cover big

Een buurmeisje van duizend jaar geleden

Erwin Jans

Over De bekeerlinge van Stefan Hertmans

De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen, 2016,
ISBN 9789023499626 / 318p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 06-12-2016

Bookmark and Share

Voor een goede relatie met het verleden geldt vaak hetzelfde als voor een goede relatie met de geliefde: wat uiteindelijk telt, is niet hoe dichtbij je kan komen, maar op welke afstand je moet blijven. Ook al gaat het afstand nemen in eerste instantie in tegen de richting van het verlangen zelf. Die dynamiek tussen verlangen naar nabijheid en distantie is bepalend voor de schriftuur van De bekeerlinge, de recentste roman van Stefan Hertmans (1951). Ook tijd laten is een vorm van zoeken naar de juiste afstand. Dit is een boek dat lang heeft liggen rijpen, net zoals dat het geval was met Oorlog en terpentijn (2013), Hertmans’ vorige roman.

‘Monieux, september 1994-juli 2016’, vermeldt de auteur aan het einde van De bekeerlinge. Monieux is een klein dorpje in de Franse Vaucluse waar Hertmans en zijn vrouw een tweede huis hebben. Het dorpje speelt een cruciale rol en niet alleen omdat de schrijver er naar eigen zeggen de gelukkigste jaren van zijn leven doorbrengt, doordrenkt met een gevoel van melancholie:

Binnenkort zal meer dan driekwart van de wereldbevolking in megasteden en conglomeraten bij elkaar leven. Deze oude, poëtische vorm van wonen zal stilaan verdwijnen. Misschien maken we het einde van een tijdperk mee. Het tijdperk van de dorpen dat begon in onheuglijke tijden en dat nu op zijn einde loopt.

Maar Monieux valt niet buiten de geschiedenis. Er wordt al eeuwenlang gesproken over een pogrom die daar tegen het einde van de elfde eeuw heeft plaatsgevonden en waarbij een groot deel van de joodse gemeenschap door de Kruisridders – meer precies: door de ongecontroleerde bendes die in hun zog mee trokken – op weg naar het Heilig Land werd uitgemoord. Hertmans heeft zich historisch grondig geïnformeerd over deze gebeurtenis en stuitte daarbij op sporen van het levensverhaal van een voorname christelijke jonkvrouw uit Rouen die zich uit liefde voor een jongeman tot het jodendom had bekeerd en een aantal jaren in Monieux woonde.

De dagboeken van de grootvader van de schrijver vormden het vertrekpunt van Oorlog en terpentijn. Bij De bekeerlinge is het een document over een buurvrouw van duizend jaar geleden. De persoonlijke betrokkenheid van de schrijver is in het laatste geval veel minder intiem, maar dat heeft niet geleid tot een minder intense vertelling, integendeel zelfs.

Hertmans is in de ban geraakt van deze jonge vrouw en maakte van haar het hoofdpersonage van zijn roman. Of misschien beter: hij maakte van zijn gepassioneerde zoektocht naar haar leven het onderwerp van zijn roman. Als schrijver blijft Hertmans nadrukkelijk aanwezig in zijn boek. In de openingszinnen van het eerste hoofdstuk ziet hij vanuit een raam in zijn huis zijn heldin met haar joodse man naar Monieux strompelen, uitgeput en op de vlucht voor de Normandische ridders die haar vader achter hen aan heeft gestuurd:

Ik weet wie ze zijn. Ik weet voor wie ze op de vlucht zijn. Ik zou hen beiden welkom willen heten, hen vergasten op iets hartverwarmends dat zij wellicht nog niet kennen, bijvoorbeeld een kopje koffie. Waar moeten ze wonen, nu hun huis al duizend jaar niet meer bestaat en het middeleeuwse deel van het dorp onder gras en heesters verdwenen is?

De vraag blijft onbeantwoord. Maar is de roman zelf niet het antwoord? Het boek ontvangt de twee vluchtelingen genereus en geeft hen een stem en een plek voor hun uitzonderlijke verhaal. En misschien is dit ontvangen van het vreemde, van wie of wat elders wordt buitengesloten, vergeten of weggejaagd, wel een van de grote opdrachten waar de literatuur (en de kunsten in het algemeen) zich voor geplaatst ziet, nu meer dan ooit? In het tweede hoofdstuk is het Joshua Obadiah, de rabbijn van Monieux, die het koppel ziet toekomen in de lente van het jaar 1091:

Hij is bezorgd om deze jonge mensen – niet alleen omdat ze bescherming nodig hebben vanwege hun gemengde huwelijk, maar ook omdat hij weet dat de vrouw in de eerste dagen zal moeten bevallen, terwijl het nog weken kan duren voor hij een woning op orde heeft voor hen.

Zo beweegt het boek zich voortdurend tussen het verslag van de schrijver van zijn eigen zoektocht naar de vrouw én de – op zoveel mogelijk historische bronnen gebaseerde – reconstructie van haar aangrijpende levensloop. Die wordt bepaald door de belangrijkste geopolitieke gebeurtenis van die tijd: de Kruistochten. In november 1095 riep Paus Urbanus II in Clermont op tot een heilige oorlog tegen de Saracenen die het Heilig Land bezetten. Volgens een aantal getuigen zou de Paus ook hebben gezegd dat er niet moest worden gewacht tot in Jeruzalem om de vijanden van Christus te verslaan, waarmee hij naar de joden verwees.

Hij zette daarmee gewild of ongewild de deur open voor een golf van gewelddadig antisemitisme in Europa. Ook in het dorpje Monieux ontstonden spanningen tussen christenen en joden:

Zo groeide er een onzichtbare scheidslijn in de kleine gemeenschap, die een afspiegeling vormde van wat elders in Europa aan het gebeuren was. Alles dreigde af te stevenen op een confrontatie die niemand leek te hebben gewild.

De verwijzing naar het begrip ‘heilige oorlog’ rukt de lezer onmiddellijk naar het heden en naar het islamitische begrip van de ‘jihad’. Hertmans schrijft:

Het zou nog een paar jaar duren voordat de moslims zelf, uit woede en verontwaardiging om de barbaarse aanvallen tegen het roemrijke Antiochië, een tegenhanger van deze uitdrukking begonnen te gebruiken: het woord jihad. Het betekent eigenlijk geloofsijver, toewijding, maar vanaf dan klonk er een echo in door van de woorden van Urbanus in Clermont.

Ter correctie dient hierbij te worden opgemerkt dat de interpretaties van het begrip ‘jihad’ – dat expliciet in de Koran wordt vermeld – diepgaand uitgewerkt werden in de juridische geschriften van de achtste en de negende eeuw, de periode van de islamitische expansie. Precies omdat de Profeet zelf en daarna zijn opvolgers in heel wat oorlogen betrokken waren, was het van het grootste belang een legale doctrine rond oorlog uit te werken. Die doctrine was dus uitgewerkt voor de confrontatie met het geweld van de Kruistochten.

De bekeerlinge is in de eerste plaats een roman over het verleden, maar geen enkele lezer kan de vele echo’s van het nu negeren: de globalisering, de geopolitiek, de multiculturele samenleving, de ellende van het bestaan als vluchteling, de militante rol van de religie, de dreiging van sektarisme en populisme, de impact van xenofobie en angst, the clash of civilisations en het niets ontziende geweld tegen onschuldige burgers, enzovoorts.

Met zijn zintuiglijke schrijfstijl, zijn fascinatie voor geschiedenis en documenten, zijn epische adem en zijn diep menselijke betrokkenheid bij zijn personages beschikt Hertmans over alle kwaliteiten om een historische roman te schrijven. Toch schrijft hij die doelbewust niet. Of toch niet volledig. Hij weigert zich een voorbije wereld toe te eigenen die hij als schrijver nochtans probleemloos kan oproepen. Dat heeft alles te maken met de afstand die hij wil bewaren ten opzichte van zijn hoofdpersonage en haar levensloop. Een afstand die wellicht te maken heeft met het besef van de ontoereikendheid van elke historische reconstructie. Maar ook en misschien meer nog met het besef van de uiteindelijke onvatbaarheid van het singuliere existentiële lot.

Er was niets wat erop wees dat het meisje de speelbal zou worden van krachten die haar individuele bestaan ver zouden overstijgen en uiteindelijk vernietigen. Hertmans gaf haar de naam Vigdis Adelais. De naam Vigdis verwijst naar haar afstamming van de Noormannen die in de negende eeuw met rooftochten het noorden van Frankrijk onveilig maakten alvorens zich er definitief te vestigen.

Het belangrijkste document dat Hertmans tot zijn beschikking had om de schokkende levensloop van zijn heldin te reconstrueren – en dat wellicht niet toevallig in het midden van de roman is afgedrukt – is document T-S 16.100, het honderdste document in de zestiende doos van de Caïro Genizah Collection. Aan het einde van de negentiende eeuw werden driehonderdduizend documenten ontdekt in de genizah, de bergruimte van de Ben Ezra Synagoge in Fustat, het oude Caïro.

Deze collectie, waarvan het bestaan al midden zeventiende eeuw door westerse onderzoekers was opgemerkt, is van een onschatbare waarde voor de kennis van de Joodse geschiedenis in Noord-Afrika en het Midden-Oosten van de negende tot de negentiende eeuw. In principe hadden al deze documenten steeds begraven moeten worden – documenten met de naam van God mogen in de joodse traditie niet worden vernietigd – maar dat is om de een of andere reden niet gebeurd. De collectie wordt sinds de ontsluiting ervan over de hele wereld bestudeerd.

In die verzameling bevindt zich een aanbevelingsbrief die in Monieux geschreven werd door een geletterde uit de joodse gemeenschap, waarin het tragische lot van een proseliete wordt verteld. Een jong christelijk meisje van gegoede afkomst uit Rouen bekeert zich tot het jodendom. Ze vlucht met haar geliefde eerst naar Narbonne, waar ze huwt, en daarna naar Monieux uit schrik voor de ridders van haar vader. In de pogrom van Monieux verliest ze haar man en worden haar twee oudste kinderen door de Kruisridders ontvoerd: ‘Aldus was zij verlaten, in nooddruft en naaktheid, zonder gelden om in haar onderhoud te voorzien en in dat van haar weeszoontje,’ zo meldt het document. Omdat de gedecimeerde gemeenschap in Monieux, die eveneens al haar voedselvoorraden kwijt is, haar niet kan onderhouden, gaat ze op weg naar Jeruzalem in de voetsporen van de Kruisridders, in de hoop haar kinderen terug te zien. De aanbevelingsbrief is bedoeld om haar gevaarlijke tocht enigszins te vergemakkelijken.

Er is nog een tweede document (T-S 12.532), waarin wordt verhaald dat een vrouw in het Noord-Spaanse Najera op de brandstapel wordt gezet en op het laatste nippertje wordt vrijgekocht door een joodse man. Er zijn aanwijzingen dat het in dit document om dezelfde vrouw gaat als in het eerste document, maar er zijn twijfels:

Ik speur de vreemde letters af, bots telkens op de frustrerende randen waar de tekst afbreekt. Ik blijf met mijn vragen zitten.

 

Absolute zekerheid heeft de schrijver niet, maar hij laat zich leiden door enkele aanwijzingen en door zijn intuïtie. Hij verbindt de twee documenten met elkaar. Hij laat Hamoutal, de joodse naam van Vigdis Adelais, in Caïro opnieuw huwen met een gegoede zakenman en moeder worden. Dat precaire nieuwe bestaan wordt echter ruw verstoord wanneer ze bericht krijgt dat haar kinderen in Rouen bij haar ouders zijn. Met haar pasgeboren kind vlucht ze opnieuw, ditmaal terug naar Frankrijk. Daar wordt ze echter herkend, op de brandstapel gezet en op het laatste ogenblik vrijgekocht. Hertmans laat haar terugkeren naar Monieux, waar ze sterft, waanzinnig geworden van verdriet en ontbering.

Het lot dwingt de jonge vrouw in een onmogelijke en onleefbare tussenpositie. Met veel begrip en inleving beschrijft Hertmans hoe zij, op zoek naar haar kinderen, de dagen doorbrengt in een half bewuste half verdwaasde toestand waarin de wereld aan haar voorbij gaat. Maar hij beschrijft ook de momenten waarop ze zich met haar ongewone levensloop probeert te verzoenen, hoe ze nieuwe woorden, gebruiken en gebeden leert, hoe ze zich aan het alledaagse leven aanpast en een normaal leven probeert te leiden. De gebeurtenissen slingeren haar tussen de uitersten van rijkdom en totale ontbering, van sociale en materiële bescherming tot blootstelling aan ontbering, koude en fysiek geweld, van intieme vertrouwdheid met haar omgeving tot totale vreemdheid.

Dat zij in het verloop van haar korte leven alle zekerheden kwijtraakt is een even banale als correcte beschrijving van wat haar overkomt. Ze verliest alles wat een leven stabiliteit en betekenis geeft: haar materiële bescherming, haar sociale status, haar religie, haar familie, haar naam, haar man, haar kinderen, haar lichamelijke integriteit en ten slotte haar geestelijke gezondheid: ‘Ze leeft misschien niet, maar ze overleeft haar eigen dood opnieuw. Ze ademt en ze beweegt, dat is alles.’ Haar identiteit wordt uit elkaar gescheurd: te veel verschillende imperatieven, te grote persoonlijke verliezen en te veel vluchten drijven haar uiteindelijk in de krankzinnigheid: ‘Ze wil niet leven en ze kan niet dood. Namen, er tollen namen in haar hoofd, ze weet niet meer welke.’ Haar lot plaatst haar in de rij van andere vrouwelijke personages die Hertmans de voorbije decennia hebben gefascineerd (zoals blijkt uit zijn toneelstuk Mind the gap uit 2000 en zijn essay Het zwijgen van de tragedie uit 2007): de tragische heldinnen Antigone, Klytaimnestra en Medea uit de Griekse tragedies.

Hertmans volgde Vigdis/Hamoutal in haar reis naar Jeruzalem, die uiteindelijk zou eindigen in Egypte en met een wanhopige terugkeer naar Frankrijk. Het is een tocht door zeer verschillende landschappen van Rouen over de Provence tot Caïro. Ondanks de afstand die Hertmans zich heeft opgelegd, is het duidelijk dat zijn fascinatie voor de bekeerlinge bij momenten een obsessie wordt. Hij reist haar na, zoekt naar mogelijke sporen, wil met eigen ogen de streken zien waar zij op haar lange gevaarlijke tocht doorheen is getrokken. Hij bestudeert oude kaarten om haar tocht te reconstrueren, bezoekt de steden en dorpen waar zij heeft overnacht, de rivieren die ze heeft doorwaad. Enkele keren komt hij heel dicht bij haar in de buurt.

Aan het eind ontdekt de schrijver in de buurt van zijn huis in Monieux de overblijfselen van wat het joodse bad moet zijn geweest dat in de synagoge stond en gebruikt werd voor de rituele wassingen. Met ontroering en verbijstering realiseert de schrijver zich dat de plek waar hij jarenlang rustig heeft zitten lezen, ook de plaats is waar zijn hoofdpersonage heeft geleefd en geleden: ‘Ik sta letterlijk op de plek van hun verleden. [...] Ik raak de oude putrand aan. Ik raak Hamoutal aan.’

Naast een boek over geschiedenis, het verstrijken van de tijd en de destructie die daarmee gepaard gaat, is De bekeerlinge een boek over de natuur, over een cyclische tijd en een ervaring van tijdloosheid. Een van de literaire verdiensten van de roman is ongetwijfeld Hertmans’ zintuiglijke beschrijving van de veranderende landschappen en klimaten waar zijn heldin zich door beweegt. Al lezend zie je de verschillende intensiteiten van het zonlicht, voel je de verandering van de wind, ruik je de bloemen en de dieren. Het zijn die natuurervaringen die de schrijver bij momenten dichter bij zijn heldin lijken te brengen. Hij moet op zijn reis alleen de cultuur en de menselijke bouwwerken wegdenken om zich een ogenblik in het land en de tijd van zijn heldin te wanen.

Die beschrijvingen doen meer dan het oproepen van een context bij het verhaal. De roman lijkt landschappen en klimaten te willen vastleggen in het besef dat ook zij er niet altijd zullen zijn:

Ik heb horen vertellen dat de mistral zal sterven als een oeroud beest. De klimaatverandering zal hem langzaam laten uitdoven, omdat de gletsjer van de Mont Blanc, die de westenwind afkoelt en hem dan terugkaatst, stilaan smelt.

Het is dus geen toeval dat het boek eindigt met een reflectie van de schrijver op de eigen sterfelijkheid:

Zelf voel ik steeds sterker het verlangen om hier in die harde grond te worden begraven, als het zover komt. Ik stel me voor dat ik dan nog een paar jaar respijt heb om te liggen luisteren naar het verschuiven van de tijd, het gonzen van de cipressen, het kleppen van de kerkklok, de roep van de uil en het kwetteren van de extatisch glijdende bijeneters boven mijn graf, met dat onaantastbare blauw boven mijn blind geworden ogen. De wereld tolt, maar als je even je adem inhoudt, staat hij stil.

Met De bekeerlinge heeft Hertmans een krachtige roman geschreven, episch en lyrisch tegelijk, waarin het persoonlijke en het politieke op een dramatische manier met elkaar vervlochten raken, en waarin het heden echoot in het verleden. Veel meer kun je van een roman niet verwachten.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?