Proza, Recensies

De bevrijding van een bonsaiboompje

Hoog en laag springen: Faxen aan Ger 4

Nicolien Mizee

In het voorjaar van 2016 verschijnt een opiniestuk in de NRC van schrijver Anne Eekhout, waarin zij een pleidooi houdt voor ‘pure fictie.’ Schrijvers van pure fictie, zoals Eekhout zelf, ‘roeren niet armoedig in hun eigen autobiografica om een boek te schrijven,’ nee, zij scheppen verhalen ‘met niets dan [hun] verbeelding.’ Dit, vindt Eekhout, ‘maakt ons betere schrijvers.’

Ik moest weer aan het stuk van Eekhout denken toen ik Hoog en laag springen (2021) las, het vierde deel van Nicolien Mizees serie Faxen aan Ger. Hier lopen feit en fictie op zo’n ingenieuze, en tegelijkertijd haast terloopse manier door elkaar dat het boek bijna leest als een parodie op Eekhouts theorie. Aan Hoog en laag springen is niks ‘puur’. Het boek is een mengeling van overpeinzingen, observaties, familieverhalen, korte schetsen en persoonlijke anekdotes, die het idee van een scheiding tussen fictie en non-fictie volslagen irrelevant maakt – volslagen belachelijk misschien wel.

 

Een genre op zich

In de faxen schrijft Mizee over haar dagelijkse wederwaardigheden aan Ger Beukenkamp, haar voormalige docent scenarioschrijven. Ger schrijft nooit terug. ‘Literair eenrichtingsverkeer,’ noemt een recensent het. ‘Als iemand jou schrijft,’ zegt Beukenkamp daarover in een interview, ‘verplicht dat nog niet tot terugschrijven.’ (‘“Misschien moet je een andere vriend nemen,”’ suggereert iemand in Hoog en laag springen, ‘“die wel terugschrijft. Dat heet een pen-pal. Vroeger, toen er nog geen telefoon was, toen schreven mensen vaak brieven.” Ja,’ mijmert Mizee, ‘Wat moet je dáár nou op zeggen.’)

Omdat de schrijver nooit in hoeft te gaan op het antwoord van haar zwijgzame penvriend lezen de faxen eerder als een dagboek dan als een brievenreeks, ze vormen een ononderbroken relaas. Toch is Ger ook weer geen ‘Lieve Kitty.’ Hij bestaat, je kan een borrel met hem drinken, je kan met hem uit eten gaan (mits hij niet op het allerlaatste moment afzegt), je kan hem verwijten maken – zo bijvoorbeeld: ‘Lieve Ger, zou je het voor elkaar kunnen krijgen om een doodenkele keer eens iets terug te faxen?’ Of zo: ‘Zeg, hoor ik nog eens wat, ja of nee?’ (Nee, is het antwoord op die vraag.) Waar je in een dagboek vrij ins blaue hinein associeert, hebben de faxen een duidelijk punt waarop ze zich oriënteren: Ger, en daarmee een duidelijk doel: zijn aandacht vasthouden.

Mizees faxen zijn, kortom, een genre op zich.

 

A large, loose, baggy monster

De vier delen van de faxen die tot nu toe verschenen zijn prima los van elkaar te lezen, ze hebben ieder hun eigen spanningsboog. In deel een, De kennismaking (2017), is dat Mizees geworstel met het scenarioschrijven en haar strijd met de sociale dienst. In De porseleinkast (2018), deel twee, staat het conflict met haar manipulerende, licht psychopathische moeder centraal, wat bij de schrijver tot een verlammende depressie lijdt. In Allesverpletterende (2019) hangt Mizee het scenarioschrijven aan de wilgen en begint zich als prozaschrijver te ontwikkelen. In Hoog en laag springen maakt ze haar eerste roman af, vindt ze een uitgever, en piekert ze over de praktische aangelegenheden die bij het publiceren van een debuut komen kijken.

Maar interessanter is het om de boeken te zien als verschillende hoofdstukken in één lange, meanderende roman – wat de Amerikaanse auteur Henry James een ‘large, loose, baggy monster’ noemde – los met elkaar verknoopt door de vele rode draadjes die telkens terugkomen. Zoals het eindeloze gestuntel met de faxmachine: ‘De fax is nog altijd kapot’, opent Allesverpletterende. ‘Na de reparatie van de Primafoonwinkel deden de 5 en de 6 het niet meer.’ Of hier, in Hoog en laag springen: ‘een nieuwe fax met telefoon en antwoordapparaat kostte maar vierhonderdtachtig gulden. Dat vond ik niet duur. Mijn oude apparaat had wel twaalfhonderd gulden gekocht [sic]. Ja mevrouw, dat was vroeger.’ Andere thema’s zijn het naakt poseren voor amateurschilders en het lesbisch stijldansen, beiden goed voor veel droogkomisch beschreven perikelen. Mizees moeizame verhouding met haar ‘trouwe bonenstaak’ Louise, die in deel vier resoluut aan de kant gezet wordt. De talrijke familieruzies, doorgaans veroorzaakt door de onmogelijke mater familias, die Joyce Roodnat in een interview met Mizee mooi typeerde als ‘vampiermoeder.’ (Dit stelde de vampiermoeder niet op prijs. Ze spande een procedure aan tegen de NRC, die ze verloor.)

In Moord op de Moestuin, de succesvolle detective die Mizee in 2019 publiceerde – enthousiast heen en weer gewapperd door Matthijs van Nieuwkerk op DWDD – leren we van Judith, Mizees alter ego en net als haar schepper schrijfdocent, dat ieder literair personage een ‘Grote Angst’ en een ‘Grote Wil’ heeft. Dit is een ander verbindend element in de vier boeken: De Grote Wil van het personage Mizee is gezien en gehoord te worden door haar ‘Allesverpletterende’ Ger; haar Grote Angst is dat hij op een dag genoeg van haar heeft. De lezersvraag, de onderliggende reden die maakt dat je eindeloos blijft doorlezen (inmiddels al ruim vijftienhonderd pagina’s lang) is: ‘Zal Ger ooit terugschrijven?’

Maar net zoals je nooit verwacht dat Godot zijn opwachting zal maken, zo zou ook alles verpest zijn als Ger op een dag echt aan Mizees smeekbede zou voldoen en haar een van zijn ‘heerlijke, lange faxen’ zou sturen (‘Maar sloof je niet te veel uit hoor, ik heb de vorige nog niet eens uit!’). Het houdt de boeken bij elkaar, de boven het toneel zwevende, onbereikbare figuur van Ger Beukenkamp, hij is de reden dat we over de eeuwig vermakelijke, ontroerende, soms frustrerende beslommeringen van Mizee kunnen lezen; verder hebben we hem niet nodig. ‘Ik had ook altijd de indruk dat het niet om mij ging,’ zegt Beukenkamp daarover, ‘dat ze net zo goed aan iemand anders had kunnen schrijven.’ En al weet Mizee zelf zeker dat ze zonder Ger – ze noemt hem ‘bijna volmaakt’, haar ‘kers op ’s levens grauwe pudding’ – nooit aan het schrijven was geraakt, toch lijkt ze bijna te schrikken de zeldzame keren dat ze hem ‘in het echt’ ziet: ‘Het kost me meestal een dag om te bekomen van een ontmoeting met jou, en je weer te transponeren van levend (al te levend) wezen naar de wat abstracte persoon tot wie ik mijn gedachten richt.’ Alsof ze, al schrijvend, vergeet dat hij echt bestaat.

 

Biechten aan Ger

In zijn hoedanigheid als onbereikbaar, verafgood aanspreekpunt doet Ger denken aan Jezus – als die van zijn kruis stapt om je een jonge klare aan te bieden, je schrikt je een ongeluk; de faxen houden het midden tussen een gebed en een belijdenis. Alles wil Mizee opbiechten aan Ger, haar diepste twijfels, haar meest persoonlijke zielenroerselen, haar lelijkste eigenschappen. ‘Ik wilde dat je me zag zoals ik was. Heel mijn leven had ik geweten dat ik het één keer allemaal zou moeten vertellen, alles één keer volmaakt zou moeten uitleggen,’ schrijft ze hem in De porseleinkast. Áls Ger haar accepteert moet hij vaar volledig accepteren. Dat maakt het naakt poseren een passende metafoor voor het project van deze uitgesponnen biecht. Niet voor niks bestaan de omslagen van de faxen uit schetsen die schilder Paul Jorritsma van Mizee maakte tijdens het modelzitten.

In de faxen zijn we getuige van wat je bijna literair exhibitionisme zou noemen, de meest intieme dingen komen voorbij: het uitknijpen van mee-eters, een kapotte vibrator die ze daarna gelukkig toch weer aan de praat krijgt (‘O! Hij doet het! De aansluitpunten zaten andersom!’), problemen met vaginale schimmels, avonturen rondom haar stoelgang, het al dan niet scheren van oksels en, een hele mooie, het ontharen van benen in de tuin van een vakantiehuisje: ‘toen de eigenaar gisteren langskwam, zat ik net geheel naakt, een borrel binnen handbereik, neuriënd mijn benen te epileren. Het zonderlinge van de situatie trof me pas toen Victor onthutst vroeg: “Stoor ik?” “In het geheel niet,” zei ik waardig, want mijn ervaring is dat als je doet of er niets aan de hand is, de mensen dat klakkeloos overnemen.’

De compromisloze, radicale eerlijkheid van Mizee doet denken aan de meedogenloze ontboezemingen van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård, die in zijn zesdelige, autobiografische romancyclus Mijn strijd (2009-2011) met een vergelijkbare openheid zijn dagelijks bestaan ontleedt, met het verschil dat Mizee geestiger is, met meer zelfspot en ironie schrijft dan Knausgård. (Waarom wordt een schrijver als Knausgård eigenlijk in het Engels vertaald en Mizee niet? Het excuus dat Nederlands een ‘kleine taal’ is gaat hier niet op; het Noors heeft slechts viereneenhalf miljoen sprekers. Is het Nederlandse onzekerheid dat niemand zich kan voorstellen dat de faxen op eenzelfde soort enthousiasme kunnen rekenen als Knausgårds troebelen? Is het seksisme? Dat zou ik nou wel eens willen weten.)

Schrijven als verlossing

Hoewel Hoog en laag springen doorgaat waar Allesverpletterende stopte (letterlijk: de laatste fax van deel drie schreef Mizee op 31 mei 1999; de eerste van deel vier op 1 juni van hetzelfde jaar) onderscheidt het nieuwe boek zich op een aantal belangrijke aspecten van zijn voorgangers.

In dit deel zijn we getuige van Mizees verlossing. Dat is een ontwikkeling die in de eerdere boeken al in gang werd gezet maar nu pas goed zichtbaar wordt. Dankzij het bijna dagelijks faxen aan Ger, inmiddels al vijf jaar lang, schrijft ze zichzelf als het ware los. ‘Niemand zal ooit zichzelf kunnen zien’, peinst Mizee en toch is dit precies wat ze in Hoog en laag springen bereikt. ‘Jij bent het scherm waarop ik me projecteer’, verklaart ze aan Ger; dankzij deze projectie kan ze zichzelf met distantie beschouwen, beter zien wat haar problemen zijn en waar ze vandaan komen en, bijgevolg, steeds meer haar eigen ‘innerlijke stem’ gaan volgen. De toon van de brieven is daardoor zelfverzekerder in dit boek, minder eerbiedig jegens Ger. Hun vriendschap wordt gelijkwaardiger – al schrijft hij nog altijd niet terug. Mizee lijdt minder aan zelftwijfel, ze kan meer om zichzelf lachen, durft beter voor zichzelf op te komen.

Met dezelfde kritische afstand waarmee ze naar zichzelf leert kijken kan ze nu ook haar ouders bezien en zo lukt het haar gaandeweg steeds beter zich van haar opvoeding te distantiëren, vooral van de lessen van haar moeder. Die vat ze zo samen: ‘Wij waren er niet alleen om mensen (mannen) seksueel te behagen, wij waren er vooral om die ander te verzorgen en gelukkig te maken.’ Of, zoals ze het elders in Hoog en laag springen verwoordt:

Je bent eigenlijk een soort bonsaiboompje. Je wordt van jongs af aan verminkt en kleingehouden en tegen de tijd dat je verlost bent van je ouders, is de misvorming zo groot dat je je maar klein houdt en nog hoogstens op een rare, onevenwichtige manier uitgroeit.

Ik heb dan ook een hekel aan bonsaiboompjes.

 

Eert uw vader en uw moeder

Dit inzicht maakt ook dat ze anders gaat kijken naar het naakt poseren. Wanneer haar jongere zus Lot, die ook poseert, vertelt over een fotograaf (‘de Ontbroerder’) die zijn handjes niet thuis kan houden maar bij wie ze toch blijft opdraven, vraagt Mizee zich vertwijfeld af: ‘Waarom deden wij zulke dingen?’ Omdat, realiseert ze zich nu, het moest van moeder:

En dus staat Lot daar en bedenkt in stilte hoe ze zich de Ontbroerder van het lijf kan houden als hij haar bespringt. En ze zegt toe de volgende keer een doorkijkbloes mee te nemen. En ze laat zich nog liever betasten dan aan mijn moeder – of alleen maar aan zichzelf – toe te geven dat moeder dat dus wílde. Dat dat nu juist moeders bedoeling was.

Dit besef duidt in grote mate de onaangepastheid van Mizee, haar onvermogen mee te doen aan de maatschappij: als je eigen moeder niet te vertrouwen is, niet voor jou opkomt – zich eerder als pooier gedraagt ten opzichte van haar dochters dan als moeder – hoe kun je je dan overgeven aan de regels van andere instanties – bazen op het werk, docenten op school – die beweren het beste met je voor te hebben? Ze kunnen wel meer beweren.

Dat de moeder als kind misbruikt is, met medeweten van háár moeder, verklaart het een en ander, begrijpt Mizee:

Mama werd betast door dat rare oompje dat op zolder woonde en oma greep niet in. Wat doet een kind? Die gaat het goed maken. Bijvoorbeeld: dit is niet erg want oompje is zielig. […] En dan gaan je dochters zich ook weer door oude mannetjes laten bepotelen omdat ze denken dat je oude oompjes altijd hun zin moet geven. Omdat ze zielig zijn.

Zo blijven dit soort trauma’s generaties lang doorwerken, ziet Mizee: ‘Wij moeten de cyclus verbreken, anders geven wij het ook weer door.’ Namelijk zo: ‘“Eert uw vader en uw moeder.” En dood ze vervolgens, uit zelfbehoud.’

Die Entstehung

Mizee heeft haar ouders niet naar de andere wereld geholpen, maar ook legt ze zich niet zomaar neer bij haar lot als geknot bonsaiboompje: ze stopt met modellenwerk en, belangrijker: ze gaat het schrijven steeds serieuzer nemen. Aangespoord door Ger rondt ze in Hoog en laag springen haar eerste roman af, Voor God en de Sociale Dienst, en het is de uitgebreide berichtgeving over het schrijfproces waarin dit deel zich het meest onderscheidt van de vorige drie faxenboeken.

In deze faxen zien we Mizee aan het werk – er is bijna geen brief die niet (ook) gaat over ‘het boek’. We zien haar ongemak bij het herlezen van de vroege faxen aan Ger, die haar nu met schaamte vervullen. We zien haar sorteren, structuur aanbrengen, dingen ordenen in schema’s, het tijdsverloop van het verhaal stroomlijnen: ‘Nu heb ik maar een soort cv van mijn hoofdpersoon gemaakt, een besluit genomen omtrent het jaargetijde, en ga ik de komende dagen het hele boek nog eens door om alles te controleren.’ Wat niet altijd genoeg is: ‘Ik (of beter: Louise) heb een afschuwelijke fout ontdekt in de chronologie van mijn boek. Het verhaal speelt zich binnen tien dagen af en nu blijkt er iets niet te kloppen qua poseren.’

We lezen haar eigen analyses van het werk, bijvoorbeeld: ‘Mijn boek heb ik geboetseerd naar de theorie dat je iets pas krijgt als je het verlangen ernaar hebt opgegeven’, of: ‘Het boek is nog wel vanuit een soort woede geschreven, maar dit is een stijlkeuze, geen permanente staat van zijn. Men is bij het schrijven nu eenmaal genoodzaakt de zaak zo afstandelijk te bekijken dat uiteindelijk elke emotie verdwijnt.’ We lezen over de gesprekken die ze voert met de uitgever, ‘Vic van de R.’ van Nijgh & Van Ditmar, die aanvankelijk vindt dat het boek nog wat kabbelt, ‘te veel aan de oppervlakte’ blijft, met vrienden die het boek geweldig vinden, of juist niet.

Het maakt dat Hoog en laag springen leest als de ontstaansgeschiedenis van een boek, en in die hoedanigheid heeft het in de verte iets van Thomas Manns Die Entstehung des Doktor Faustus (1949), zijn ‘roman over een roman’, waarin hij aan de hand van dagboeknotities beschrijft hoe zijn Doktor Faustus (1947) tot stand kwam. We zien onder onze ogen Mizees debuut vorm krijgen en dit tilt Hoog en laag springen naar een heerlijk metaniveau. In deze faxen aan Ger, die zich voordoen als een egodocument maar lezen als een roman, kijken we toe hoe Mizee eerdere faxen aan Ger omwerkt tot een roman, een roman die toen hij verscheen nog fictie leek maar nu eerder autobiografische non-fictie blijkt te zijn.

Net zoals Manns Entstehung later vol fictieve elementen bleek te zitten, en in die zin inderdaad een roman was in plaats van een waarheidsgetrouwe weergave, zo vraag je je bij de faxen ook regelmatig af in hoeverre ze bewerkt zijn. In een interview zegt Mizee: ‘Ik heb niets veranderd aan de tekst zoals hij daar stond, dat was ook de afspraak met de uitgever, maar een enkele keer heb ik iets geschrapt.’ Dit geeft de indruk van een feitelijk autobiografisch relaas waar weinig opsmuk aan te pas is gekomen. Maar dat is schijn. De faxen, legt Mizee uit in hetzelfde interview, zijn ‘geschreven om iemands aandacht vast te houden en te veroveren.’ Ze zijn uiterst nauwkeurig gestileerd, geformuleerd en geherformuleerd, er wordt ordening in aangebracht die de werkelijkheid niet heeft (heeft de werkelijkheid ooit ordening?), de verhalen over vrienden en familieleden worden verteld met een geweldig gevoel voor timing, voor climax. ‘Je moet voortdurend veinzen dat je het achteloos opschrijft,’ doceert ze Ger en dit veinzen is veel werk.

 

Pure fictie

Mizee speelt heel bewust met de manier waarop fictie en werkelijkheid hier door elkaar heen lopen. Als ze, in Allesverpletterende, aan haar debuutroman begonnen is, schrijft ze: ‘Ik begin ernstig op mijn romanpersonage te lijken dat eveneens midden in de nacht aan jou zit te schrijven’. Ze is haar romanpersonage, zowel in het debuut als in de faxen. Zoals de voorzieningenrechter oordeelde in het kort geding dat Mizees moeder aanspande naar aanleiding van De porseleinkast, dat ze ‘nodeloos grievend’ vond: ‘Gezien het literaire karakter van het boek en gezien de schrijfstijl van de auteur zal de gemiddelde hedendaagse lezer begrijpen dat niet ieder in het boek gepresenteerd feit ook daadwerkelijk zo hoeft te zijn gebeurd.’ Het boek bevat ‘de persoonlijke beleving en herinnering van de schrijfster, die zij soms heeft overdreven of aangedikt en dier zij op een literaire wijze heeft ingekleurd met haar verbeelding en haar emoties.’

En dat is fictie: aandikken, overdrijven, inkleuren, weglaten, uitvergroten, stileren. Mizees faxen laten zien dat het simplistische onderscheid tussen ‘pure fictie’ en autobiografie dat Anne Eekhout maakt in haar opiniestuk niet houdbaar is. De term fictie komt van het Latijnse ‘fingere,’ wat niet alleen ‘verzinnen’ maar ook ‘vormen’ betekent en dit is de crux van literair schrijven. Literatuur is een onlosmakelijk samenspel van inhoud en vorm. Of de inhoud meer of minder autobiografisch is doet er weinig toe. Proust voelde feilloos aan dat een madeleine beter was dan de geroosterde boterham met honing die, zo tonen zijn notitieboeken, aanvankelijk de zintuiglijke aanleiding was voor Marcels jeugdherinnering aan zijn tante Léonie, of het biscuitje uit een latere versie. De esthetische intuïtie, het gevoel voor vorm van Marcel de schrijver dicteerde wat Marcel de hoofdpersoon in zijn thee zou dopen en de rest is literaire geschiedenis. Of Proust ooit echt een boterham met honing, dan wel een madeleine, in een kopje lindebloesemthee sopte is volslagen irrelevant. In dit opzicht zijn de faxenboeken juist ‘pure fictie’.

‘Kind, wat kan jij vertellen’, zegt een kennis tegen Mizee in Allesverpletterende, nadat ze een avond lang sappige anekdotes heeft verteld aan een kring vrouwen, ergens in een Frans vakantieoord. En zo is het: Mizee is een meesterverteller. ‘Books are well written or badly written. That is all’, schreef Oscar Wilde in het voorwoord van The picture of Dorian Gray (1890). Hoog en laag springen behoort met stip tot de eerste categorie.

Van Oorschot, 2021

Geplaatst op 15/06/2022

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.