tegenover niet-actieve mensen’: is dat echt een dominante visie bij alle machtspartijen? En dit: ‘In de modale pers en burgerlijke goegemeente […] staat links gedachtegoed vrijwel automatisch voor “radicaal” en “extremistisch” gedachtegoed.’ Dat is onjuist, tenzij je de sociaaldemocraten niet tot links rekent; de burgerlijke pers doet dat juist wel, en kent heel goed het onderscheid tussen ‘radicaal’ en ‘gematigd’ – wie in godsnaam zou in Johan Vande Lanotte of François Hollande of Frans Timmermans radicalen zien? (Laat staan ‘extremisten’, wat toch nog iets heel anders is.) Het ware overigens zinvol om bij ‘radicaal’ (onder andere) wat taalhistorische achtergrond te geven, van het soort dat je vindt in Keywords. A Vocabulary of Culture and Society (1976) van Raymond Williams.

– Er zijn woorden die Blommaert slechts terloops aanstipt maar waar hij duidelijk ook zijn twijfels bij heeft: ‘onze normen en waarden’, ‘nieuwe uitdagingen’, ‘draagvlak’… Jammer dat hij daar niet verder op ingaat, want die termen worden ook door linkse mensen makkelijk in de mond genomen. Nadat hij erop gewezen heeft wat we historisch zoal te danken hebben aan vakbondsacties schrijft hij: ‘We zouden geen democratie zijn […] zonder stakingen en andere heftige actievormen.’ Ik kijk niet neer op het algemeen stemrecht of de schoolplicht, maar ‘zijn’ (of ‘hebben’) ‘we’ daarom ‘een democratie’? Zou je niet beter spreken (zoals Jacques Rancière) van een oligarchische rechtsstaat, en je afvragen of democratie wel een systeem kan zijn? Ik wil maar aangeven dat ook op dit punt vragen rijzen. En verder heb je nog talloze woorden en verwoordingen die al dan niet buiten Blommaerts thema’s vallen en die schreeuwen om commentaar: te beginnen bij ‘cultuur’ en ‘culturen’, ‘vrijheid’ en ‘vrijheden’, ‘modernisering’, ‘out of the box denken’, ‘verhaal’, ‘ervoor gaan’… en de hele taal van reclame, talkshows en ander entertainment. Maar nee, dat had niet allemaal in dit boekje gekund: het gaat om een blijvende opdracht voor alle geletterden, ook schrijvers. En nu denk ik weer aan de betreurde Jeroen Mettes, die in zijn prozagedicht N30 (2011) alleen al met aanhalingstekens efficiënte kritiek bedreef: ‘De’ ‘islamisering’ ‘van’ ‘onze’ ‘cultuur’, schreef hij, en: ‘Zo’ hebben ‘we’ ‘dat’ niet ‘met elkaar’ ‘afgesproken’ ‘in’ ‘Nederland’.

Wiens deskundigheid

Zoals gezegd besteedt Blommaert ruime aandacht aan de media-context waarin Let op je woorden verschijnt. Als ik hem goed begrijp bedoelt hij ongeveer het volgende. Op internet, inclusief de ‘sociale media’ (ook een heikele formule!), mengen zich nu oneindig veel meer mensen in ‘het publieke debat’ dan vroeger, maar velen van hen zijn daarvoor onvoldoende gekwalificeerd: ze spuien dikwijls meningen van zeer uiteenlopende en slechts schijnbaar gelijke waarde, waarbij ze overwegend terugvallen op het dominante taalgebruik, zonder zich bewust te zijn van de gekleurdheid daarvan. Juist al die nieuwe deelnemers aan het debat hebben behoefte aan taalwapens zoals dit boekje er levert.

Daarbij aansluitend handelt het slotdeel over nieuwe vormen van kennisverspreiding en mobilisatie die door de huidige media-situatie mogelijk worden gemaakt. Meer en meer mensen beseffen dat er buiten de oude massamedia een hoop degelijke informatie te verzamelen valt, en dat heeft gevolgen: acties kunnen zich met die informatie voeden, politieke thema’s belanden ‘steeds vaker van onderuit op de agenda’…

Ter illustratie gaat Blommaert in op de problematiek van de verkeersdrukte op de Antwerpse ring, waarbij studie- en actiegroepen met veel ‘organisatie- en communicatietalent’ aan de burgers alternatieve informatie van hoog niveau en uitgewerkte alternatieve oplossingen voorlegden. De overheid en haar experts plachten het publiek te intimideren met de complexiteit en techniciteit van de materie: critici heetten ‘onvoldoende deskundig […] om evenwichtig te kunnen oordelen’. De tegenstanders hadden ‘dus geen keuze: ze moesten de deskundigheid van de overheid […] counteren met een even deskundig argumentarium’, en zo geschiedde.

Uiteindelijk geeft Blommaert zich over aan een tomeloos optimistische lof op ons heden: ‘de huidige generatie stemgerechtigden’, toch al ‘de hoogst opgeleide uit de hele geschiedenis’, heeft ongekende mogelijkheden. Als eerste generatie kan ze het ‘verlichtingsideaal’ waarmaken van ‘de mens die vrij is, omdat hij of zij volkomen zelfstandig de nodige kennis kan verwerven om een eigen standpunt over de werkelijkheid te bepalen’. We staan al ver: ‘Niet alleen de toegang tot deze kennis en deskundigheid en tot het vormen van nieuwe gemeenschappen en netwerken is effectief gedemocratiseerd […].’ Het volk moet de regering wantrouwen: ‘Dat wantrouwen heet “democratische controle”, de plicht van elke burger om het beleid van z’n leiders kritisch te volgen, er zich over te informeren, erover te leren, en het pas dan te beoordelen wanneer men het volledig begrijpt. Als eerste generatie in de menselijke geschiedenis…’, jawel.

Over het voorbeeld zwijg ik, voor zover ik weet hebben die Antwerpenaars het echt goed gedaan. Maar de rücksichtslose ophemeling van deskundigheid, niet alleen in het slotdeel, roept dikke vraag- en uitroeptekens op.

– Op de eerste pagina meldt Blommaert dat hij zijn hele beroepsleven gewijd heeft aan ‘taalprocessen in een sociale en culturele context’ en zich daarin ‘een zeer hoog gekwalificeerd deskundige’ kan noemen; alles wat hij zegt is dan ook ‘geïnspireerd door massa’s hedendaags en geavanceerd onderzoek waarin ikzelf vaak leidende rollen heb opgenomen’. (Het moet me van het hart: ik vind deze ego-toeterij afstotelijk en ridicuul; hetzelfde geldt voor het feit dat in Blommaerts proza nooit eens een ietsiepietsie twijfel aan zijn eigen beweringen te vinden is. Hij heeft het getroffen met zichzelf.) Je kunt deze deskundigheid inderdaad niet betwisten (en de man heeft iets te zeggen), maar wel degelijk relativeren. Juist op gebied van taalkritiek is een schat aan prikkelende bijdragen geleverd door auteurs die níet over Blommaerts expertise beschikten, maar wel over een andere: elke vorm van levenslange innige omgang met taal kan helpen, maar ook bijvoorbeeld ervaringen in sociale strijd. Nog erger, ik durf mezelf hier een tikje deskundigheid aan te meten, anders kon ik het boek niet bespreken. Er bestaan kortom soorten deskundigheid, en gradaties van deskundigheid, die overigens niet te meten vallen – en er hebben altijd wijze lieden geleefd die zonder scholing vlijmscherp door taalmist kijken. Gelooft Blommaert trouwens echt dat de meeste ‘gewone’ mensen beaat geloof hechten aan de praat van politici en journalisten?

– Blommaert komt tot zijn uiterst positieve visie op de mogelijkheden van internet door helemaal te vertrekken van mensen die een concreet doel nastreven, in casu politieke activisten. Dat is niet per se verkeerd, maar hier schuilt wel het gevaar van weer een nieuwe tegenstelling en hiërarchie in de maatschappij – zoals wanneer over het extra kennisaanbod van de nieuwe media gezegd wordt: ‘niet direct nuttig voor de massa nieuwsconsumenten, maar van zeer groot belang voor een snel aangroeiend aantal informatiezoekende burgers’. Er zal altijd een ‘massa nieuwsconsumenten’ blijven bestaan – we gaan die toch niet afschrijven als sukkels? Het internet dient bij zeer velen niet eens voor nieuwsconsumptie maar voor ‘ontspanning’, en dan zwijg ik nog van familiealbums en koketterie op Facebook. Anderzijds: sommigen streven via het web andere, vaak meer particuliere doelen na, en zulke activering is op termijn misschien even wezenlijk en hoopgevend als directe politiek. (Ik denk aan mijn kapper die zijn verre reis nu zelfstandig en on-passief organiseert en uitstippelt via de computer.)

– Niet alle meningen over politiek zijn evenwaardig, als de lezer dat maar niet vergeet! Ter vergelijking, een patiënt met buikpijn bij wie de dokter een appendicitis diagnosticeert die moet worden geopereerd:

Als de patiënt daarop zou antwoorden ‘wel dokter, ik denk dat u ongelijk hebt en ga niet naar de kliniek, dan zullen velen dit niet alleen onredelijk vinden, maar ook dom […]. Deskundigheid is een zegen, ze niet nastreven of respecteren komt dichtbij de definitie van onredelijkheid.

Dit is een onzinnig voorbeeld en een onzinnige veralgemening. Er doen zich genoeg gevallen voor waarin patiënten met recht vragen (kunnen) stellen bij een snelle beslissing van een arts: vanuit hun ‘onwetendheid’ vragen ze hem zijn kennis te expliciteren, beter te verantwoorden waarom hij tot die bepaalde oplossing besluit, te overwegen of er geen andere uitwegen zijn. Zelfs in dit geval is er dus al een onzekere afstand, een sprong, tussen kennis en beslissing. Dat is nog véél sterker het geval wanneer het algemeen belang in het geding is. Een brug of een tunnel? Als de nodige kennis is verzameld en niet eenduidig blijkt, moet er nog altijd een beslissing/keuze volgen, en die zal meestal niet aan onzekerheid of risico ontkomen; degelijke kennis garandeert geen juist politiek handelen, de Volledig Begrijpende mens is niet restloos Vrij om het best mogelijke te doen. Nota bene dat een referendum over zo’n kwestie (zie Antwerpen) reeds een politieke handeling inhoudt – van mensen die zich uiteraard niet allemaal even technisch informeren.

– Het is ook wenselijk dat de keuze van de ondeskundige blijft bestaan, en dat de deskundigheid van de actiegroepen niet even overbluffend en intimiderend gebruikt wordt als die van de overheid. Is dit niet het moeilijkste punt: dat ook de totaal ondeskundige op politiek gebied recht van spreken heeft en moet hebben? En dat ook zíjn ‘opinie’ kan bijdragen tot een betere oplossing? Dat toenemende democratisering niet zomaar voortvloeit uit toename en spreiding van deskundigheid?

Ik moet het bij deze vragen laten, maar voor mij is het evident dat de nee’s tegen de Europese Grondwet (Nederland en Frankrijk, 2005) een fantastisch moment van democratie inhielden, in weerwil van de ondeskundigheid van de meeste deelnemers aan de referenda. En nee, dit is geen pleidooi tegen kennis van zaken.

Ten slotte, bij de protserige kreten over De Eerste Generatie Die bedenk ik dat ook in de jaren zestig en zeventig ontelbare actiegroepen en bladen met bescheiden middelen tegenover de deskundigheid van de overheid een alternatieve deskundigheid plaatsten, dat er een inspraak-hausse was met blijvende kleine effecten, dat er op alle mogelijke domeinen (zelfs de literatuur) ‘politieke’ experimenten plaatsvonden, dat er her en der een enorme hoeveelheid taalkritiek geleverd werd. De wereld is daardoor niet gerevolutioneerd en de Ware Verlichtingsmens bleef ongeboren, maar dat betekent niet dat het voor niets was. Voor die jonge mensen van toen neem ik bij dezen nog even mijn hoed af, en ik hoop het beste voor die van nu.

EPO, Berchem, 2016
ISBN 9789462670679
164p.

Geplaatst op 18/05/2016

Deel:

Reacties

  1. Robrecht Vanderbeeken

    Waarom zou Jan Blommaert zich geen grote deskundige mogen noemen? Hij is dat ook (check bijvoorbeeld de Engelse Wikipedia). Dit soort kritiek vind ik wat benepen Vlaams. Ik ken weinig academici die ondanks hun staat van dienst bescheiden blijven en zich zo inspannen voor een maatschappelijk relevante strijd. Deze recensie is ook opvallend vitterig geschreven terwijl het om een pedagogisch boekje gaat voor een breed publiek dat niet veel verder komt dat de doorsneepers. Haantjesgedrag onder het mom van een debatcultuur, het hoort er natuurlijk ook bij…

    Beantwoorden

  2. Eric Hulsens

    Maar Robrecht toch, dit is toch geen adequate reactie op die recensie, die zowel degelijk is als positief. Degelijk omdat ze de auteur voorstelt, het besproken boek in zijn context plaatst en de inhoud ervan keurig weergeeft. Positief omdat ze de auteur als academicus en opiniemaker presenteert en over het boek stelt: ‘Grosso modo ben ik het eens met vrijwel alles wat in deze hoofdstukken te lezen staat.’ En: ‘al die nieuwe deelnemers aan het [publieke] debat hebben behoefte aan taalwapens zoals dit boekje er levert.’
    Dat de recensent toch kritische ‘bedenkingen’ uit is een pluspunt en ik vind het niet ‘opvallend vitterig’ – het is juist wat ik van een recensie verwacht. Te meer omdat het gaat om interessante kwesties, zoals inconsequentie en lacunes en gebrek aan zelfrelativering. Het is niet benepen zoiets te schrijven, en nog minder ‘Vlaams’, en het heeft helemaal niets te maken met ‘haantjesgedrag’ en pseudo-debatcultuur, integendeel. Iemand van de jaargang 1949 met grote belezenheid, scherp oordeelsvermogen en een geduldig en nauwgezet geschreven oeuvre als Joris Note van ‘haantjesgedrag’ betichten – dat vind ik vreemd en onbegrijpelijk. Dat Jan Blommaert zich zeer inspant ‘voor een maatschappelijk relevante strijd’ wordt toch nergens ontkend, maar is het een reden om hem onkritisch te lezen? Moeten we aan idolatrie gaan doen?

    Beantwoorden

  3. Robrecht Vanderbeeken

    Dag Eric, het helpt natuurlijk als je het boek gelezen hebt, de opzet kent en ook een beetje de historische context kent tussen de auteur en recensent. Ik ga daar niet teveel over uitweiden, u volgde mogelijks zelf de discussies vroeger op dewereldmorgen.be?
    Joris Note is altijd al uitgedaagd geweest door de autoriteit waarmee Blommaert voor een breed publiek een debat probeerde op gang te krijgen, hier lees je het vervolg ervan. Is dat verkeerd? Nee. Helpt het om deze recensie naar waarde te schatten? Ja.
    Mijn mening: dat je in het circus van ijdelheden van schrijvers en academici juist Jan Blommaert van een ego-cultuur gaat verdenken, is pas echt ridicuul. Meer nog, het klinkt behoorlijk gefrustreerd. Note mispakt zich andermaal aan het verschil tussen een opiniemaker die een discussie wil voeren voor een breed publiek – en die zich dus een pedagogische stijl en toon aanmeet – en een discussie tussen onderzoekers onderling. Blijkbaar voelt hij zich aangesproken door die pedagogische format en vindt hij dat betuttelend. Het probleem ligt in dat geval bij de temperamentenleer van de personen in kwestie, meer bepaalt de dispositie van Joris Note om aangestoken te reageren op lopende discussies, voornamelijk door bekende figuren, maar dan vanuit de behoefte zijn ongenoegen de vrije loop te laten eerder dan het debat aan te gaan. Moet kunnen, dikwijls interessant, maar dan moet je er ook niet van opkijken dat je schrijverij soms ook door die bril gelezen wordt.
    Is dit een goeie recensie? Je kan het natuurlijk hebben over de verdraaide woorden die vergeten zijn, of over de gestolen woorden die je ook had kunnen bespreken, over de andere auteurs die ooit in de geschiedenis vanuit een zelfde onderzoeksinteresse werkte (en die je niet zou vermeld hebben…) enzovoort. Zo breng je dan een en ander in stelling om het punt te maken waar je – laten we daar eerlijk over zijn – op uit bent: de auteur zou het hoog op hebben met zichzelf, ten onrechte, en daar gaan we eens hysterisch over foeteren. Op zich moet dat ook nog kunnen – waarom niet?- maar dat vind ik dus benepen als je dat via de dekmantel van een recensie wil doen omdat je dan als recensent de persoonlijke motivatie niet kan overstijgen – de aanklacht die Joris wil maken is in dit geval absoluut niet in verhouding met de grond waarop hij die wil maken – en omdat je ook in de betreffende bespreking heel wat mist wat wél van belang is. Namelijk, wat betekent het eigenlijk om zo’n soort boek te maken? Ik lees daar in deze recensie weinig over: het bijzondere/boeiende/problematische van een aanpak waarbij je voornamelijk focust op discoursanalyse om via die weg in eenvoudige taal iets over de heersende ideologie te zeggen. Je ziet hoe de auteur zoekt naar manieren om een publiek te bereiken dat buiten zijn (ons) courant leespubliek valt, bijvoorbeeld door niet te werken met academische referenties, sociologisch-theoretische uitweidingen, onderzoeksvragen enzovoort, maar wel met het invoegen van denkoefeningen, van schema’s waarin zaken nog eens overzichtelijk en bondig worden samengevat etc.
    Ik vind dat interessant, en ik zie ook hoe zo’n benadering echt wel werkt als je bijvoorbeeld geïnteresseerde lezers – jong en oud – over de vloer krijgt in een boekenwinkel. Geloof me, er zijn echt heel veel mensen die je niet bereikt met de maatschappijkritische boeken die vandaag worden uitgebracht. Daar zouden (academische) auteurs echt wel eens wat meer over mogen nadenken, tenzij ze enkel voor elkaar willen schrijven, of voor de lijstjes van de pikorde in kritische auteurs? Iemand met heel wat leservaring, zoals Jan Blommaert, kan gerust ook dikke en doorwrochte werken schrijven – wat hij binnen zijn vakgebied ook doet – maar probeert in menige publicatie om het anders aan te pakken, met succes overigens. Of denk aan Paul Verhaeghe, iemand waar sommige mensen uit ivoren torens op deze site ook anaal gecrispeerd op reageerden, maar dan ga je wel compleet voorbij aan wat die man verwezenlijkt in het publieke debat en hoe hij er op zijn manier wél in slaagt om heel veel mensen aan het denken te zetten, stap per stap. Salonintellectuelen die amper uit hun schrijfstoel geraken, of ze nu al dan niet in een bepaalde marge functioneren, zouden in dat opzicht hun eigen rol en dada’s toch eens moeten in vraag stellen.
    Kortom, in die zin is deze recensie een gemiste kans, vanuit een onvermogen om de intentie van deze auteur als publieke opiniemaker in te schatten. Ze is wel leerrijk omdat het veel zegt over het soort intellectueel debat in Vlaanderen tussen auteurs onderling, inclusief uw reactie, alsof mijn repliek niet ‘adequaat’ zou zijn, alsof je je zelf niet eens kan voorstellen wat dan het probleem zou kunnen zijn met deze recensie. Uw reactie lijkt mij, zo vermoed ik maar ik kan mij daarin vergissen, meer opgevat als ‘het opnemen voor de recensent’ voor de tribune waaruit we dan moeten afleiden dat ik het wil opnemen voor de auteur (vanuit idolaterie dan nog – als dat geen enggeestige vooronderstelling is alsof ik in het onvermogen verkeer om kritisch na te denken over wat Jan Blommaert schrijft… ). Inclusief de kritiek die ik via andere weg krijg dat ik het opneem voor een collega-auteur bij dezelfde uitgever. Opnieuw weer dat benepen denken. Met permissie, ik vind dat allemaal flauwe kul, genre ‘kampjes op de speelplaats’.
    Joris Note is vanzelfsprekend een boeiende stem, dat heeft hij in de feiten bewezen, idem voor Jan Blommaert en vanuit die erkenning vind ik het logisch dat ik mijn repliek mag delen zonder mij in allerhande bochten te moeten wringen om eventuele persoonlijke gevoeligheden te respecteren – de reactor is een van de weinige plekken waar ook dergelijke eerlijke uitwisselingen nog kunnen, inclusief de therapeutische sessies 🙂
    Samengevat, Joris Note waagt zich als vanouds aan pittige kritiek, soms zit die er knal op en vind ik het een grote meerwaarde, schitterend zelfs, dat zo’n punt eens wordt gemaakt. Soms zit het er naast, zoals hier, en in zo’n geval ben ik er van overtuigd dat hij en anderen ook genereus genoeg zijn om het debat waarop ze aansturen in al haar volheid te appreciëren. Anders gezegd, net omdat Joris Note deze recensie schrijft, wil ik graag de moeite doen omin feedback te voorzien. Er zijn ook veel schrijvers waarbij dat natuurlijk tijdverspilling zou zijn.

    Beantwoorden

  4. Joris Note

    Ik antwoordde niet op de eerste reactie van Robrecht Vanderbeeken, omdat ik die niet ter zake vond. Na zijn lange tweede epistel ben ik wel verplicht iets te zeggen, omdat hij mijn integriteit als recensent in twijfel trekt. Mijn verondersteld negatieve bespreking zou te verklaren zijn vanuit eerdere ‘discussies’ (jaren geleden!) die ik met Blommaert had op DeWereldMorgen.be, anders gezegd: ik heb me laten leiden door vooroordelen, of door rancune.
    Neem dit beeld van mijn recensie: ‘Je [Note] kan het natuurlijk hebben over de verdraaide woorden die vergeten zijn, of over de gestolen woorden die je [Blommaert] ook had kunnen bespreken, over de andere auteurs die ooit in de geschiedenis vanuit een zelfde onderzoeksinteresse werkte[n] (en die je [Blommaert] niet zou vermeld hebben…) enzovoort. Zo breng je [Note] dan een en ander in stelling om het punt te maken waar je – laten we daar eerlijk over zijn – op uit bent: de auteur zou het hoog op hebben met zichzelf, ten onrechte, en daar gaan we [Note] eens hysterisch over foeteren.’ En dat alles ‘via de dekmantel van een rencensie’! Hopelijk heb ik de namen juist ingevuld, hopelijk begrijp ik ongeveer wat er staat. Commentaar: 1) Met de zinnetjes over verdraaide en gestolen woorden bedoelt Vanderbeeken, denk ik, dat ik Blommaert bepaalde lacunes wil aanwrijven. Dat is niet waar: ik zeg wel dat ik het jammer vind dat bepaalde woorden (meestal van buiten het politiek-economische) niet aan bod komen, maar dat is zelfs geen milde kritiek, zoals blijkt uit mijn toevoeging: ‘dat had niet allemaal in dit boekje gekund: het gaat om een blijvende opdracht voor alle geletterden, ook schrijvers.’ 2) De ‘andere auteurs’: Marat, Breton, Klemperer, Hazan, Van Marissing…? Maar ik gebruik die voorbeelden alleen om Blommaerts project in een bredere context te kaderen, en geen haar op mijn hoofd heeft eraan gedacht dat hij die zelf had moeten vermelden. 3) Het eigenlijke ‘punt’ dat ik volgens Vanderbeeken wilde maken, Blommaerts overdreven neiging tot zelfaffirmatie, staat in twee zinnen die ik zorgvuldig tussen haakjes plaatste omdat ze slechts indirect verband houden met de reële kritiek die ik in het laatste deel van de recensie geef: dat Blommaert volgens mij een te hoge maatschappelijke waarde toekent aan deskundigheid. Je kunt het met die kritiek (die ik inderdaad al wel eens eerder heb geuit, maar niet alleen in verband met Blommaert) oneens zijn, en ongetwijfeld ga ik er niet diep genoeg op in, maar het is geen emotionele oprisping. (Ook hier zou ik naar Rancière moeten verwijzen.) Hoezo hysterisch gefoeter? Wie leest hier bevooroordeeld?
    En voor alle duidelijkheid: ik vind Blommaerts aanpak in het besproken boek niet ‘betuttelend’, dat staat nergens en ik bedoel het ook niet.
    En nog: ik (‘behoorlijk gefrustreerd’, weet u wel) heb een ‘dispositie […] om aangestoken te reageren op lopende discussies, voornamelijk door bekende figuren, maar dan vanuit de behoefte zijn ongenoegen de vrije loop te laten eerder dan het debat aan te gaan’. Ik probeer wel eens deel te nemen aan lopende discussies, maar ik weet toch niet precies waar dit op slaat, over welke ‘bekende figuren’ het gaat, en wat ik dan juist fout doe.
    Er is in Vanderbeekens reacties vrijwel geen zin die geen dwaasheid bevat, maar zo is het wel genoeg.

    Beantwoorden

  5. Robrecht Vanderbeeken

    Het is aldus Note uiteraard – voorspelbaar – weer allemaal onzin. Wie speelt hier de heilige boon en heeft er moeite met enige zelfrelativering? qed, veel plezier met je eigen oogkleppen Joris.

    Beantwoorden

  6. Eric Hulsens

    Beste Robrecht

    Ik ken de voorgeschiedenis van de recensie niet – maar is dat nodig? En is het niet veeleer een hinderpaal dan een voordeel? Ik lees een rustige, bedachtzame, positieve recensie met een paar kritische kanttekeningen, en jij leest een ‘aanklacht’ en ‘hysterisch gefoeter’. Allerlei irritatie en animositeit die blijkbaar op de achtergrond meespelen, leiden ertoe dat de ideeën zelf en de argumenten daarrond er niet meer toedoen en dat alles in de sfeer van onbillijkheid, kwaadwilligheid en veronderstelde karakteriële gebreken terechtkomt. Dat lijkt me overtrokken, en ook fout. Kan de discussie niet beter beperkt worden tot de standpunten en hun argumentatie? Het kernpunt van de bedenkingen in de recensie is, zoals in de titel aangegeven, de rol van de deskundigheid in het boek en in de samenleving. Maar daar lees ik toch erg weinig over in je commentaar.

    Met vriendelijke groet

    Beantwoorden

  7. Robrecht Vanderbeeken

    Waarom zou je alleen naar een tekst op zich kijken zonder rekening te houden met de ontstaanscontext? Alleen de concrete taal, niet de persoon en de wereld erachter? Als ik mij niet vergis, verdedigde jij in het verleden dat je bijv. Ook het wahabisme spreekrecht moet geven maar dan wel zonder naïef te zijn en dus rekening te houden met het verschil tussen het woord en de waarachtigheid ervan of de onderliggende intenties. Discours als tipje van een ijsberg, zeg maar.
    Nogmaals: ik vind bovenstaande recensie en discussie prima, op voorwaarde dat we ze ook ten volle mogen voeren. Note wil nota bene uiteindelijk ook iets zeggen dat verder ligt dan het boek zelf, inzake de auteur als publieke denker.
    Verder reken ik er ook dat, in het geval ik bijv. een recensie zou maken waarin ik vanuit mijn eigen psychodynamiek een en ander verknoop en tussendoor een discussie wil heropenen van een paar jaar geleden, mensen zoals jij daar ook op reageren. Anders blijven we steken in kleinlinkse debatten, met de nadruk op ‘klein’ in een andere betekenis.
    Met ‘hysterisch’ bedoel ik: iemand een autoriteit toedichten en die dan vervolgens op allerlei gronden willen problematiseren. Ik noem het gefoeter als er termen vallen als ‘ego-toeterij’ en ‘protserige’ enzovoort vallen.
    Mijn mening over de recensie op zich gaf ik al. Om er nog iets aan toe te voegen, zaken als: ‘Grosso modo ben ik het eens met vrijwel alles wat in deze hoofdstukken te lezen staat. Maar dat heeft geen belang, en evenmin heeft het belang dat ik er weinig nieuws in aantref: de vraag is of het publiek waar Blommaert op mikt er iets aan heeft; vermoedelijk wel, maar ik kan dat niet beoordelen.’ – dat is toch vermoeiend? Note wil laten weten dat zijn belezen zelf er niets nieuw in leest – wat interesseert mij dat? – om dan NIET in te gaan op wat de lezer wel kan interesseren: wat staat er nieuw in vergeleken met andere publicaties? Dat Note het allemaal zelf ook al bedacht heeft (of opgestoken uit de stukken van Blommaert op dewereldmorgen.be) lijkt mij niet echt relevant op te lezen, laat staan bescheiden. En dat was een stootsteen, nee?

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.