Poëzie, Recensies

Een mythopoëzie rond drijfveren

Wachtend op eerste instructies

Willem Thies

De lezer van mythes begrijpt soms plots hoe een magische interpretatie van de alledaagse wereld een verrassend coherente verklaring voor de werking van die wereld biedt. Weinig werken die een persoonlijke of hedendaagse mythologie scheppen, slagen er zo goed in om die vervreemdende coherentie van organisch ontstane mythologieën te weerspiegelen als de bundel Wachtend op eerste instructies van Willem Thies. Zonder complexiteit te schuwen creëert de dichter namelijk een vrij samenhangend mythologisch universum, dat vaste ideeën over de functies van collectieve fantasieën illustreert.

De bundel levert qua motieven hermetische maar qua gevoel kristalheldere mythopoëtische gedichten. Hoewel de mythologische beelden ongetwijfeld de opvallendste kenmerken van het werk vormen, is de stilistische vaardigheid waarmee Thies een mysterieuze en emotioneel complexe toon weet op te roepen evenzeer het vermelden waard. Ik denk aan eenvoudige maar rakende passages als

Ik ken

een vrouw die elke week

doodgaat. Wij verzamelen ons rond haar

bed

en als zij weer opstaat

is de lelijkheid uit onze gezichten weggetrokken

uit het gedicht ‘Ontsnappen aan de slaap’, maar ook aan licht expressionistischere momenten waarop de dichter beelden met contrasterende affectieve connotaties combineert om gelaagde en dynamische affectieve ervaringen op te roepen. Zo begint een titelloos gedicht als volgt:

Voer de vogels honingkleurig koren, zaad

zodat ze verder leven. Laat het lam melk

zuigen als een drenkeling lucht. Gewelddadig.

Bij het voeden van een dier kan men tegelijkertijd een pittoreske schoonheid én een ongemak beleven naar aanleiding van de agressieve, manifest lichamelijke drinkbewegingen. In het gedicht roepen de woorden ‘vogels’, ‘honingkleurig’, ‘lam’ en ‘melk’ een schilderachtig gebeuren voor de geest, waarna ‘zuigen’, ‘drenkeling’ en ‘gewelddadig’ het ongemakkelijke aspect van de ervaring evoceren. De efficiënte combinatie van twee verwante beelden kan de emotionele beleving op die wijze in al haar complexiteit en dynamisme oproepen.

Op het vlak van mythopoëzie gaat Thies aan de slag met talrijke mythische taferelen: (bescherm)engelen, rondwarende geesten en een priester die water bezweert, alsook thematieken waaronder rituele voorschriften, de betekenis van dromen en de menselijke aard. Die inhouden zijn niet cultuurspecifiek en het is voor de Nederlandstalige lezer verleidelijk om bijvoorbeeld het engelenmotief vanuit een westerse religieuze traditie te interpreteren.

In een interview in Meander verklaarde de dichter echter dat hij vrijwel geen inspiratie putte uit westerse tradities, maar wel uit ‘precolumbiaanse ‘Amerikaanse’ inheemse culturen en bepaalde heel oude Afrikaanse inheemse culturen, én ‘ontstaansmythen’ en vertellingen uit de Koran’. Het is bijgevolg moeilijk om te achterhalen op welke mythologische tradities de auteur specifieke passages uit de gedichten baseerde. Die informatie lijkt me ook niet nodig om Thies’ mythopoëtische denkwerk te kunnen waarderen.

De mythische mens

Ten eerste is zulke informatie niet nodig omdat de bundel minder op het cultuureigen karakter en meer op de nagenoeg universele dimensies van mythes focust. In het eerdergenoemde interview geeft de dichter aan dat hij zich onder meer door het boek The Hero with a Thousand Faces (1949) van de Amerikaanse letterkundige, mytholoog en religiewetenschapper Joseph Campbell liet inspireren. Dat werk stelt dat veel mythes en verhalen van over de ganse wereld een dieptestructuur delen die kan worden samengevat als de avontuurlijke reis van een archetypische held, bestaande uit bepaalde fases. Er wordt Campbell tegenwoordig vaak verweten dat hij het duidelijk gegenderde en individualistische idee van een grote man die het onbekende overwint en zodoende de held van zijn volk wordt in verhalen uit velerlei culturen terugvindt en vervolgens niet zijn eigen perspectiviteit in vraag stelt, maar suggereert dat het om een universeel ideaal moet gaan.

Thies’ werk getuigt van een groter ideologiekritisch vermogen dan dat van Campbell. Het gedicht ‘De hitte, de mythe’ stelt bijvoorbeeld dat je het de mythe niet kan verwijten te liegen. De lezer kan zich afvragen waarom mythen al dan niet zouden bedriegen en of ze ons ook iets over de negatieve kanten van het mensdom kunnen vertellen. Verder deconstrueren verschillende gedichten zoals ‘Gift’ en ‘Conquistador’ het idee dat categorieën zoals roofdieren en prooien of uitverkoren veroveraars en potentieel veroverden met natuurlijke en dus onbetwistbare aarden zouden overeenkomen.

De tweede reden waarom de mythische elementen in Wachtend op eerste instructies werken zonder dat lezers ze daartoe aan bestaande mythes hoeven te koppelen, luidt dat de opbouw van de bundel de lezer toelaat hun symbolische betekenissen binnen Thies’ mythologie gaandeweg te ontcijferen. Latere gedichten verduidelijken en bouwen voort op beelden uit eerdere gedichten zodat de lezer geleidelijk – en dat kan over verschillende lezingen heen gebeuren – een samenhangende symbolische benadering van de menselijke conditie gewaarwordt.

Mensen worden bijvoorbeeld consistent voorgesteld als eenvoudige, fundamenteel dierlijke wezens. Ze worden van nature gemotiveerd door het verlangen mooie alledaagse momenten te beleven, maar ze moeten eveneens rekening houden met de schijnbaar goddelijke krachten achter verschijnselen die ze niet begrijpen, zoals geesten, weersverschijnselen, landbouwplagen, slaap, geboortes en sterfte. Ze proberen met die krachten om te gaan door rituele voorschriften te volgen, maar de ordelijke levenswijze die daaruit voortvloeit, kan wreedheden zoals oorlogsgeweld en de slachting van andere dieren maskeren of zelfs rechtvaardigen.

De potentiële wreedheid van de ritualistische handelwijze wordt stapsgewijs onthuld. Eerst lijkt een jager in ‘Gift’ te geloven dat een hert ermee instemt gedood te worden, daarna worden, respectievelijk in ‘Hond’ en ‘Bij de dood van’, een hond en een kind om het leven gebracht om overledenen te vergezellen. Verder in de bundel treffen we grootschaligere vormen van ritualistisch gerechtvaardigd geweld aan. In ‘Oogst’ vragen eilandbewoners goden om een oorlog en het menselijke lichaam wordt ‘een machine’ die marcheert en mogelijk een ‘[p]rogram // voor het volk’ volgt. In ‘Priester’ beschrijft het lyrische ik, ‘de laagste priester in dienst van de Partij’, ten slotte ‘[h]et abattoir en het altaar’ als ‘verschijningsvormen / van een wereld waarin alles gerangschikt is’. Slachtingen lijken nu evenzeer een essentieel product van het formele denken als de rituele omgang met hogere machten. Mensen die de goden gunstig willen stellen – en vooral zij die de gunst hard nodig hebben, namelijk mensen bezorgd om hun oogst en de onderklasse – lijken hun onschuldige verlangens kortom voor een dorst naar geweld te verruilen.

Het idee van machinale handelswijzen als de rituelen van ons tijdperk en dat van een verband tussen massageweld en offerrites doen denken aan het essay Het onbenoembare heden (2019, oorspronkelijk 2017) van Roberto Calasso. In tegenstelling tot Calasso lijkt Thies echter geen spanning tussen het ritualistische denken en een secularisme te beschrijven.

Machinale geesten

Naast mensen, andere dieren en engelen duiken ook doden en geesten frequent op in het mythologische universum van Wachtend op eerste instructies. Ze blijven vrij enigmatisch. Ik waag mij aan een voorzichtige interpretatie en demonstreer zo ook hoezeer de bundel lezers ertoe uitdaagt naar patronen te speuren.

In het titelloze gedicht dat begint met ‘Tussen poreuze woontorens beweegt zich een geest’  wordt een geest ‘doorreden’ door auto’s, maar de dood krijgt geen grip op haar, vermoedelijk doordat iemand – waarschijnlijk de verschijning zelf – obsessief schoonmaakt ‘om de dood geen voorwendselen te geven’ en doordat haar gezicht en zelfbeeld beide ‘schoon en leeg’ zijn. Het verband tussen de dood en verwijderbare gezichten keert terug in latere gedichten, waar het bovendien meermaals aan donkere, spiegelende wateroppervlakken wordt gekoppeld.

Een ander terugkerend verband dat het eerste geestengedicht introduceert, is dat tussen doden en de slaap: de bestuurder van elke wagen die de geest ‘doorrijdt’, ‘spert kortstondig zijn oog, alsof hij wakker schrikt / in een plots / koud bed.’ Het gedicht ‘Reservoir’ associeert doden met de droom, maar impliceert dat dromen, of tenminste dromen over doden, ‘stroom’ vereisen.  De evidente betekenis van ‘stroom’ is hier die van ‘elektriciteit’, maar het watermotief in de rest van het gedicht laat evenwel toe om aan een waterstroom te denken. Water symboliseert, bijvoorbeeld in ‘Hond’, de overgang naar de wereld van de doden. Elektrische stroom zou aansluiten bij het motief van het machinale denken. Tenslotte vereisen dromen, zo suggereert het gedicht ‘Gesprek met de ander’, een geformaliseerde denkwijze: ‘Hoe droom je? / […] / Wat is je kompas? De draad die je afwikkelt?’

Het gedicht ‘Ontsnappen aan de slaap’ verbindt slapen dan weer met een stroom van informatie. Het stelt de vraag of sterven op een soortgelijke wijze begint als het ‘in slaap vallen’ van een beklemd lichaamsdeel door paresthesie. De onderbroken bloedstroom en/of neurale signaaloverdracht (via elektrische impulsen) beschrijft de tekst als een ‘informatiestroom’. De drie vormen van een ‘stroom’ (elektriciteit, water en informatie) lijken me finaal relevant voor een interpretatie van het verband tussen geesten en dromen.

Wat we als onze ‘psyche’ ervaren, is uiteindelijk een informatiestroom, belichaamd als zenuwsignalen. Wanneer een lichaamsdeel ‘slaapt’, wordt die plaatselijk onderbroken, maar dat betekent niet dat een deel van onszelf verloren gaat. Zolang de zenuwbanen blijven bestaan, kan hij zijn route hernemen. Het lichaamsdeel ontwaakt dan, zoals ‘Ontsnappen aan de slaap’ voorstelt. De essentie van onze psyche ligt dus eigenlijk in de paden van die informatiestroom, en de patronen welke die paden volgen, bestaan zelfs na de dood voort, al is dat dan als een abstracte structuur. Wanneer een levende droomt en de gedachtegang dus nog maar weinig op de concrete omgeving reageert maar voornamelijk abstracte leidraden volgt, kan die dan logischerwijs de bestaansmodus van dode psyches ervaren.

Vaste denkpatronen waarmee we onszelf of een ander identificeren – onze ‘identiteit’, gesymboliseerd door het gezicht – behoren tot de abstracte structuren waarin doden bewaard blijven. Een heldere verbinding (‘het helderste water’), waarbij de levende een dood ‘gezicht’ terugziet, vereist dan uiteraard dat er voor de dood van een duidelijke identiteit sprake was.  Indien iemand hun eigen identiteit voortdurend uitwiste of door een identiteitscrisis meerdere zelfbeelden bezat, kan de dood, of beter, de denkbare conceptualisatie van de dood, echter moeilijk grip op hen krijgen. De ondoorzichtige verbinding (‘mijn water is donker en ondoorgrondelijk’) onthult dan hoe vervreemdend abstract de gedecontextualiseerde gedachtewereld eigenlijk is. Geesten kunnen er gezichtloos rondwaren. Normaal, bijvoorbeeld in dromen, voelt hij juist vertrouwd aan. In dat opzicht is het logisch dat het contact met een gezichtloze geest iedere autobestuurder in het eerste geestengedicht beroert alsof die ‘wakker schrikt’.

De mythologie ontplooit zich

Het is fijn wanneer een dichtbundel iets interessants doet met zijn structuur. Bij Wachtend op eerste instructies brengt elk van de vijf afdelingen gedichten samen die een of meer typisch mythologische thema’s met elkaar delen. De gehele bundel bouwt aldus systematisch aan een interne mythologie met een eigen visie op enkele belangrijke thema’s waarover mythes volkeren typisch helpen na te denken: het bovennatuurlijke, de relatie mens-natuur, tradities, de oorlog, de dood en liefdesrelaties.

De eerste afdeling, ‘Tussen poreuze woontorens’, introduceert engelen en geesten en stelt dromen voor als een mysterieuze verandering van de omgeving. Ze thematiseert de aanwezigheid van bovennatuurlijke krachten in de menselijke ervaringswereld. De afdelingstitel verwijst naar een locatie in het titelloze gedicht dat geesten introduceert. Hij kan benadrukken dat de mythologische bespiegeling, waarbij mythische figuren en hogere machten worden opgevoerd, uiteindelijk van toepassing is op de menselijke conditie in de hedendaagse, verstedelijkte werkelijkheid.

In de tweede afdeling, ‘Een leger mieren rangschikt’, belichten verschillende gedichten de relatie van de mens met de natuur. Daarnaast vinden lezers er beschrijvingen van rituele of traditionele handelwijzen. Het eerste gedicht van de afdeling heet ‘Machine’ en bevat, na een strofe over een vader, de verzen ‘Op de vierde dag heeft het kind een stem. Het spreekt. / Het ziet de dingen afzonderlijk, / niet meer als een onafgebroken stroom.’  Enerzijds roepen die, in combinatie met de titel, de tegenstelling tussen mensen en engelen uit het openingsgedicht van de bundel, ‘Protocol’ op, waarbij de machinale engelen, in tegenstelling tot mensen, geen echte taal hebben en ‘via een communicatieprotocol’ spreken. Anderzijds doen ze denken aan het werk van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan.

Die poneerde, erg vereenvoudigd, dat een kind door de Vader in de wereld van onder meer orde en taal wordt binnengeleid eenmaal het zijn ervaring van eenheid met de Moeder verloren heeft en een onderscheid tussen de eigen identiteit en de Ander leerde maken. Die intertekst kan impliceren dat, hoewel een volledig machinaal-ritualistische denkmodus de engelen taalloos maakt, een zeker mate van formalisering en symbolisering juist aan de basis ligt van ons vermogen om te spreken en symbolisch te denken.

In het tweede deel van het gedicht, treft de lezer het leger mieren aan waaraan de afdelingstitel refereert. De insecten rangschikken zaadkorrels en voeren begrafenisrituelen uit. ‘Iemand’ tracht het werk in de war te sturen en strooit daarbij onder meer ‘klinkers en medeklinkers dooreen’, maar het rusteloze leger weet de orde te herstellen door als een ‘behulpzame machine’ te werken. De mieren zijn, zoals de mens, dierlijk, maar ze handelen collectief, ritualistisch en ten slotte machinaal. Mogelijk symboliseren ze de ordelijke zijde van het menselijke denken die, wanneer de orde onder druk komt te staan, in een mechanische, gedesindividualiseerde denkwijze kan veranderen.

In de derde afdeling, ‘Eerste instructies’, staat geweld centraal. Ze begint met het gedicht ‘Desem’, waarvan de eerste strofe de ontdekking van gerezen brood beschrijft en de tweede strofe over de opmars van machinale legers in de sneeuw gaat. Met de aanwezigheid van sneeuw lijkt het gedicht een vraag uit ‘De hitte, de mythe’, van de vorige afdeling, te beantwoorden: ‘Het graan vlamt, hoe kan ooit nog sneeuw vallen[?]’. ‘De hitte, de mythe’ presenteert verder het beeld van een vliegtuig waarin passagiers ‘het gewicht van tijdschriften/ inschatten, tot op de gram.’ Hun oog voor detail doet denken aan de mieren in ‘Protocol’. Net als die mieren reageren ze op een chaotische situatie in verband met graan. De ‘oeroud[e]’ sneeuw, die ‘dempt en stilt’, lijkt een gevolg van de meticuleuze systematisering waarmee men, volgens een ritualistische logica, de wanorde bezweert.

Een nog hogere mate van systematische natuurbezwering wordt mogelijk in ‘Desem’ wanneer de mens een natuurlijk proces leert te beheersen. Het blinde vertrouwen in de werking van een (nieuwe) traditionele handelwijze laat een volledige machinalisatie toe, die, zoals eerder besproken, tot oorlogsgeweld kan leiden, wat het verband sneeuw-oorlog verklaart. Het sneeuwmotief keert terug in ‘Censor’, waar de afdeling en de ganse bundel beide hun titels aan ontlenen. Dat gedicht eindigt met een ‘spookachtig gezicht’ dat in het duister verdwijnt en ‘op eerste instructies’ wacht. Pas ik mijn interpretatie van de geestensymboliek toe, dan herleidt de tot een oorlogsmachine gemaakte mens zich hier tot een volkomen abstracte identiteit. Wat dat betreft, is die reeds als een dode.

De dood is een centraal thema in de vierde afdeling, ‘Schoon’, en ook ouder-kindrelaties komen er vaak aan bod. Een titelloos gedicht dat met ‘Als opgroeiende jongen had ik een spreeuwenlichaam’ begint, brengt de twee thema’s samen: ‘De doden interfereerde nog niet met de levenden, / maar zij drukten een spoor / in de moeders, de vaders.’ Gaat het daar om een transgenerationeel trauma dat het dagelijkse leven op het desbetreffende moment nog niet verstoort?

Het eerste gedicht van de afdeling, dat evenmin een titel draagt, bevat de verzen die de afdelingstitel leveren: ‘en [ik] maakte schoon totdat ik anoniem en alleen / achterbleef.’  De zij-figuur in het gedicht spoelt haar gezicht weg en doet zo aan de verschijning uit het eerste geestengedicht denken. Die geest wast compulsief haar gezicht en zelfbeeld weg.

Ook in verschillende gedichten van ‘Schoon’ komen dwangmatigheden aan bod. Een gedicht waarvan de titel uit een paar open vierkante haakjes en een spatie bestaat (‘[ ]’), verklaart dat telkens herhaalde handelingen natuurlijk gedrag vervangen wanneer dat ‘door gevangenschap onmogelijk / is gemaakt’. Het vermeldt verder ‘verbeten regels, elkaar omstrengelende verstikkende / regels, die een doorgang proberen te wrikken in de celwand.’ Compulsies, zo lijkt de tekst te beweren, zijn pogingen om via gedachteloos machinaal gedrag aan machinale denkwijzen te ontsnappen. Die machinale denkwijzen kunnen van doden geërfde gedachtepatronen zijn, waarvan de levenden zich enkel kunnen bevrijden door het geheel aan gedachtepatronen waarmee ze zich identificeren (hun identiteit), via compulsief gedrag, weg te wassen.

De finale afdeling, ‘Ik wil haar twee gezichten’, is gewijd aan (romantische en familiale) liefde. De persoonlijke liefdeservaring die de gedichten er oproepen, voelt wellicht eerder aan als een typisch lyrisch dan als een typisch mythologisch onderwerp. Wel gebruikt de poëzie nog steeds procedés die we met mythes verbinden, zoals beschrijvingen van rituele handelingen, religieuze symboliek en natuursymbolen die, doordat de tekst ze zonder veel context introduceert, de verzwegen context van een ruimer cultureel of onbewust symbolenstelsel doen vermoeden.

Het symbolische denken dient er echter niet langer toe de anders te spontane, dierlijke mens te verzoenen met hogere krachten die een ordelijke, doelmatige handelwijze verlangen. De hogere orde als iets niet-dierlijks en extern aan de mens lijkt zelfs een illusie te zijn. Er bestaan louter driften, zoals de lust, die, zonder dat we het ons daar altijd bewust van zijn, onze gedachten en gedragingen meebepalen. Daardoor herkennen we patronen, oftewel kristallisaties, op het vlak van onze handelingen en denkwijzen die we niet aan ons bewuste, situatiegebonden verlangens kunnen toeschrijven.

Die patronen lijken dan te suggereren dat een externe orde ons een bovensituationele doelmatigheid schenkt, maar dat is slechts schijn (‘Het bestaan stelt weinig voor, de lucht / is helder als kristallen van de puurste lust. / Er is geen doel, alleen iets wat ons drijft.’) Wel kunnen we het illusoire beeld van een hogere werkelijkheid, waar we via het ritualistische denken mee in verband zouden staan (‘[e]en in scène gezet visioen’), gebruiken om onbewuste verlangens als bijkomende, bovensituationele drijfveren te conceptualiseren, zodat we er gemakkelijker rekening mee kunnen houden.

Bij intense liefdeservaringen die onze situationele wil in hevigheid overstijgen, is de ware, dierlijk sensuele (‘als de voortgebrachte dierenstemmen / van mijn geliefde, sneller, baldadiger dan ooit zij zelf reageren kon’) of diepmenselijke aard van die zogezegde hogere orde uiteraard overduidelijk. Daardoor kan men de motiverende kracht achter mythes, gedeelde droombeelden en rituelen benaderen zonder die fundamentele aspecten van het menselijke denken als vreemd aan de mens te ervaren. Geliefden vormen zo elkanders perfect heldere, vervreemdingloze verbinding met het bovensituationele mens-zijn (‘zij is volkomen doorlatend / een bodemloos bekken’) en de liefde destabiliseert de tegenstelling tussen de abstracte orde van de hogere krachten en de spontaneïteit van het dierlijke: ‘Bewogen zijn de doden en goden, verdoofd / de dieren en bomen’.

Hermetische engelen

Tot slot wil ik wijzen op een subtiel en mogelijk deels toevallig aspect van de bundel, dat mij niet te min onmiddellijk aansprak en Thies’ mythopoëzie tot een opmerkelijk overtuigende benaderingswijze voor de complexiteit van de hedendaagse conditie van de mens maakt. Wachtend op eerste instructies lijkt namelijk fantasieën uit en over de digitale wereld over gemedieerde interacties met vreemde entiteiten aan te boren. Allereerst roepen de beelden van mensen als machines en van geesten die zich ‘in buizen en draden’ voortplanten de posthumanistische gedachte op dat zich in een informatiemachine een nagenoeg menselijk bewustzijn kan manifesteren. Het beeld van donkere, glanzende oppervlakken doet verder denken aan het symbool van een zwarte spiegel. De associatie van dat voorwerp met de toegang tot diepere werkelijkheden in occulte tradities wordt, bijvoorbeeld in de titel van de Britse scifi-reeks Black Mirror, aan het scherm van monitoren gekoppeld. De onmenselijke satelliet-engelen roepen ten slotte de praktijk voor de geest waarbij internetgebruikers spelen met het idee dat de hemelse boodschappers volgens bepaalde Bijbelse beschrijvingen vreemder en angstaanjagender zijn dan de westerse kunst ze gewoonlijk voorstelt.

Met dit alles bedoel ik geenszins dat Wachtend op eerste instructies over de digitale wereld gaat. De bundel vermeldt zelfs opvallend weinig technologieën voor persoonlijk gebruik. Het lijkt me eerder het geval te zijn dat Thies angstigheden over het informatietijdperk exploreert die ook in de populaire mythologie van de cybercultuur weerspiegeld worden en daarbij, al dan niet bewust, met gedeelde fantasieën uit de digitale cultuur in dialoog treedt.

In ‘Techgnosis: Magic, Memory, and the Angels of Information’ (1994) stelt de Amerikaanse auteur en journalist Erik Davis dat we ons het domein van de gegevensverzameling en -verwerking door informatietechnologieën vaak verbeelden als een virtuele, oneindig complexe ruimte met haar eigen logica. Die collectieve fantasie vormt een vruchtbare grond voor een mythologievorming, waarbij wordt voortgebouwd op bestaande esoterische tradities. Zo oefenden hermetici technieken om een allegorische wereld te creëren die kon dienen als een virtueel geheugen voor de immense hoeveelheden informatie die ze tijdens openbaringen ontvingen. Die informatiewereld kende veelal een interne allegorische logica van causale en ruimtelijke verbanden tussen symbolische inhouden, welke Davis terugvindt in vroege computerinterfaces en de cyberruimtes van sciencefictionklassiekers.

De mensen in Wachtend op eerste instructies bestaan binnen een technologisch geavanceerde maatschappij met grootschalige infrastructuren waaronder satellieten, woontorens, waterreservoirs en verkeerstorens. Ze hanteren geen wetenschappelijk-rationele denkwijze om door hun complexe werkelijk te navigeren maar volgen ritualistische instructies. Die instructies worden cultureel bewaard in een mythologische wereld, die hun geest al dromend kan betreden, dankzij een gememoriseerde reeks ervaringen welke als een ‘kompas’ fungeert. De nood aan een kompas suggereert een ruimtelijke logica en een ruimheid, en het feit dat een kleine hoeveelheid informatie op een erg onmiddellijke wijze (‘als water in een glas / waaronder het kleed bliksemsnel is weggetrokken’) tot een gewaarwording van de immateriële werkelijkheid leidt, doet aan een hermetische openbaring denken.

Hermetische informatiewerelden werden soms bewoond door daemonen of engelen, die enerzijds voorbestemd waren om een code te volgen, waardoor de mens ze tot dienaren kon maken, maar die anderzijds krachtiger waren dan de mens, aangezien ze met grotere hoeveelheden complexe informatie konden omgaan. Davis vindt ze vergelijkbaar met ons beeld van primitieve artificiële intelligenties.

Ook de engelen van Thies lijken zowel potentieel machtig – dat suggereert het beeld van rond de wereld tollende satellieten – als arm aan keuzevrijheid en mogelijk machteloos in de praktijk. (‘Zou de uitademing van een engel mij haar / in beweging kunnen brengen? Zou zijn blazen verschil maken.’) Dat ze geen stem hebben en geen eigen wil of passie volgen, past eveneens opmerkelijk goed bij de eveneens stemloze engelen die Davis beschrijft.

De recente cybermythes die Wachtend op eerste instructies weerspiegelt, bouwen alle drie voort op de fantasie van een hermetische informatiewereld. Ze verkennen er onzekerheden mee rond de gedachte dat informatiesystemen hun complexe operaties achter vereenvoudigende interfaces verbergen en de mens zo een vals gevoel van controle en begrip bieden. Contact met engelen, schermen en chatbots lijken onschuldige verschijnselen, maar blijken de mens in aanraking te hebben gebracht met hun voor mensen onvatbare domeinen (het niet-materiële, de wereld achter de zwarte spiegel, het niveau waarop de psyche informatie is).

Die fantasieën zijn relevant voor Thies’ bredere mythologische bespiegeling omdat de bundel een gelijkaardige angstigheid, maar dan rond ritualistische denkwijzen uitdrukt. Net als digitale systemen in de werkelijkheid is het ritualistische in de gedichten een hulpmiddel dat mensen hun ingewikkelde bestaan in het informatietijdperk laat navigeren. Mensen kunnen de invloed van de voorschriften die ze volgen op de wereld ‘begrijpen’ als rituelen die op de magische handelingslogica van hogere krachten inspelen.

De gedichten benadrukken niettemin dat die krachten dan logischerwijs vreemde, onmenselijk denkende actoren moeten zijn, aangezien ze met immense hoeveelheden data en abstracte mechanismen kunnen omgaan. Het idee van hun tussenkomst lijkt geruststellend, aangezien ze willoos volgens een protocol handelen en de mens ze daardoor, in theorie, aan zijn wil kan onderwerpen. In de praktijk zou dat protocol echter wel eens zo complex en gedecontextualiseerd kunnen zijn dat de mens zelf als een machine moet leren denken om het te volgen. De machinale aard van de hogere krachten, zoals de dood of weersverschijnselen, binnen onze verbeelding krijgt zo iets dreigends. Hij kan de mens op den duur verplichten het dierlijk spontane in zichzelf uit te roeien en, zoals een dode, zonder concrete verlangens te bestaan. Dat verontrustende aspect van de gemechaniseerde bovenwereld wordt erg duidelijk in passages als ‘De laserstraal van de zon snijdt / precies een gat in de ondergrondse / slaapkist van ’t overwinterend dier.’

Men zou zich kunnen afvragen of de mythologische modus nog relevant is wanneer gedichten een wereld behandelen waarin we niet zozeer met onbegrepen verschijnselen maar juist met een enorme veelheid aan beschikbare kennis te kampen hebben. Thies toont meesterlijk aan van wel. Hij maakt voelbaar hoe ons vermogen om onze omgeving te systematiseren de wereld niet minder vreemd maakt, maar net een nieuwe vorm van vervreemding, nu ten opzichte van het machinale denken, introduceert.

De mythische beelden in Wachtend op eerste instructies roepen dat specifieke vervreemdingsgevoel treffend op en slagen er aldus in om, zonder de vage temporaliteit van de mythe daartoe op te offeren, een overtuigend actuele ervaring van het mens-zijn uit te drukken. Voor wie niet alleen de tijdloze schoonheid van mythische beelden waardeert maar ook geïntrigeerd is door de mogelijkheden die de modus als een denkvorm biedt, is de bundel een grote aanrader.

 

Een recensie door Anthony Manu over Wachtend op eerste instructies van Willem Thies.

Vleugels, Bleiswijk, 2024
ISBN 9789493350090
85p.

Geplaatst op 09/08/2026

Tags: Griekse mythologie, mythologie, mythopoëzie

Categorie: Poëzie, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.