Biografie, Recensies

Schitterend in zwart: Met ‘Rode komeet’ krijgt Sylvia Plath eindelijk de biografie die ze verdient

Rode komeet

Het korte leven en de vlammende kunst van Sylvia Plath

Heather Clark

Op 20 november 1961 schrijft Sylvia Plath (1932-1963) aan haar moeder dat zij en haar man, de Engelse dichter Ted Hughes, een aantal van hun poëziemanuscripten verkocht hebben. De papieren van Hughes brengen meer op dan die van Plath: in totaal krijgt Plath 100 pond voor haar kladjes, Hughes ontvangt 240 pond voor die van hem (‘we’ve made a good bit off our scrap paper,’ schrijft Plath tevreden).

Hoe anders liggen de verhoudingen een halve eeuw later! Toen Frieda Hughes, de dochter van de dichters, in 2018 de bezittingen van haar ouders liet veilen door het veilinghuis Bonhams in Londen brachten de kavels van Plath meer dan twee keer zoveel op als die van haar man. De mintgroene typemachine waarop Plath haar roman The Bell Jar (1963) schreef werd voor ruim 45.000 dollar verkocht; Hughes’ typemachine daarentegen ging voor nog geen 5000 dollar van de hand.

De New York Times noemde dit een moment van poëtische rechtvaardigheid voor de feministische literatuurcritici die jarenlang een ‘heilige oorlog’ tegen Hughes gevoerd hebben en hem ervan beschuldigden Plath, die op dertigjarige leeftijd zelfmoord pleegde door haar hoofd in de gasoven te leggen, onderdrukt of zelfs vermoord te hebben. Feministen verstoorden Hughes’ poëzielezingen door vanuit het publiek het gedicht ‘Arraignment’ van de Amerikaanse dichter Robin Morgan te declareren (‘How can / I accuse / Ted Hughes / of […] / the murder of Sylvia Plath’) en beitelden tot drie keer toe zijn naam van Plaths grafsteen in Yorkshire.

 

‘I eat men like air’

Voor sommigen is Sylvia Plath een symbool van vrouwelijke kracht, iemand die niet bang was haar literaire ambities na te jagen in een tijd waarin vrouwen geacht werden genoegen te nemen met huwelijk en moederschap en die er, ondanks dat ze het tij bepaald niet mee had, in slaagde een van de grootste dichters van de twintigste eeuw te worden. Voor anderen is ze een icoon van vrouwelijke hulpeloosheid, een machteloos slachtoffer van het patriarchaat dat, nadat Hughes haar en hun twee kleine kinderen had verlaten voor een andere vrouw, verzonk in een depressie die ze niet meer te boven kwam.

Dit soort uitersten hebben lang het discours over Plath en haar werk gedomineerd, en biografieën gingen hier in mee. We hebben Plath de ‘Marilyn Monroe van de moderne literatuur’ in Carl Rollysons American Isis; Plath de meedogenloze bitch in Anne Stevensons Bitter Fame (een boek zo vijandig over Plath dat er een bijlage getiteld ‘Vessel of Wrath’ in opgenomen is); Plath de psychotische godheid in Andrew Wilsons Mad Girl’s Love Song; Plath de jongensgekke nymfomaan in Ronald Haymans The Death and Life of Sylvia Plath.

Op het eerste gezicht lijken het werk en het leven van Plath deze tegenstrijdige en vaak melodramatische lezingen uit te nodigen. ‘I rise with my red hair / And I eat men like air’ dicht Plath in ‘Lady Lazarus’ – koren op de molen van radicale feministen. Maar het is niet zo makkelijk om Plath in te lijven in een simplistische feministische ideologie. Ze kon zeer minachtend spreken over carrièrevrouwen die neerkeken op het huishouden en het moederschap en sprak met afkeer over ‘onvruchtbare’, kinderloze vrouwen. Plath was trots op haar eigen vruchtbaarheid, haar kinderen, haar huwelijk. Met het volgende, ietwat onderdanig klinkende citaat uit een brief die Plath in 1956 aan haar kersverse echtgenoot schreef, zullen de Robin Morgans minder goed uit de voeten kunnen:

 

O Teddy, how I repent for scoffing in my green and unchastened youth at the legend of Eve being plucked from Adam’s left rib, because the damn story’s true, I ache and ache to return to my proper place, which is curled up right there, sheltered and cherished; I am sure you, as a man, will hack out some sort of self-sufficience [sic] this year, missing only one rib; but I; my whole sense of being is blasted by your absence.

 

Of, zoals ze elders aan Hughes schreef, ‘a woman’s place is in her husband’s bed’.

 

De mens Plath

Het is de taak van een biograaf om dit soort extremen – Plath de man-eater versus Plath de volgzame Eva – te onderzoeken, niet om er door meegesleept te worden; het is de taak van een biograaf om te ontdekken wie er achter de symbolen schuilt. Dat is wat Heather Clark doet in Rode komeet: Het korte leven en de vlammende kunst van Sylvia Plath (2020). Als eerste Plath-biograaf toont Clark ons de mens Sylvia Plath.

Clark, een Amerikaanse professor in de hedendaagse poëzie die aan de Engelse Huddersfield universiteit doceert, blijft ver uit de buurt van de clichés die het schrijven over Plath tot nu toe beheerst hebben. ‘Ik hoop Plath te bevrijden van de culturele bagage van de afgelopen vijftig jaar,’ schrijft Clark in de proloog, ‘en haar te herpositioneren als een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van de twintigste eeuw.’

Dat is haar gelukt. Het beeld van Plath dat uit Rode komeet naar voren komt is dat van een zeer getalenteerde, levenslustige, leergierige, ambitieuze en complexe vrouw – maar een vrouw, geen icoon. De titel van de biografie is ontleend aan Plaths gedicht ‘Stings’, uit haar postuum gepubliceerde bundel Ariel (1965). In dit gedicht zegt de spreker: ‘I / Have a self to recover, a queen.’ Je zou kunnen zeggen dat dit is wat Clark beoogt: het terugwinnen van Plaths ‘self’, haar menselijkheid.

Clark heeft een kleine tien jaar gewerkt aan haar studie (de eerste Plath-biografie die in het Nederlands is vertaald) en dat is te merken: het resultaat is een uiterst gedetailleerd, doorwrocht en meeslepend boek dat ondanks de grote hoeveelheid onderzoek die eraan ten grondslag ligt toch makkelijk leest, bijna als een roman. Een hele dikke roman ook: het werk telt ruim 1300 pagina’s. ‘I want her to take up space on that bookstore shelf,’ zei Clark onlangs in een interview over de lengte van haar boek, ‘I want a woman writer to have that three-inch spine. Not many of them get it, and if anyone deserves it, it’s Sylvia Plath.’

 

Peak Plath

Bij iedere nieuwe publicatie over Plath vragen recensenten of er echt nog wel iets nieuws te melden is over de jonggestorven dichter. ‘No More Plath, Please’ kopte de New York Times in 2003, een opvatting waar ik een behoorlijke dosis seksisme achter vermoed – ik kan me moeilijk voorstellen dat een nieuwe biografie over James Joyce met ‘No More Joyce, Please’ onthaald zou worden. Als het gaat over Sylvia Plath is de overheersende impressie dat we het nu wel genoeg over haar gehad hebben, dat Plath een onderwerp is dat afgerond moet worden. Zoals een andere journalist zich afvroeg bij de publicatie van het eerste deel van Plaths brieven in 2017: ‘Have we reached peak Plath yet?’

Bepaald niet. Als er iets is dat Clarks lijvige studie laat zien dan is het dat we nog lang niet alles over Plath weten en, belangrijker, dat de dingen die we denken te weten in een bredere historische en sociale context gezien moeten worden om geduid te kunnen worden. Clark toont in Rode komeet dat het er niet zozeer om gaat nieuwe ontdekkingen te doen, maar om nuance aan te brengen in de manier waarop Plaths levensloop en haar intellectuele ontwikkeling tot nu toe beschreven zijn. Te lang heeft de nadruk gelegen op de tragische kanten van haar leven in plaats van op haar bijzondere poëtische stem. Plath ‘was geen Medea, geen Eurydice, geen Elektra’ schrijft Clark. ‘Ze was een zeer gedisciplineerde vakvrouw die met haar unieke stem de Amerikaanse en Britse literatuur heeft helpen transformeren.’ Zowel haar leven als haar werk verdienen daarom ‘een nuchtere herwaardering’.

Zo komt Clark niet met dramatische plotwendingen of revolutionaire onthullingen over het verhaal van Plaths leven, waarvan de hoofdlijnen bij veel lezers bekend zullen zijn: haar grote poëtische talent, dat zich al vroeg openbaart; de dood van de door haar aanbeden vader als ze acht is; haar tomeloze ambitie en immense doorzettingsvermogen (ze ontving meer dan vijftig afwijzingen van het tijdschrift Seventeen voordat het haar lukte daar een verhaal te plaatsen; ze stuurde tien jaar lang gedichten en verhalen naar de New Yorker voordat er eindelijk een werd geaccepteerd); haar depressie, de zeer traumatische elektroshocktherapie en daaropvolgende zelfmoordpoging als student aan het prestigieuze Smith College; de Fulbright-beurs die ze won om aan Cambridge te studeren, waar ze de grote, knappe Ted Hughes ontmoette (‘Ted Huge’ noemde Anne Sexton hem) met wie ze vier maanden later trouwde; de intense samenwerking tussen de twee dichters en de bewondering de ze voor elkaars talent hadden; de geboorte van dochter Frieda en zoon Nicholas; Hughes’ affaire met de mooie Assia Wevill; Plath’s laatste depressie en haar zelfmoord op 11 februari 1963, tijdens de koudste winter van de eeuw in Londen.

Hoewel Clark geen schokkende openbaringen brengt, komt ze wel degelijk met nieuwe inzichten, mede doordat ze toegang had tot een grote hoeveelheid bronnen die nog niet eerder aangeboord werden. Clark onderzocht Plaths jeugddagboeken, agenda’s, en ongepubliceerd creatief werk. Ze had als eerste inzage in het volledige archief van Ted Hughes, dat ongepubliceerde gedichten en dagboekaantekeningen over Plath bevatte. Ze bestudeerde Plaths volledige familiegeschiedenis en spitte medische dossiers, FBI-archieven en overlijdensaktes door.

Belangrijker nog is dat Rode komeet de eerste biografie is van Sylvia Plath waarin al haar bewaard gebleven correspondentie is verwerkt, waaronder veertien opzienbarende, recent ontdekte brieven die Plath aan het eind van haar leven aan haar psychiater Dr. Ruth Beuscher schreef. Uit de inhoud van deze brieven blijkt duidelijk dat Plath ze zag als een vorm van therapie op afstand (ze noemt Beusscher consequent ‘Dr.’ en biedt aan om voor het ‘consult’ te betalen) en Clarks veelvuldig citeren eruit heeft iets ongemakkelijks. Toch kan je het haar nauwelijks kwalijk nemen: de ‘Beuscher-brieven’ geven een uniek kijkje in Plaths gemoedstoestand aan het eind van haar leven. Waar Plath haar brieven, met name die aan haar moeder, doorgaans schreef vanachter een onverwoestbaar pantser van enthousiast optimisme, zien we hier een andere stem: kwetsbaar, onthullend, onbevangen en geleidelijk aan steeds wanhopiger. Zo beschrijft ze hoe ze bundels gepassioneerde liefdesgedichten (en geen liefdesbrieven, zoals de vertaling het heeft) vindt die Hughes voor Assia Wevill heeft gecomponeerd, ‘waarin hij hun orgasmes beschrijft, haar ivoren lichaam, haar geur, haar schoonheid, en zegt dat in een wereld van schoonheden hij met een heks is getrouwd’. En, voegt ze toe: ‘Veel ervan zijn goede gedichten. Absoluut bezielde gedichten.’ Zelfs op dit moment van acute aporie (‘ik ga gewoon dood’) kan ze Hughes’ gedichten nog op hun literaire waarde schatten. Ik vond dit van een ontroerende edelmoedigheid getuigen.

 

Oppersecretaresse

De grote hoeveelheid nieuw materiaal stelt Clark in staat om de relatie tussen Plath en Hughes in Rode komeet onbevooroordeeld te bezien. Waar vorige biografen vaak een ‘schuldige’ probeerden aan te wijzen in de pijnlijke breuk tussen de twee, weigert Clark kiezen voor ‘team Plath’ of ‘team Hughes’. Dit is op zijn zachtst gezegd verfrissend.

Aan de ene kant laat Clark het seksisme zien dat, ook in het huwelijk van Plath en Hughes, welig tierde. Beide echtelieden dichtten, maar alleen Plath kookte. Daarnaast deed ze de dagelijkse boodschappen, maakte het huis schoon, deed de was, naaide gordijnen en kleren voor de kinderen, hield de administratie bij, typte Hughes’ manuscripten uit, beantwoordde zijn post (hij noemde haar zijn ‘oppersecretaresse’) en nam een bijbaantje zodat Hughes kon schrijven zonder over geld te hoeven tobben. ‘In haar agenda schrijft ze hoe uitgeput ze is nadat ze de lakens en de handdoeken heeft uitgekookt en de badkamer en de keuken op handen en knieën heeft geboend.’ Alsnog was dit voor Hughes niet voldoende: hij beschuldigt haar ervan dat ze zijn kapotte sokken weggooit in plaats van ze te stoppen, zoals het haar betaamt.

Maar Clark beschrijft ook dat Hughes zijn vrouw vanaf het begin serieus nam als dichter in een wereld waarin dat niet vanzelfsprekend was – spreken we tegenwoordig nog over het glazen plafond; in Plaths tijd was dat plafond van gewapend beton. ‘Ik heb een briljante Amerikaanse dichteres ontmoet,’ schrijft Hughes kort na hun kennismaking aan zijn zus. ‘Ze is echt goed […] verdomd veel beter dan de gemiddelde man.’ Hughes heeft nooit getwijfeld aan Plaths genialiteit en stimuleerde haar voortdurend om zich verder te ontwikkelen, haar eigen stem te ontdekken. Hij was net zo blij met zijn eigen successen als met die van haar. Clark schrijft: ‘Toen het prestigieuze tijdschrift Poetry in 1956 zes gedichten van Plath accepteerde, schreef Hughes haar: “Hiep, hiep, zoals de hyena gilt. Nu heb je het gemaakt […] Dit is geweldig. Elke redacteur in Amerika zal verrukt zijn.”’ Als er kinderen komen verschoont hij luiers, uniek in die tijd, en zorgt iedere ochtend vijf uur voor hen zodat Plath ongestoord kan schrijven.

 

De babykamer

Wat Rode komeet ook ten goede is gekomen, is dat Clark de medewerking had van de erven Plath en Hughes. Plaths literaire nalatenschap werd jarenlang beheerd door Hughes’ bezitterige zuster Olwyn, die een hekel had aan haar schoonzus (‘puur vergif’, noemde ze Plath, ‘een volslagen bitch’) en er vooral op uit was Hughes’ reputatie te bewaken. Biografen die niet naar haar pijpen dansten kregen van haar geen toestemming om uit Plaths werk te citeren. Olwyn overleed in 2016 en Plaths nalatenschap is nu in handen van haar dochter Frieda, die Clark toegang heeft gegeven tot alle gepubliceerde en ongepubliceerde schrijfsels van haar ouders en het haar toestond te citeren zo veel ze wilde. Zo kon Clark rechtstreeks bronnen aanhalen in plaats van teruggeworpen te zijn op ‘haastig gemaakte aantekeningen’, waardoor we, meer dan in vorige biografieën, veelvuldig Plaths krachtige en levendige eigen stem te horen krijgen en getuige worden van haar tomeloze energie.

Clark mocht tevens ongelimiteerd uit Plaths gedichten citeren (‘a luxury denied in the past by her estate to most biographers’ klaagt een jaloerse collega-Plath-biograaf). Clarks poëzieanalyses zijn scherpzinnig en ze vermijdt psychologisering. Door middel van veelvuldige ‘close readings’ van Plaths werk volgt Clark haar creatieve ontwikkeling, van de formalistische en gestileerde vroege gedichten tot de wilde, experimentele stem van haar late werk. Ze laat zien dat de gedichten die Plath aan het eind van haar leven schreef, ondanks hun spontaan aandoende vorm, het product zijn van een lange leerschool en vol staan met subtiele verwijzingen naar T.S. Eliot, W.B. Yeats en Shakespeare. Plaths late werk, schrijft Clark, is ‘Picasso op de drempel van het kubisme. Plath moest haar klassiekers kennen om iets nieuws te kunnen creëren.’ En ze kende haar klassiekers – Clark noemt haar ‘een van de best opgeleide vrouwen van haar generatie’.

Als een van de eersten in het Engelse taalgebied schreef Plath over abortus, miskraam en postnatale depressie. Ze was een pionier in het schrijven over het moederschap. In ‘Ariel’ bij voorbeeld, een gedicht dat geschreven is tijdens de dageraad en gaat over de dageraad, de ‘cauldron of morning’, wordt de spreker onderbroken door een huilende baby: ‘The child’s cry / Melts in the wall.’ Het gedicht geeft zo een inkijkje in de belevingswereld van een nieuwe moeder, constant gespitst op de geluiden van haar baby. Ook in ‘Nick and the candlestick’ lezen we over een moeder die, wederom in de vroege ochtend – het moment waarop Plath bijna alle gedichten uit haar laatste bundel schreef – met een kaars in de hand naar het ledikant van haar zoontje loopt. Daar treft ze hem aan in een onmogelijke positie (een bekend verschijnsel voor iedere ouder die wel eens een peuter ondersteboven in de wieg heeft gevonden, gezicht platgedrukt tegen de spijlen) en vraagt: ‘O love, how did you get here?’ Een vraag die niet alleen de houding van het kind betreft, maar ook zijn herkomst. Plath, concludeert Clark, ‘stelde de mannelijke romantische notie aan de kaak dat het heidelandschap bij haar huis subliemer was dan de babykamer van haar kind’.

 

Te dicht bij de zon

Zelfmoord is een valkuil, zowel voor nabestaanden als voor biografen. Als een jonge vrouw, moeder van twee kleine kinderen, een einde maakt aan haar leven wordt dit al snel het overheersende gegeven van dat leven. Voor biografen overschaduwt Plaths zelfmoord alles wat daarvoor kwam. ‘Eerdere biografieën,’ schrijft Clark, ‘hebben de nadruk gelegd op de weg naar Plaths zelfmoord, alsof alles wat ze ooit deed, van kinds af aan, was voorbestemd om haar dichter bij een lot te brengen dat ze verdiende omdat ze te dicht bij de zon vloog.’ Zo merkte de Engelse criticus en vriend van Plath Al Alvarez ooit op dat haar late gedichten lezen alsof ze postuum geschreven zijn. De titel van Haymans studie, The Death and Life of Sylvia Plath, is typisch in dit opzicht.

In tegenstelling tot haar voorgangers ziet Clark Plaths zelfverkozen dood niet als het onontkoombare lot waar zij haar hele leven op af gestevend heeft maar als een noodlottige samenkomst van omstandigheden – onmogelijk koud weer, eenzaamheid, de afmattende zorg voor twee kleine kinderen, teleurstelling over het geringe succes van haar roman en haar nieuwste gedichten, woede en verdriet om de breuk met Hughes, depressie, een rampzalige combinatie van medicijnen die haar meer in plaats van minder depressief maakte, slechte psychische zorg, de ziekmakende angst voor weer een behandeling met elektroshocks. Zo overtuigend is Clark in haar beschrijving van Plaths zelfmoord als iets dat voorkomen had kunnen worden, zo goed slaagt ze erin Plath neer te zetten als een levenslustige jonge vrouw die wanhopig op zoek is naar hulp in plaats van als priesteres van de dood, dat ik mezelf erop betrapte tegen beter weten in te hopen dat het Plath nu wel zou lukken om haar tegenslagen te overkomen, haar leven een nieuwe wending te geven, de gasoven te vermijden.

 

Schitterend in zwart

Op vrijdag 10 februari 1960 trekt Plath een mooi zwart wollen positiepakje aan (ze is hoogzwanger) en een kasjmieren jas, neemt ze haar nieuwe Parijse handschoenen en haar Italiaanse kalfslederen tas en tijgt ze naar de beroemde York Minster pub in Soho. Ze zag er ‘schitterend’ uit, schreef ze aan haar moeder. In de pub had ze afgesproken met een redacteur van het prestigieuze Heinemann, volgens Hughes ‘een van de machtigste uitgevers van Engeland’ die ook het werk van de door Plath bewonderde D.H. Lawrence uitbracht. Daar kreeg ze het contract voor haar eerste poëziebundel, The Colossus and Other Poems (1960). ‘Ze tekende het op de bar die vol glazen stond,’ schreef Ted aan zijn zuster. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe euforisch ze was.’ Aan een vriendin schreef Plath ooit dat ze een ‘driedubbel bedreigende vrouw’ wilde worden – dichter, echtgenote en moeder – en op deze dag is haar dat gelukt.

Met Rode komeet nodigt Clark de lezer uit om zich deze februaridag te herinneren in plaats van de februaridag drie jaar later, waarop Plath zelfmoord pleegde. Om ons Sylvia Plath zo te herinneren: euforisch, schitterend in zwart.

 

Recensie: Rode komeet van Heather Clark door Maria Kager

De Arbeiderspers, 2021
Vertaald door: Bart Gravendaal, Aad Janssen, Marianne Palm, Nicole Seegers, Astrid Staartjes

Geplaatst op 02/08/2021

Tags: 'Poëzie', 2050

Categorie: Biografie, Recensies

Reacties

  1. Marianne van Hoeve

    Prachtige recensie door Maria Kager!

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.