Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
In juni kwam Sarah Arnolds’ debuut uit: Het gore lef, een bundel van zeven verhalen, zes ervan zeer kort en een langer van zeventig bladzijden. Het haalde de longlist van zowel de Boekenbon Literatuurprijs als de Boon Literatuurprijs. Op de achterflap wordt de bundel als volgt ingeleid: ‘In de verhalen in Het gore lef wordt volop gelogen. […] En het is zo makkelijk. Iedereen kan het. Je liegt tegen je vrienden, je masseur, je ouders, je kinderen, je partner of jezelf. Moeilijker is om ermee op te houden.’ Wat moeten lezers verwachten bij dat ‘volop liegen’? Intriges, ontmaskeringen, mythomane personages die hun omgeving voortdurend belazeren, dat lijkt de insteek.
De flaptekst presenteert de leugen als het centrale narratieve element, of kort door de bocht geparafraseerd: ‘In deze verhalen liegen de personages volop tegen elkaar’. In zekere zin klopt dit, er wordt gelogen, in verhaal drie en zeven zou je echt van een pathologische leugenaar kunnen spreken, maar in andere verhalen is er dan weer met moeite een leugen te bespeuren, en hoe dan ook is dat niet waar de bundel in essentie om draait. Fantasieën, in zichzelf gekeerde personages die hun eigen versie van de realiteit beleven, doodgewone mensen die met een subtiele corruptie van de geest lijken te worstelen en door zichzelf of de ander sociaal gedistantieerd geraken, daar gaan de verhalen in Het gore lef echt over. En daar is de sporadische leugen ter bescherming tegen de buitenwereld slechts een neveneffect van.
Op een andere manier is de leugen nog veel meer aanwezig in Het gore lef: niet als narratief element, maar als instrument. Arnolds reikt haar lezer slechts fragmenten aan, laat personages met een verengde blik aan het woord, die apathisch tegenover de buitenwereld staan of labiel overkomen. Personages wier relaas van gebeurtenissen getroebleerd is door hun afstand tot de realiteit, en dus beter niet vertrouwd kunnen worden. Wensen lezers de vertellers op hun woord te geloven, dan komen ze gegarandeerd bedrogen uit. In die zin had er op de achterflap nog beter gestaan: ‘Wie de verhalen in Het gore lef leest, voelt zich voortdurend belogen.’
In het eerste verhaal, ‘Je vriendin koopt een vis op de markt’, liegen de personages alvast niet echt tegen elkaar. Wat wel op een verrassende manier aan bod komt: huiselijk geweld in het geniep, slagen en verwondingen met onverwachte voorwerpen, ontkenning en stilzwijgende aanvaarding. Een geweldpleger waarvan het onduidelijk is of die labiel of doordacht is, en een slachtoffer dat, net als de lezer, geen enkele beredeneerbare verklaring kan vinden voor het geweld. Hij weet niet wat ermee aan te vangen, laat het maar wat gebeuren, durft er vooral niet over te spreken. Niets wordt aan de lezer onthuld: weinig voorgeschiedenis, geen afloop, geen ander perspectief dan dat van het slachtoffer, enkel de gebeurtenissen in een beperkt tijdsbestek, waargenomen met onbegrip en verwarring. Of het relaas van het vermeende slachtoffer getrouw is aan de waarheid, geen idee. Na zeven bladzijden sluit het kijkluik. Open einde: ‘En dat is waarom je heel even hoopt, wanneer je die avond de keuken in komt en zij zich omdraait met de makreel in haar hand, dat ze hem alleen maar op het aanrecht zal leggen; […] dat jullie hem dan op zullen eten, en dat hij jullie goed zal smaken.’
De vis zal een ander doel dienen, dat is duidelijk, maar antwoorden blijven uit. Wat blijft knagen na de lectuur zijn, uiteraard, de vragen die rijzen over het gebeurde, de motieven, de achtergrond. Nochtans zijn die onopgeloste kwesties niet bedoeld om de lezer in spanning te houden op de manier dat een klassieke thriller dat doet. Vragen worden niet opgeworpen om de lezer te betrekken, maar om hem te bevreemden. Dat het verhaal onvolledig blijft ontstelt de lezer: het mist schijnbaar een reden om verteld te worden, het is bewust onaf, fragmentarisch, en is daardoor een beetje unsettling. Die trant wordt in de andere verhalen doorgetrokken. Geheimhouding is de modus operandi in deze bundel, een ontknoping en beschouwing blijven telkens uit.
Kort verhalen samengevat
In de loop van de bundel keren een aantal motieven terug, en in bijna ieder verhaal ligt er nadruk op de mentale ervaring van ingebeelde of beleefde fysieke sensaties. In het tweede, ‘Ontspan je, alsjeblieft’ krijgt de lezer een inkijk in de op hol geslagen, fetisjistische en zeer associatieve gedachtegang van een journaliste van een Libelle-achtig blad. Een bezoek aan de Thaise massage: dromen over David Hockney, bedenkingen over de gewoontes van het dode lichaam en gedachten aan afspraakjes met haar tegenvallende minnaar worden aritmisch onderbroken door de droge commando’s van masseuse Elsie. Om af te sluiten, een fantasietje over het wederzijds en sensueel met de vingeren penetreren van elkaars oren. In ‘De mijne’, het vierde verhaal, verwisselt de vrouw van een mimespeler haar man per ongeluk met een van de andere mimespelers bij het oppikken na de training – want ze hebben natuurlijk allemaal exact hetzelfde voorkomen. Het begint haar in de loop van de avond te dagen, maar in plaats van de verkeerde in te ruilen bij diens rechtmatige eigenaar en de hare terug te eisen, laat ze zich de verwisseling en de spanning van het stiekeme nieuwe welgevallen, als wist ze van niets.
In deze twee verhalen onderzoekt Arnolds de werking van het fantastisch vermogen dat doodgewone, weliswaar in zichzelf gekeerde mensen – in dit geval vrouwen – bezitten. Die fantasie is erotisch getint, maar daarop ligt niet de nadruk. Het zijn geen pornografische verhalen, maar verhalen die verkennen hoe versmeltingen van het alledaagse met droom, verlangen, schaamte en guilty pleasure eruit kunnen zien in ongeremde vorm. Te midden van haar dagdromen over een andere man erkent de vrouw in ‘De mijne’ waar het hier om gaat: ‘Hij zou ze in het felle licht van de badkamer met een loepje bestuderen, mijn dermatoloog, geduldig en secuur, en hij zou me vertellen dat ze op dit moment allemaal onschuldig zijn, zoals alles in principe onschuldig is tot het begint te woekeren: cellen, invasieve planten, je fantasie.’
Verhaal vijf en zes beschrijven bovenal pijnlijke confrontaties tussen angstige ego’s en een sociale omgeving die ze als bedrukkend ervaren, alsof de omgeving meekijkt met het ego, en ook de verborgen angsten en fouten van het ego kan lezen. In ‘Madrid’ slaagt een gefaalde vader-dermatoloog er niet in te bekennen aan zijn gealiëneerde zoon dat hij huidkanker heeft. Hoe de vader in een droom die zijn zoon hem vertelt, zijn onderdrukte afgunst jegens zijn zoon weerspiegeld ziet, hoe het ‘bloed bonkt in zijn slapen’, hij zich betrapt voelt, hij de biecht en de confrontatie ontvlucht. In ‘Russisch’ vult een jonge, richtingloze vrouw haar gebrek aan carrière en prestige in met een laagdrempelige avondopleiding Russisch, maar aan haar omgeving doet ze uitschijnen dat ze ‘weer is gaan studeren’. Ze is fake, weet dat van zichzelf, vindt opwinding in het theater dat ze opvoert en voldoening in de goedkeuring die ze nu verwacht te oogsten.
Verhaal zeven en drie gaan over echte pathologen, leugenaars, zoals beloofd op de achterflap – en daarmee genoeg over die achterflap. Het zevende en laatste verhaal, ‘Hoe ik leerde liegen’, is veruit het kortste maar ook het beste van allemaal. Het verdient het vanwege zijn kwaliteit en beperkte lengte om niet in deze recensie samengevat te worden, anders loont het de moeite niet meer gelezen te worden. In dit verhaal is de onvolledigheid, de verwarrende en contextloze verteltrant van Arnolds het meest geconcentreerd. Haar neiging tot een gekke plotwending en haar fixatie op het absurde, bijna lugubere van de menselijke fantasie zijn hier het meest uitgesproken.
Het derde verhaal, ‘Brand’, is met bijna zeventig bladzijden het langste van de zeven. Het zou als novelle op zich kunnen gelden, ware het niet dat het buiten zijn lengte niet veel meer dan de andere zeven te bieden heeft. Het betrekt de materie van de andere verhalen op het ontwikkelende kind, en toont de werking van sociale afzondering, groepsdruk en kinderlijke logica. Het verhaal leest echter haperend en nogal doelloos.
Het gemiste effect
Wat de personages in Het gore lef gemeen hebben is een compulsieve neiging de realiteit te ontlopen. Elk verhaal belicht andere manieren waarop die neiging tot uiting kan komen: in pathologische of manische trekken, in ontvluchting, in verbeeldingsdrang of in pervertering. Arnolds verhalen kunnen gelden als een onderzoek naar verschillende manieren waarop de rotte kleingeestigheid van het ego mensen verziekt en hen vervreemdt van hun sociale omgeving, en zelfs van zichzelf. De auteur gebruikt vaak een licht absurde setting om die vervreemding van haar personages kracht bij te zetten, en probeert ook met het eerder beschreven gefragmenteerde narratief, het enge perspectief de lezer te bevreemden. Maar naast bevreemdend werken de absurde keuzes, en ook het alledaagse taalgebruik, evengoed komisch. Soms leidt dat tot stijlbreuk, en het boek mist in het algemeen een gedefinieerde stijl. Echt eng worden de verhalen nooit. Ze oscilleren twijfelachtig tussen ongemak en humor, waardoor geen van beide effecten overeind blijft.
Iets voor de publicatie van ‘Het gore lef’ verscheen de Nederlandse vertaling van Samanta Schweblins recentste bundel kortverhalen, Het goede kwaad (origineel El buen mal, 2025 Meridiaan uitgevers, vertaling Eugenie Schoolderman). Ongeveer evenveel korte verhalen, alledaagse personages, een onvolledig narratief waardoor de lezer voortdurend blijft gissen, en een absurde, zelfs lugubere vertelstof. Everyday horror, bij momenten écht misselijkmakend. Niets buitenaards of aantoonbaar bovennatuurlijks, maar huiveringwekkende gebeurtenissen die het alledaagse doen verbleken. Een aantal gelijkenissen vallen snel op bij het lezen van de ene na de andere bundel: het ongemak smaakt ietwat gelijkaardig, er hangt een absurd sfeertje en bij beiden speelt het verhaal zich voor de helft af in de vertelling en voor de helft in de suggestieve lege ruimte.
Ze zijn vergelijkbaar tot op zekere hoogte, maar de verhalen van Schweblin grijpen je daadwerkelijk naar de keel en blijven zinderen na de lectuur. In verhouding smaakt het effect van Het gore lef eerder flets. Schweblin is natuurlijk een doorgewinterde schrijfster die zich de kunst van de psychologische horror heeft eigengemaakt, Arnolds is met haar debuut misschien nog niet aan haar meesterstuk toe. Misschien heeft het verschil in impact en in graad van onbehagen dat de lezer ervaart ook te maken met een andere keuze qua materie. In Het goede kwaad draait het erom hoe personages psychologisch reageren op gebeurtenissen die hun weinig bijzondere leven onomkeerbaar verstoren – tragische dood, onwaarschijnlijke ongevallen, vreemdelingen die iemands leven binnendringen en overheersen. Schok, terreur en trauma zijn de evidente reacties en die ervaart de lezer mee met de personages. In Het gore lef draait het niet om gebeurtenissen die mensen psychologisch ontwrichten, maar om inherent ontwrichte personen die, al dan niet ten gevolge van een ietwat onnatuurlijk gebeuren, hun greep op de werkelijkheid verliezen. Geen schok, geen terreur, geen trauma, wel licht ongemak en argwaan door de afwijkende werkelijkheidsperceptie van de personages. Dat dwingt lezers ertoe een cynische afstand te bewaren, eerder dan volledig in het verhaal weg te zinken. Maar als sommige van de verhalen daarnaast nog een tikkeltje rommelig in elkaar zitten, een luik weer sluiten voor het goed en wel geopend is, of juist te veel pagina’s wijden aan een narratief dat weinig richting lijkt te hebben, kan dat zowel de spanning als de ontregeling tenietdoen.
Toen Het gore lef in juni verscheen, werd het aangeprezen als het perfecte zomerboek. Naast de baby pink hardcover was er ook een rode paperback te verkrijgen in samenwerking met de stichting CPNB, in een tote-bag met kortingsbonnen voor tien andere titels, een goede zomerse promostunt. Akkoord, het boek paste best goed bij een koffietje op een terrasje in de zomer, of nazomer, of herfst: de verhalen zijn behapbaar en verteerbaar en bij momenten zowel komisch als verontrustend. De eerste lectuur is niet zonder indruk maar daar blijft het wel bij. Wanneer het verhaal uit is en de koffie op kan je zo weer verder met je dag, zonder er nog veel gedachten aan te spenderen. De materie en het opgewekte gevoel glijden na de eerste indruk net zo makkelijk weer van je af.
Niettemin heeft Sarah Arnolds met Het gore lef een degelijk debuut uitgebracht, waarin ze bewijst verhalen te kunnen schrijven met een duidelijk opzet, die thematisch en stilistisch coherent zijn. Ze heeft een talent voor het oproepen van de achterliggende leef- en denkwereld van ogenschijnlijk doodgewone personages. Haar debuut maakt nieuwsgierig naar volgende producten van haar fantasie.
Deze recensie van Karel Van Assche over Het gore lef van Sarah Arnolds werd mede mogelijk gemaakt door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV).

Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.