cover big

Famous last words

Lodewijk Verduin

Over Het uur van de ster van Clarice Lispector (vert. Adri Boon)

De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2017,
ISBN 9789029510707 / 126p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 30-07-2017

Bookmark and Share

In De oneindige conversatie (1969) reflecteert Maurice Blanchot uitvoerig op de bijzondere positie van het ‘laatste’ werk in het oeuvre van een schrijver. Hij neemt Arthur Rimbauds afscheid van de poëzie als voorbeeld en stelt dat een auteur met elk nieuw werk voortbouwt op het eerder geschrevene, dat de centrale thema’s en spanningen in die accumulatie steeds breder worden uitgewerkt. Wanneer het schrijven vervolgens vaarwel wordt gezegd, wordt deze opbouw, aldus Blanchot, verbrijzeld: elke mogelijke structuur die lezer of schrijver in het oeuvre kon ontwaren, wordt opgestroopt of uitgevaagd, en de laatste woorden van de schrijver bezegelen met terugwerkende kracht de betekenis van het volledige oeuvre. Het slot van het laatste werk voltooit het literaire project, dat bestond uit die opstapelende werken, en fluistert haar met een slotakkoord ook een definitief symbolisch einde in: alle motieven, thema’s en ontwikkelingen moeten door de lens van dat laatste boek worden begrepen. In een bijzin laat Blanchot zich een centrale gedachte ontglippen: voor de schrijver heeft ‘het einde van literatuur betrekking op alle literatuur.’ Wanneer een auteur daadwerkelijk dat laatste werk schrijft en publiceert, dient er te worden afgerekend met de literatuurgeschiedenis en met het wezen van de literaire tekst zelf – de laatste adem van de auteur als het laatste duel met het schrijverschap.

Het uur van de ster is de laatste roman van Clarice Lispector (1920-1977) en een bijzonder vurig slotgevecht met de literatuur. Lispector, bij leven een van de grootste en meest geliefde moderne Braziliaanse auteurs, was internationaal relatief obscuur totdat de alom bejubelde biografie Why This World (2009), geschreven door de Amerikaanse Benjamin Moser, haar prominent onder de aandacht bracht. Haar oeuvre werd opnieuw in het Engels vertaald en kon rekenen op enthousiaste besprekingen. Nu krijgt Lispectors werk ook een Nederlandstalige behandeling. De Arbeiderspers is van plan haar grote romans te vertalen en begint daarbij met haar laatste. Moser vertelt in zijn kleurrijke levensbeschrijving over Clarices dorre jeugd, die getekend werd door geweld: door hun Joodse achtergrond moest de familie Lispector na de Eerste Wereldoorlog de Oekraïense pogroms ontvluchten, wat resulteerde in een lange reis die hen, getraumatiseerd en vermoeid, naar Brazilië bracht. Aldaar blinkt Clarice als jonge volwassene onmiddellijk uit, en Moser beschrijft dat wel zeer liefdevol: ze blijkt ontzettend mooi en intelligent te zijn, wordt een van de eerste vrouwelijke studenten in Brazilië, publiceert vanaf jonge leeftijd lyrisch ontvangen verhalen en begint als jonge twintiger aan een groot en excentriek oeuvre, dat door tijdgenoten onophoudelijk geprezen wordt.

De biograaf laat zien dat haar steeds experimenteler wordende schrijfstijl samenloopt met een steeds getroebleerder leven. Deze spanning mondt uit in De passie volgens G.H. (oorspronkelijk uitgegeven in 1964), een merkwaardig magnum opus waarin Joodse mystiek en onderzoeksdrang samenkomen in bespiegelingen op de relatie tussen mens en dier, taal en het onnoembare of Goddelijke. Volgens haar biograaf is Lispector hierna uitgeblust: ze veroudert snel, takelt fysiek af en heeft toenemende moeite met schrijven. De loopbaan van de vrouw over wie eens werd gezegd dat ze schreef als Virginia Woolf en eruit zag als Marlene Dietrich komt zo, langzaam en tragisch, tot een einde.

Een stil afscheid is het echter allesbehalve. Wanneer zij zich realiseert dat de dood nadert, begint zij aan het manuscript dat zij bewust als laatste werk wil achterlaten. Uit een frenetieke werkwijze – een deel van de tekst bestaat uit collages van zinnen die Lispector over de jaren op een groot aantal losse snippers papier neerpende – ontstond Het uur van de ster. De komst van haar laatste maakte ze nog net mee. Clarice Lispector stierf slechts enkele dagen na de publicatie van de roman, op de dag voor haar zevenenvijftigste verjaardag.

Schrijven achter rookgordijnen

De verhaallijn is ogenschijnlijk simpel. Lispector beschrijft het leven van Macabéa, een wat onaantrekkelijk en simpel Braziliaans meisje van negentien. Ze is arm, van zeer bescheiden komaf en voor een hongerloontje werkzaam als typiste. Ze voelt een onbestemd gemis, maar leeft door, terwijl de dagen achteloos versmelten tot een grijze waas. Haar jeugdige vrouwelijkheid zou moeten bloeien, maar blijft volgens de verteller hangen in groezeligheid en onopvallendheid:

Niets aan haar straalde, hoewel de huid van haar gezicht tussen de vlekken een lichte opaalglans had. Niet dat het er iets toe deed. Op straat keek niemand naar haar, ze was koud geworden koffie.

Toch voelt de verteller klaarblijkelijk mededogen voor deze Macabéa: haar schijnbaar onbeduidende leven wordt in anekdotes en scènes steeds anders belicht, nu eens spottend, dan zacht, begrijpend. Wanneer zij de bonkige metaalbewerker Olímpico de Jesus tegenkomt, dient Macabéa zich aan als geliefde. Olímpico is echter onbarmhartig en bot, en opnieuw kan Macabéa rekenen op een tweederangs behandeling, waardoor de liefde waarnaar zij verlangt buiten bereik blijft. Olímpico blijft onverschillig en ruilt haar dan ook al snel in voor haar voluptueuze collega Gloría. De hernieuwde eenzaamheid drijft het wanhopige meisje naar een waarzegster. Deze schrikt van het verslag van alle doorstane armoede en leed en doet een poging Macabéa troost te bieden: ze voorspelt dat een aantrekkelijke blonde en rijke Europeaan (‘Hans’) zal verschijnen om haar te huwen, waarna alles toch goed zal komen. Wanneer Macabéa opgelaten naar huis huppelt, laat de schrijver het verhaal abrupt eindigen met een bizar auto-ongeluk.

Vanaf de eerste pagina is duidelijk dat de relatie tussen verteller en verhaal van groot belang is. De alwetende ik-verteller presenteert zich namelijk ook als ‘de schrijver’, en is zo de instantie die het verhaal vertelt en het simultaan van commentaar voorziet. De tekst wordt voorafgegaan door een ‘Opdracht van de schrijver (in feite Clarice Lispector)’, waarin een stem aan het woord komt die ook in de eerste pagina’s van de hoofdtekst blijft resoneren. Die vertelstem kondigt het verhaal aan en geeft de oorsprong ervan weer: in haar geboortestreek zag zij een meisje lopen wier verschijning zich zo hevig opdrong dat zij er wel over moest schrijven. Al snel doet de schrijver nog een aankondiging: het verhaal zal verteld worden door ‘Een andere schrijver, ja, maar wel een man, want een vrouwelijke schrijver zou uit sentimentaliteit in grienen kunnen uitbarsten.’ En zo krijgt de vertellende schrijver na een tiental pagina’s de gedaante van Rodrigo S.M., oud en vermoeid schrijver. Toch zijn de stijl en het referentiekader niet veel anders dan dat van Lispector — er treedt geen breuk in de vertelvorm op. Volgens haar biograaf moet dit rookgordijn dan ook als ironisch worden beschouwd. Benjamin Moser stelt dat de feministische Lispector zich niet probeert te verschuilen achter masculiene autoriteit, maar dat zij de dubbelzinnigheid en raadselachtigheid van de vertelsituatie en de verduistering die daarmee gepaard gaat, met een volgende, wat slordige gedaanteverwisseling probeert te accentueren.

Het uur van de ster kent zo van begin af aan een opzichtige meta-structuur. Hoewel de hierboven samengevatte verhaallijn kort en rechtlijnig is, kan de uiteindelijke tekstcompositie allesbehalve eenvoudig worden genoemd. Rodrigo/Lispector neemt als vertellend schrijver namelijk uitzonderlijk veel ruimte in. Het verhaal wordt fragmentarisch verteld en continu onderbroken door gedachten en opmerkingen van de auteur, die reflecteert op de complicaties van het schrijfproces, maar ook op triviale invallen over aanhoudende kiespijn en verveling. Uiteindelijk bestaat het merendeel van Het uur van de ster dan ook uit deze meta-commentaren, die in hoog tempo voorbijflitsen, zonder dat zij pretenderen aan een coherente argumentatie bij te dragen. Het resultaat is een bijzonder hectische en energieke tekst, waarin de verteller de lezer continu poëtisch onder vuur neemt.

De lezer die vanwege de vergelijkingen met modernisten als Woolf of barokke typeringen van Lispectors schrijven op een zwierige stijl rekende, komt bedrogen uit. ‘Ik ben van plan niet ingewikkeld te schrijven,’ schrijft Lispector stellig. Op zinsniveau heeft haar schrijven dan ook niets met de wijdlopigheid van de grote modernisten. Lispector gebruikt heldere, korte, vaak elliptische zinnen, die elkaar in staccato opvolgen of aaneengeregen worden door spreektalige verzuchtingen en komma’s. De complexiteit van Het uur van de ster spreekt dan ook niet uit de losse zinnen zelf, maar uit het opake verband tussen die opgestapelde regels. Lispector overlaadt de lezer met scherp geformuleerde zinssneden, die elk voor zich wat lijken te willen zeggen. In haar laatste boek toont Lispector zich de meester van het aforistische non-sequitur: haar verteller spuit onophoudelijk biologerende gedachten over het schrijven, leven, taal en kunst die vlammend op elkaar botsen, maar op aangename, uitdagende wijze nooit te netjes in elkaar passen: ‘Ik zweer dat dit boek zonder woorden gemaakt is. Het is een stomme foto. Dit boek is een stilte. Dit boek is een vraag.’

De grenzen van de literatuur

Wanneer de reflecties op taal, schrijven en vertellen worden samengenomen, is het geen wonder dat Moser haar werk duidt als een voortdurend ‘duwen tegen de grenzen van de taal’. Misschien gaat Lispector met Het uur van de ster nog wel een stap verder: in haar laatste werk onderzoekt zij de absolute grenzen van de literatuur. Hierin woelen, net zoals in vele andere romans, drie moeilijke verhoudingen: de relatie tussen lezer en personage, tussen lezer en schrijver en tussen schrijver en personages. De schrijver probeert de lezer via het verhaal iets te zeggen, de lezer moet kunnen meekijken en meevoelen met de personages en de auteur moet in het schrijfproces haar personages ‘leren kennen’ om ze werkelijk overtuigend te beschrijven. Deze laatste verhouding wordt in Het uur van de ster het meest uitgewerkt.

In de eerste plaats is de handeling van het schrijven voor Lispector niet los te zien van de wereld. Zoals gezegd bekent zij dat het verhaal ontspringt uit een echt meisje – iemand die zij in de wereld heeft gezien. Vervolgens is haar verhaallijn een poging om het leven van deze Macabéa te begrijpen en op haar manier te beschrijven. Dit blijkt een associatief proces, omdat het schrijven wordt voorgesteld als iets wat vloeit en niet aangezwengeld hoeft te worden, maar tegelijkertijd is het uiterst gewichtig. De door Lispector beschreven wereld moet niet opgepoetst worden, niet worden gekleurd met sentimentaliteit:

Maar dat is het ’m juist: dit verhaal heeft geen enkele techniek, noch stijl, het ontrolt zich op goed geluk. Ik zou ook voor niets ter wereld een schraal leven als dat van een typiste willen bezoedelen met even schitterende als loze woorden.

Het schrijven moet aldus een poging zijn om tot een essentie van het leven te komen om die vervolgens integer vast te leggen.

De methode van het schrijven stelt Lispector voor als een uitbarsting, die geworteld is in een liefde voor het leven, voor de mensen en dieren. Het verhaal van Macabéa overvalt de auteur en vermaakt en ergert haar. Toch kan ze zich niet losschudden van het plot, hoe vaak het ook onderbroken wordt; keer op keer zegt de verteller de pen weer op te moeten nemen om het verhaal tot een einde te brengen. De reden hiervoor is de onvoorwaardelijke liefde van de schrijver voor het personage:

Ja, ik ben verliefd op Macabéa, mijn beminde Maca, verliefd op haar lelijkheid en absolute anonimiteit aangezien ze niemand toebehoort.

Niemand, behalve de schrijver, die haar leven verzint en invulling geeft. Toch neemt Lispector geen genoegen met de vermeende macht van de schrijver en zoekt zij op wat de literatuur werkelijk vermag. Het uur van de ster radicaliseert op een zekere manier het bereik van de literaire tekst. Het onderzoekt of een leven van iemand anders door beschrijvingen kan worden begrepen, of schrijver en lezer deelachtig kunnen worden van de gevoelens van het beschreven mens of personage. Het schrijven als toenadering van het leven, het zoeken naar de absolute empathie, lijkt namelijk het streven van de verteller te zijn:

O, als ik Macabéa toch eens te pakken kon krijgen, haar lekker in bad kon stoppen, haar een bord warme soep geven en een kus op haar voorhoofd nadat ik haar had ingestopt.

En dat is de uiteindelijke literaire crisis van Het uur van de ster: het lukt de schrijver niet. De schrijver heeft in Lispectors roman geen complete controle over haar personages, ze kan ze niet troosten of redden. Het verhaal komt voort uit de schrijver doordat de wereld zich aan haar opdringt, maar uiteindelijk bevrijdt datzelfde verhaal zich uit de manipulerende vingers van de schepper. Ondanks alle barmhartigheid slaagt de schrijver er dan ook niet in om Macabéa te redden. ‘Ik zal al het mogelijke doen om haar niet te laten sterven,’ verzekert de auteur ons aan het einde. Toch sterft het personage en laat zij de schrijver achter met bedroevende conclusies. De schrijver kan haar verhaal niet bepalen, kan haar personages niet volledig doorgronden, en kan ze ook niet redden van het leven, en de bijbehorende dood: ‘het leven verslindt het leven.’

De affirmatie van het bestaan

Met het loslaten van het absolute bereik van de literatuur komt Lispectors focus weer op het leven te liggen. Met haar laatste werk beschrijft zij een literatuur die haar uiterste doel niet kan bereiken, de allerhoogste inzet van de absolute empathie niet kan waarmaken. Daarom neemt zij afscheid van het schrijven op een wijze die Blanchot verbrijzelend zou noemen:

Ik ben doodmoe van literatuur; slechts stilzwijgen vergezelt me. Als ik schrijf is dat omdat ik verder niets te doen heb op aarde terwijl ik wacht op de dood.

Haar laatste tekst maakt het toneel dan ook weer vrij voor het leven, met de dood in haar kielzog. In een prachtige opening bezingt zij de ongrijpbare energie van het leven:

Alles op de wereld begon met een ja. Een molecuul zei ja tegen een andere molecuul en het leven ontstond. Maar voor de prehistorie was er de prehistorie van de prehistorie en was er het nooit en was er het ja. Die zijn er altijd geweest. Ik weet niet hoe of wat, maar ik weet dat het universum nooit is begonnen.

En hoewel het bestaan begint met een ‘ja’, moet er aan elk leven ook een einde komen. De dood van Macabéa gaat in het sacrale slot dan ook over in een bezwering van de dood in het algemeen. In de laatste pagina’s schuilt een van de meest spookachtige aspecten van dit laatste werk. Wanneer de verteller machteloos de dood van haar geliefde personage aanschouwt, kondigt de vertelstem, waarachter Lispector mogelijk schuilgaat, ook haar eigen dood aan. Het afscheid van de literatuur wordt zo ook een ontroerend afscheid van het leven, dat zich niet volledig liet beschrijven. ‘Maar treur niet over de doden: zij weten wat ze doen.’ Wanneer het verhaal hortend en stotend ten einde komt, laat de schrijver het leven, verpersoonlijkt door de onooglijke maar allerbeminnelijkste Macabéa, uiteindelijk los.

En nu – nu rest mij niets anders dan een sigaret opsteken en naar huis gaan. Mijn God, nu moet ik er pas aan denken dat mensen doodgaan. Maar… ook ik?

Lispector ondertekent het manuscript resoluut met een erkenning van de naderende dood en een afscheid van het leven – ‘Jazeker.’ – en sterft, inderdaad, niet veel later.

In dit mythische boek raakt Lispector op ‘bijna onbegrijpelijke wijze,’ zoals Moser het verwoordt, aan de grote thema’s als leven, taal en literatuur, en ze doet dat op een volstrekt onnavolgbare manier. Het uur van de ster is een vreemd, indringend boek, dat de grimmige beperkingen van het literaire schrijven uiteindelijk ombuigt tot een ontwapenende lofzang op de ‘ja’, de energie die het aardse bestaan ondanks alles voortstuwt. Clarice Lispector prijst op ongeëvenaarde wijze de affirmatie waarmee het leven begint en op de laatste pagina uiteindelijk eindigt. Met dit laatste boek bezegelt Lispector uiteindelijk ook haar werk: een oeuvre dat in dienst staat van de ondoorgrondelijke vraag van het bestaan, die slechts kan worden beantwoord met haar laatste geschreven woord, dat het begin van alles op de wereld in zich draagt: jazeker.

 

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?