
Grote Smurf twijfelt nog
Gijsbert Pols
Over Moeten wij van elkaar houden? van Bas Heijne
De Bezige Bij, Amsterdam, 2011,
ISBN 9789023435877 / 143p.
(8) reactie(s) - geplaatst op 07-09-2011
Met Moeten wij van elkaar houden? levert Bas Heijne het bewijs dat hij van alle bovenmoerdijkse opinisten de beste is. Met afstand! Zijn superieure status is dermate onomstreden, dat ik in de verleiding kwam in mijn openingszin het woord ‘bewijs’ door het adjectief ‘zoveelste’ vooraf te laten gaan. Maar er zijn grenzen, hè, en bij zo veel consensus is het belangrijker me af te vragen waarin deze superioriteit nu precies ligt. Wel, me dunkt dat Heijne gedreven wordt door een maatschappelijke betrokkenheid die gerust oprecht mag worden genoemd. Daarin onderscheidt hij zich van zijn collega’s, die vrijwel zonder uitzondering opinies produceren om te laten zien wat voor geweldig grote bek ze hebben. Een ander verschil is dat Heijne over intellectuele integriteit beschikt: mensen met wie hij het niet eens is, gelden voor hem niet automatisch als evil maar als aanleiding om zijn eigen standpunten te verhelderen. Als hij Nietzsche citeert, herken je niet meteen het citatenboekje. Ook is hij geen snob, geen opportunist en geen Youp van ‘t Hek, wat toch allemaal erg mooi meegenomen is.
Maar
Zijn ster straalt vooral omdat de rest zwelgt in eigen middelmatigheid. Of preciezer: in het smurfendorp van Neêrlands opinisme is Heijne onmiskenbaar Grote Smurf. Nu berust de autoriteit van Grote Smurf voornamelijk op zijn partijloosheid: als de smurfjes elkaar weer eens in de mutsen vliegen of in drang naar avontuur het hele dorp in gevaar brengen, herinnert Grote Smurf ze er aan dat ze allemaal smurfen zijn en er dus gezamenlijk uit moeten zien te komen. Zo ook Heijne: wars van de polarisatie die het politieke debat in Nederland sinds de opkomst van het rechtse populisme kenmerkt, wijst hij op de noodzaak van consensus. In Moeten wij van elkaar houden? stelt Heijne dat die consensus gevonden kan worden door het maatschappelijke onbehagen achter het populisme serieus te nemen zonder daarbij de democratische principes uit te laten hollen waarop onze samenleving berust.
Fair enough, zou je denken. Grote Smurf heeft echter een achilleshiel. In al zijn partijloze wijsheid wil hij namelijk nog wel eens vergeten dat hij zelf een smurf is. En ook een smurf met een rode muts heeft zijn belangen. Ik heb het nu niet over Heijnes financiële belangen, al heb ik wel moeite met de manier waarop hij in dit boek zijn eigen werk recyclet. Er is niks mis mee om voor een boek gebruik te maken van eerder gepubliceerd materiaal, zeker niet als je het netjes verantwoordt, maar Heijne last hier en daar wel erg opzichtig oude columns aan elkaar. Het boek is daardoor op veel plaatsen redundant en de vraag ‘Is het werkelijk zo eenvoudig?’ wordt om de vijf pagina’s gesteld. Ronduit slordig is dat Heijne stelt dat in de huidige media het dogma heerst dat de mensen het nieuws moeten krijgen dat ze willen horen, terwijl hij achttien pagina’s éérder heeft beweerd dat precies dit dogma inmiddels alweer achterhaald is.
Zulk geklungel is des smurfs, maar dat is mijn gemopper erover natuurlijk evengoed. Ook de schoorsteen in huize Heijne moet roken, en als hij aankondigt van de opbrengst van zijn essay lekker op vakantie te zullen gaan, gun ik hem dat natuurlijk van harte. Mijn probleem met Moeten wij van elkaar houden? is niet dat Heijne bij alle moeite om boven de partijen te staan ook maar een mens is, maar dat hij zich te weinig rekenschap geeft van de politieke keuzes en maatschappelijke belangen die schuilgaan achter zijn meta-standpunt. Het perspectief van Grote Smurf maakt dat die belangen worden verdoezeld, en dat is, zeker gezien de autoriteit die hij juist op basis van dat perspectief geniet, geen goede zaak.
Onvolledig gelijk
Wat is Heijnes meta-standpunt? Zoals gezegd bepleit hij dat we het maatschappelijk onbehagen achter het rechtse populisme serieus nemen. Heijne begrijpt dit onbehagen als een verlangen naar regeneratie van een gemeenschapsgevoel, als een behoefte aan een herkenbare culturele identiteit en als een drang om de complexe maatschappelijke werkelijkheid terug te brengen tot overzichtelijke zekerheden. De vervulling van dat alles is, zo erkent Heijne, in onze geglobaliseerde wereld onmogelijk. Maar voor Heijne is het evenmin realistisch om te denken dat de volgelingen van populistische politici als Wilders, Palin, Sarkozy en Berlusconi te pacificeren zijn door hen op die onmogelijkheid te wijzen.
Wie dat doet, droomt voor Heijne nog steeds de droom van het humanisme: de droom dat de mens in zijn soortgenoten uiteindelijk steeds zichzelf zou leren herkennen. Die droom is niet uitgekomen: steeds nadrukkelijker herkennen we in onze soortgenoten de ander, en het kost ons steeds meer moeite in die ander menselijkheid te ontdekken. Heijne vindt dat we die moeite toch moeten opbrengen. Maar we moeten ons er evengoed rekenschap van geven dat de motivatie daartoe niet langer kan worden ontleend aan verlichte idealen als ‘gelijkwaardigheid’, ‘democratie’, ‘rede’ en ‘tolerantie’ – tenminste niet zolang die idealen als abstracties verabsoluteerd worden.
Maar dat is precies wat de critici van het populisme volgens Heijne doen. In plaats van ‘een levenshouding, een moeizaam en onzeker streven onze al te menselijke aanvechtingen in goede banen te leiden’, maken ze van de idealen van de verlichting een ‘geloofsleer’. Heijne voert die verabsolutering terug op het trauma van de shoa, waarmee het fascisme de uiterste consequentie trok uit het verlangen naar een exclusieve gemeenschap. Van de weeromstuit van mensen te eisen dat ze van elkaar houden, hoe verschillend ze ook zijn, was echter een vergissing. Sterker nog, het was hypocriet: mensen kunnen hooguit doen alsof ze van elkaar houden, en de mate waarin ze daartoe bereid zijn hangt in veel gevallen af van de frequentie en intensiteit waarmee ze met anderen geconfronteerd worden. Met andere woorden: of ze in Kralingen of in Spangen, danwel in Brasschaat of in Borgerhout wonen.
Wie de idealen van de verlichting trouw wil blijven, zo besluit Heijne, zal dat tot zich door moeten laten dringen. Hij zal zich moeten afvragen hoe hij begrippen als gelijkheid, tolerantie en vrijheid opnieuw betekenis kan geven zonder ze tot dogma te verheffen. Hij zal wegen moeten vinden om individuele vrijheid te garanderen, en toch recht te doen aan het verlangen naar gemeenschap. Hij zal zich moeten realiseren dat hij zijn donkere kanten moet beheersen, maar niet kan ontkennen.
Daarin heeft Heijne natuurlijk groot gelijk. Maar zoals ik al aangaf, berust dat grote gelijk op zijn partijloosheid: de vraag hoe we de idealen van de verlichting kunnen regenereren laat Heijne nogal nadrukkelijk onbeantwoord. Toch ligt daarin nog niet het grootste probleem. Het grootste probleem ligt erin dat zijn gelijk niet verder reikt dan het smurfendorp. Slechts in één passage waagt Heijne een blik voorbij de paddenstoelenhuisjes:
[...] globalisering heeft niet alleen een verlangen naar eigenheid in een gefragmenteerde wereld opgeroepen, een vijandige wereld waarin je buurman er een wezenlijk ander wereldbeeld op na kan houden dan jijzelf – maar ook een reactie op de taal van de economie als lingua franca, de kille, cijfermatige benadering van alles wat een individu bindt aan zijn omgeving. Flexibiliteit is een levensvoorwaarde geworden, doelmatigheid een allesoverheersend principe.
Het kapitaal is bij Heijne een spook: heel even lijkt hij zich rekenschap van het bestaan ervan te geven, maar daarna keert het snel terug naar het schimmenrijk waar het volgens Heijne thuishoort. Economie speelt bij zijn ontleding van het rechtse populisme geen rol van betekenis, ook al plaatst hij het nadrukkelijk in de context van de globalisering. Toch is het evident dat de kapitalistische manier waarop de mondiale economie wordt vormgegeven de belangrijkste motor is. De migratiestromen van de afgelopen decennia zijn voor het grootste deel actief op gang gebracht door economische machten die zonder schroom de planetaire werkelijkheid organiseren zoals het hen het beste uitkomt. Om haar conservatieve achterban tevreden te stellen, wilde Kanzlerin Merkel de multiculturele samenleving best even doodverklaren, maar het Duitse bedrijfsleven krijgt alle ruimte om goedkope arbeidskrachten onder Spaanse werklozen te ronselen. En globaal gezien is dat nog een erg onschuldig voorbeeld van het politieke primaat van de kapitalistische macht.
Proletarisering
Waarom laat Heijne dat primaat in zijn argumentatie hooguit als spook toe? Die vraag is te beantwoorden met het motto van een populair Nederlands weblog: gewoon, omdat het kan! Het smurfendorp waarin Heijne zijn gelijk haalt, is de wereld van een goed opgeleide en in relatieve veiligheid levende westerling, wiens materiële welvaart tot op zekere hoogte gegarandeerd is. Die garantie brengt vrijheid met zich mee. Natuurlijk leeft ook Heijne in een wereld waarin de taal van het kapitalisme als lingua franca functioneert, maar slechts tot op zekere hoogte. Zijn bestaan wordt, juist dankzij zijn bevoorrechte positie, niet volledig door de mores van productie en consumptie bepaald. Daarom kan hij het zich permitteren zich daar niet expliciet toe te verhouden. Net zoals de meeste mensen in dit deel van de wereld.
Het afgelopen decennium is echter duidelijk geworden dat die gezegende toestand niet zal blijven duren. Veiligheid, opleiding en materiële zekerheid, rechten die voorheen bij monde van een parlementaire stroming konden worden opgeëist, zijn in toenemende mate dure producten geworden. In Spanje, Griekenland, Chili, Israël en Portugal – allemaal relatief welvarende landen – gaan jongeren momenteel de straat op omdat ze beseffen dat er in hun biografieën geen eigen huizen, geen vaste contracten, geen gestaag stijgende lonen en comfortabele pensioenen zullen voorkomen.
Natuurlijk, de Nederlandse staat beschikt over voldoende middelen om het grootste deel van de bevolking tegen de scherpe kanten van het mondiale kapitalisme te beschermen – vooralsnog. Want ook hier dreigt een nieuwe proletarisering en er is geen enkele partij die daar in de context van de globalisering een overtuigend antwoord op heeft weten te vinden. Een werkloze jongere die zich over de uitholling van het ontslagrecht beklaagt, krijgt zelfs bij GroenLinks te horen dat het voor zijn eigen bestwil is. Dan wordt het valse bewustzijn van het populisme al te verleidelijk. Klimaatverandering? Financiële crisis? Globalisering? Simpel: u bent veilig als we de moslims eruit gooien, u bent rijk als we de gulden weer invoeren en u bent gelukkig als we verlost zijn van die brilsmurfen die beweren dat de wereld toch echt een beetje complexer in elkaar zit. Is het verrassend dat deze leugens het gretigst worden geloofd in dat deel van Nederland waar economische emigratie de maatschappelijke infrastructuur al jaren destabiliseert?
Aan het einde van zijn betoog haalt Heijne de beroemde passage uit Handelingen 17 aan, waarin Paulus beweert te weten wie de onbekende god is voor wie de Atheners een altaar hadden opgericht. Heijne identificeert zich met de Atheners, die door één van hun goden oningevuld te laten ruimte creëren voor epistemologische twijfel. Paulus vindt hij een fanatiekeling die slechts één waarheid wil kennen. Als ik hier stel dat de door hem in het licht van het rechtse populisme noodzakelijk geachte regeneratie van de verlichtingsidealen – vrijheid, gelijkheid en solidariteit – niet zal plaatsvinden zonder dat we ons kritisch verhouden tot de manier waarop het kapitalisme onze werkelijkheid vormgeeft, zal hij me ongetwijfeld ook een eenkennige fanaat vinden. Dan herinner ik er graag aan dat de god die Paulus aan de Atheners bekend maakte een god was bij wie iedereen welkom was: arm en rijk, slaaf en heer, Jood en Griek, vrouw en man. Het ging er niet om hoeveel macht je in deze wereld had, maar of je bij machte was je een andere wereld voor te stellen.
Op die laatste vraag komt het momenteel opnieuw aan. Ook voor smurfen.
8 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


07-09-2011, om 1:52:27