cover big

Voor het plezier

Tom Van Imschoot

Over Over alles en voor iedereen van Christophe Van Gerrewey

De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen, 2015,
ISBN 9789085426394 / 336p.

(0) reactie(s) - geplaatst op 11-07-2015

Bookmark and Share

Naarmate het schrijven en lezen van literatuur meer naar de marge van onze cultuur wordt verdrongen, wordt merkwaardig genoeg ook duidelijk dat er iets essentieels in op het spel staat. Hun overbodigheid brengt als het ware een kern aan het licht die niet te zien was zolang er veel cultureel gewicht op rustte. Het is alsof de waarde van literatuur – dat aparte contact tussen iemand die schrijft en iemand die leest – met een lichtzinnigheid te maken heeft die pas verschijnt zodra haar culturele waardering verdwijnt, en wel precies omdat de zin van die lichtzinnigheid in een omkering van alle culturele waarden schuilt.

In Over alles en voor iedereen van Christophe Van Gerrewey (1982), een bundeling van vijftig kritische essays met de encyclopedische reikwijdte van het alfabet wat onderwerpen betreft, van Theodor Adorno tot Bart De Wever, duikt alleen al in de titel iets van die lichtzinnigheid op. Hoezo, over alles en voor iedereen? Dit boekje met ‘kritische non-fictie’, zoals Van Gerrewey het noemt? Klinkt dat niet vooral mateloos pretentieus, bijna als een goedkope verkooptruc voor de argeloze consument, op zoek naar een alternatief voor Bill Bryson of de biopic over Stephen Hawking? Van Gerrewey mag dan al een intellectuele wonderboy zijn die even moeiteloos over beeldende kunst, architectuur, literatuur en cultuurfilosofie schrijft als over Michael Jordan, Sonic Youth of krantenbaas Peter Vandermeersch, over alles gaan zijn essays zeker niet. En dat ze voor iedereen zijn, bijvoorbeeld omdat ze voor elk doelpubliek wel iets in petto hebben, is even waarschijnlijk als de kans dat iedereen wegzapt van een WK-wedstrijd van de Rode Duivels om een heruitzending van Container te bekijken, het postmoderne programma dat lang elk tv-gesprek taboe maakte in het Vlaanderen van Hoger Lager.

En toch is het waar. Toch is het Van Gerrewey met die lichtzinnige titel ernst. Toch gaan zijn stukken, via specifieke onderwerpen als Peter Fischli en David Weiss, Gustave Flaubert, Jonathan Franzen, de cartoonist GAL of de stadshal in Gent van Robbrecht Daem Van Hee, over alles en zijn ze, bij wijze van spreken, voor iedereen bedoeld. Die ‘wijze van spreken’ is niet ironisch. Het is letterlijk de spreekwijze van wat we, wellicht bij gebrek aan beter, nog altijd de ‘literatuur’ noemen die hier voor het voetlicht verschijnt: het vermogen om alles wat in de wereld het geval is ter sprake te brengen, op een manier die niemand op voorhand al uitsluit. Hoe marginaal of nichegericht het genre van de kritische essayistiek vandaag ook lijkt te zijn geworden – veel mensen vinden het ‘overbodig’ en zelfs ‘irritant’, geeft Van Gerrewey al in zijn inleiding mee –, toch vindt dat essentiële vermogen van literatuur juist daar wellicht haar meest eigentijdse uitdrukking. De essayist richt zich immers niet tot iedereen die leest, een selectie die altijd gebaseerd is op privileges en die helaas daarom vandaag vaak beperkt blijft tot andere professionele schrijvers en lezers. Hij spreekt in de lezer, die hij in de eerste plaats ook zelf is, net dat aan wat die lezer verbindt met iedereen: niets anders dan de wereld die we delen, de zone waar het private aan het publieke raakt.

Daarom zet Van Gerrewey zich in zijn inleiding zo rabiaat af tegen ‘het alom vereerde en verheerlijkte publiek’, de mercantiele verkaveling van alle mensen in soorten doelpubliek die daarmee gepaard gaat en de wijdverspreide weigering van de zogenaamd geëmancipeerde consument om nog kennis te nemen van wat iemand anders over iets denkt. Daarom benadrukt hij ook nogal fel, tegen de neocorporatistische hang van het literaire wereldje naar objectieve kritiek (maar met het eigen belang als enige objectief), dat hij de literatuur, kunst en cultuur in zijn essays ‘zo subjectief mogelijk’ bespreekt, of dat hij zijn ergernis of kritiek niet onderdrukt maar ‘zo snerpend mogelijk uitvergroot’. Het gaat niet om dat wereldje, maar om een gedeelde wereld. Daarom stelt hij ten slotte ook, met de provocatieve kracht van een subjectieve uitvergroting, dat ‘alles ter wereld bestaat om uit te monden in een kritisch essay.’ Dat is een controversiële uitspraak. Ze lijkt nogal lichtzinnig, als je weet hoe weinig het genre hier voorstelt. Ze kan dus niet anders dan verdelen.

En dat is ook het punt. De wereld verschijnt niet als iets wat we delen door de consensus te bevestigen die erin heerst. Dat gebeurt pas wanneer onder de schijnbaar onverdeelde mening of de common sense een openheid teruggevonden wordt die ruimte schept voor een afwijkende blik, het soort openheid dat eigen is aan de lezer terwijl hij leest en die de kritische essayistiek nu juist vertaalt in een confrontatie. ‘In een gezonde maatschappij mag geen enkele opvatting een algemeen geldende zekerheid worden,’ schrijft Van Gerrewey, in lichte tegenspraak met zijn eigen stelligheid. Op die subversie zint zijn werk.

Omdat het moet

De kritische essayistiek moet dus in essentie (her)verdelen, niet als doel op zich of omdat de essayist zich als expert opwerpt in een of andere materie, maar omdat hij niet anders kan dan stelling innemen, ergens op de open plek tussen de wereld van de tekst die hij diepgaand leest en de tekst van de wereld waarin hij hem al schrijvend terugplaatst. De meest spitante stukken waarin Van Gerrewey zo stelling inneemt, zijn van tweeërlei aard. Een eerste soort, weliswaar verspreid over de hele bundel, viseert de consensus over populaire fenomenen in de actuele Nederlandstalige literatuur. In een stuk over De wolken (2011), de bloemlezing uit het archief van Hugo Claus die Mark Schaevers en Veerle De Wit drie jaar na zijn dood samenstelden, ergert hij zich om tien redenen blauw aan de manier waarop ze niet aanzet om Claus’ werkelijke nalatenschap, zijn literaire werk, te (her)lezen. Nog genadelozer is zijn aanval op het vaak herdrukte Vele hemels boven de zevende (2013) van Griet Op de Beeck, die hij verwijt het slechtste te combineren van een naïeve en sentimentele romanstijl. Hij bekritiseert Dimitri Verhulst op basis van Kaddisj voor een kut (2014) als een schrijver die zich bijna parasitair is beginnen te verschuilen ‘achter andermans miserie’, in weerwil van zijn populariteit en ‘het wrange wonder’ van zijn eigen leven. En zijn bespreking van Natte dozen (2013) van Marnix Peeters (‘een hysterische kloon van Herman Brusselmans’) als ‘een van de slechtste boeken die ooit bij een literaire uitgeverij zijn verschenen’, is ook niet van de poes.

Al deze essays vonden gretig ingang in het literaire wereldje, vooral in het geval van de krantenpolemiek met Peeters, al hoeft daar niet meteen een bewijs van openheid in te worden gezien: deels uit kinnesinne, deels ook omdat Van Gerrewey die inherente vakbroedernijd rond beter verkopende of bekendere auteurs eindelijk eens van stevigere argumenten voorzag op het niveau van de zinnen, de structuur of de inhoud. Keer op keer valt daarin zijn afkeer op voor een inconsistent gebruik van de literaire taal uit effectbejag. De inconsistentie komt immers voort uit een hang naar geloofwaardigheid en directe herkenbaarheid die in laatste instantie de complexiteit van de werkelijkheid zelf geweld aandoet. Lees: verstikt onder clichés die onze alledaagse realiteit sowieso al beheersen en waaruit de literatuur nu juist een uitweg kan bieden. De literaire strijd die Van Gerrewey voert, is dus fundamenteel ideologisch: ze gaat op basis van de taal over wat in onze samenleving als werkelijk wordt aanzien, over het verschil tussen ons beeld van de realiteit en onze ervaring. Toch vind ik deze groep van kritische essays bij herlezen niet de interessantste, hoezeer ik de moed en luciditeit ervan ook bewonder. Daarvoor lezen ze te veel als een toepassing van een denken dat al is gevormd, terwijl ik ‘de ruimte van het essay’ toch ook als een ‘röntgenfoto’ zie van een denken dat zich nog vormt, om een gelukkige typering van Arjen Mulder te citeren. Anders gezegd: hoewel alle kritische essays hier een externe verantwoording hebben, meestal in de vorm van een singulier kunstwerk, raken deze er niet voorbij. Dat wil zeggen: ze helpen Van Gerreweys individuele positionering niet verder te ontwikkelen.

Dat voelt anders bij een tweede soort bijtende kritieken, die opvalt omdat hun publicatie geweigerd werd, allicht omdat de opvatting waartegen ze zich keren te algemeen aanvaard is. In het essay over De Wever, geweigerd door De Standaard, bevraagt Van Gerrewey een verkiezingstoespraak van de N-VA-politicus, enkele maanden voor zijn overwinning in mei 2014. Het moet zijn dat het niet mocht van de opiniepolitie, want de even eenvoudige als systematische manier om vragen te stellen bij tien citaten uit die toespraak is minstens even laagdrempelig en irritant als de gemiddelde tevredenheidsenquête van die krant zelf. Daarmee vormt die weigering ook een treffend tweeluik met het stuk over Peter Vandermeersch, ingestuurd naar en geweigerd door NRC Handelsblad. Van Gerrewey laakt er de ‘irrationele’, op hart en buik gerichte ‘vernieuwings- en verkortingsdrang’ waarmee de generatie van deze (ex-)journalist de laatste kranten van de rede vernietigt: van media-managing naar media-damaging, als het ware. Hier zie je Van Gerreweys alertheid in werking, de zin en de moed ook om zich als een socratische horzel in het hart van een wespennest te storten, zonder angst voor reputatieschade of mediaban, omdat het moet. Hij neemt er even cassant als vanzelfsprekend de lege plek in die Vandermeersch hem wellicht ten diepste benijdt in zijn honger om zelf het nieuws te worden: die van de intellectueel die zijn professionele comfortzone verlaat om ondanks alles in het publiek namens een idee te spreken dat hij voor iedereen van belang acht. Al maakt Van Gerrewey zich geen illusies:

Het zal niets uithalen, maar ik wil mezelf op een toekomstige zaterdagochtend liever zo weinig mogelijk te verwijten hebben. Daarom: Peter Vandermeersch is sinds zijn aantreden op 1 september 2010 begonnen met de totale vernietiging van het NRC Handelsblad.

Evidentie als paradox

Je vraagt je bij het lezen van zo’n stuk af waar je zelf al die tijd aan verspild hebt op zaterdagochtenden in het verleden. Of waar Van Gerrewey de tijd vindt om keer op keer urgent te zijn en tegelijk in alle rust te blijven lezen. Al heeft dat, behalve met levenskeuzes en een gedisciplineerde snelheid van denken, ook met een wisselwerking te maken tussen lezen en schrijven. De geciteerde beginzinnen uit het opiniestuk voor NRC Handelsblad en het pleidooi voor één ‘ouderwetse’ krant in dat stuk zijn bijvoorbeeld een perfecte illustratie van de combinatie tussen ‘illusieloosheid en affirmatie’ waarmee hij leven en werk van Walter Benjamin in een langer essay samenvat. En vanuit die optiek zie je dan weer een lijn lopen naar zijn kritiek op de ‘verloren illusies’ in het werk van Arnon Grunberg sinds De asielzoeker (2003): de aforismen waarmee Grunberg de pijnlijke, verzwegen levensillusies van de westerse middenklasse verwoordt, zijn immers in een vermaak uitgemond dat niets meer affirmeert behalve het nihilisme dat ze als waarheid onthullen. ‘Grunbergs boeken zijn op die manier overbodig geworden, omdat er met zoveel woorden wordt gezegd wat juist moet worden verzwegen als literatuur betekenisvol wil zijn.’ Er is met andere woorden nergens nog interne tegenspraak te lezen. En als er nu iets is wat Van Gerrewey in een oeuvre noodzakelijk acht, dan is het wel dat: een blijvende ontvankelijkheid voor de (eigen) paradox. ‘Bij alles wat wordt beweerd, wordt meteen ook met het tegendeel rekening gehouden,’ heet het lovend over twee nieuwe vertalingen van Adorno, precies vanwege ‘de paradoxale hoop op de blijvende mogelijkheden van cultuur en mens die [zo] te voorschijn komt.’ En in het schitterende stuk over ‘de taal van de kunst’ naar aanleiding van Het communistische postscriptum (2009), trilt zijn echo van Boris Groys alsof hij het over zichzelf heeft:

De filosoof legt paradoxen bloot, maar geeft nooit de indruk zelf niet paradoxaal te worden. Het is precies die ondoorgrondelijkheid, die volgehouden paradoxaliteit, die de filosofie macht kan geven. Elk vertoog zou daarom gebaseerd moeten zijn op het besef dat waarheden en betekenissen niet bestaan. Tegelijkertijd moet dat besef meteen onzichtbaar worden gemaakt door een glans van lichtende evidentie – die vervolgens, precies daarom, autoriteit verleent. Slechts de paradox staat de mens toe om door middel van de taal met zijn levenslot te converseren; en slechts de paradox, de inclusie van twee ver uit elkaar gelegen tegengestelden, verleent de taal en diegene die ze uitspreekt, macht.

Beseffen dat er geen waarheid bestaat en tegelijk toch dat besef onzichtbaar maken door, ‘met een glans van lichtende evidentie’, stelling in te nemen voor (kunst)werken die in hun taal een paradox volhouden: het lijkt me een goede typering van de werkwijze waaraan Van Gerrewey als criticus zelf zijn autoriteit ontleent. Vooral die ‘glans’ is vrij uitzonderlijk, al is dat deels een kwestie van retoriek: Van Gerrewey is er een ongewoon jonge meester in (of een goede leerling van de zijne) om zijn kritische commentaren op een werk via een prikkelende begin- of slotvraag naar een eigen premisse of testhypothese te plooien, niet zelden met als resultaat dat het werk tegen zichzelf wordt gekeerd. ‘Is het mogelijk’, vraagt hij zich bijvoorbeeld af over Don DeLillo, ‘om zijn nieuwe roman Point Omega te lezen alsof het een debuut is?’ En een bezoek aan een tentoonstelling van Marlene Dumas rondt hij af met een vraag die zijn ergernis in de verf zet over het (foto)kritische cliché dat haar werk maar blijft herhalen, en de betekenissen daar omheen. Maar het zet de schilder tegelijk ook in haar hemd: ‘Hebben we Marlene Dumas nodig om keer op keer tot die vrije betekenissen en tot dat ene beeldkritische inzicht te komen? En hoe zou het zijn om een spiegelversie van The Image as Burden te bezoeken, waarin alle schilderijen door de oorspronkelijke foto’s vervangen zijn?’ Hier vervormt de retoriek zo de kritiek dat het werk weerloos achterblijft.

Meestal is het echter de schijnbare vanzelfsprekendheid en de helderheid waaraan de kritieken hun glans ontlenen. De beknopte manier waarop Van Gerrewey erin slaagt om nauwelijks samen te vatten oeuvres bevattelijk te maken, is ronduit indrukwekkend. Hij doet dat, behalve met Adorno, Benjamin en Groys, ook met onder anderen Geert Bekaert, Willem Brakman, Johann Wolfgang von Goethe, Thomas Mann, Javier Marías, Marcel Proust, Bart Verschaffel en Max Weber, vaak met een (her)uitgave of vertaling als specifieke aanleiding. Zo zet hij niet alleen aan om hun werk eindelijk of opnieuw te gaan lezen, hij vertaalt hun complexiteit bovendien zo complexloos naar een eigen vraag over het (goede) leven vandaag dat je alleen al uit zijn lezen iets kan leren over hoe het mogelijk is om je zonder idolatrie met al die meesters te meten. Hij maakt er (weer) tijdgenoten van.

Zijn lezing van Tegen de keer (1884) van Joris-Karl Huysmans is daarvan het meest verfrissende voorbeeld. Hij schuift de traditionele typering van dat negentiende-eeuwse cultboek als ‘decadent curiosum’ als ‘een gemiste kans’ opzij om ‘het paradoxale project’ van hoofdpersonage Des Esseintes juist als een toekomstgerichte levensstrategie aan het begin van de eenentwintigste eeuw voor te stellen. ‘Het doel van dit experiment is na te gaan of het mogelijk is om “het goede leven” te leven zonder thuis weg te hoeven gaan en zonder andere mensen nodig te hebben,’ luidt Van Gerreweys interpretatie. ‘Des Esseintes zoekt, “tegen de keer”, naar een soort “virtuele” realiteit – een extreem private openbaarheid, waarin niet hijzelf centraal staat, maar de cultuur en de verdieping, en alles wat mensen op een diepgaande en betekenisvolle manier kan verbinden?’ En omdat die kritische uitdaging misschien nog nooit ter harte is genomen, terwijl het probleem van zijn narcistische wereldbeeld meer dan ooit het onze is, vraagt hij aan het eind van zijn essay: ‘Wordt het niet tijd om het pseudopublieke leven op te geven? Hebben we ooit geprobeerd om het private leven publiek te maken – niet op een ruimtelijke of stedelijke schaal, maar op de schaal van de menselijke geest en de ervaring?’

Van het goede lezen naar het goede leven wordt zo een kleine stap. De verzamelde kritische essays van Van Gerrewey lezen in hun volgehouden confrontatie met het denken van anderen nog het meest als geestelijke oefeningen in het publiek maken van zijn eigen private leven, als een uiting van zijn zoeken naar een ‘extreem private openbaarheid’ die niet om hemzelf draait maar om het werk waarin hij zich verdiept. Dat klinkt voor de meeste mensen wellicht nogal onwerelds, vooral als opvatting over ‘het goede leven’. Het is alsof het beroemde, misantrope dictum van Blaise Pascal (‘Alle ellende komt voort uit het feit dat mensen niet gewoon thuis kunnen blijven.’) positief wordt omgekeerd en een bevrijdende invulling krijgt: blijf thuis en het goede leven komt vanzelf. Maar de kritieken van Van Gerrewey zijn nergens onwerelds of misantroop. In hun belangstelling voor alles wat het geval is én hun stilistische brille om hele werelden voor iedereen toegankelijk te maken zijn ze net erg consistent. Hun werkelijke paradox ligt volgens mij dan ook, hoe paradoxaal dat ook mag klinken, precies in die extreme consistentie. Van Gerrewey beschikt als schrijver, zoals gezegd, over het uiterst gedisciplineerde vermogen om het meest complexe bevattelijk te maken, een intelligentie die door niets of niemand lijkt te worden geïntimideerd, vermoedelijk omdat ze vertrekt vanuit de besloten openheid van een lezer. Juist door dat vermogen worden zijn eigen twijfels echter weg gefilterd, er duikt nooit een interne tegenspraak op tussen zijn vijftig diverse, kritische essays. Aan het begin van zijn boek noemt hij een lezer ‘iemand die fundamenteel hulp- en hopeloos is, die geen overtuigingen heeft, en wiens kennis is gebaseerd op verschuivende interpretaties en geschiedenissen.’ Zijn overtuigende essaybundel drukt echter het tegendeel uit van die intrinsieke twijfel en hulpeloosheid.

Om die reden, als uitzondering die de regel bevestigt, is een van de mooiste stukken uit de bundel wellicht de lezing die Van Gerrewey voor literatuurstudenten bracht, naar aanleiding van hun vragen bij de lectuur van zijn roman Op de hoogte (2012). Zijn reflectie rond hun centrale bekommernis over het waarheidsgehalte of de echtheid van de roman (‘Is dit boek volledig verzonnen?’) is niet boeiend omdat het de mens toont achter het werk of omdat het de lezers een kijkje gunt in zijn poëticale coulissen. Ze is innemend omdat de vragen hem terug op de hoogte brengen van zijn onwetendheid, door de ontdekking ‘dat de lezer van Op de hoogte zich tot de schrijver van het boek verhoudt zoals de man en de vrouw in het verhaal zich tot elkaar verhouden.’ Als schijnbaar alwetende schrijver van de roman – hij weet zogezegd wat echt is en wat niet – confronteren de vragen van de lezers hem met de paradox van het eigen niet-weten, een onwetendheid over wat echt en wat niet echt is, die even noodzakelijk is voor het lezen als voor de liefde, met name om te geloven dat de ander (de schrijver, de geliefde) een vertrouwelijke en unieke inkijk biedt in iets extreem persoonlijks. De vragen nodigen hem door die paradox met andere woorden uit om, vanuit een oprechte onwetendheid over zijn levenslot (als fictieschrijver), in conversatie te treden met zichzelf. En dat is dan niet alleen wat je in de geschreven tekst van zijn eigen lezing over Op de hoogte ook leest. Het bevestigt tegelijk het besef, zoals Van Gerrewey ergens opmerkt over de boeken van Marías, ‘dat de menselijke geest nog steeds nergens een beter thuis vindt dan in de waarheden die voortvloeien uit de fictie van een roman’. Alleen in de fictie van Op de hoogte zijn uiteindelijk waarheden te lezen (over de liefde, over de stad Gent, …) waarover Van Gerrewey (als persoon) zelf verder niet meer weet (of waarover hij niet beter op de hoogte is) dan iedereen, of om het even welke lezer. ‘De lezer is niets, de schrijver is nog minder, but together, they are quite something,’ heet het hoopvol bij wijze van besluit.

Ondanks alles en iedereen

Het is in die volgehouden conversatie met zichzelf, als lezer en als (fictie)schrijver, dat ik bij wijze van een eigen besluit de meerwaarde van deze bundeling zie ten opzichte van de waarde die de afzonderlijke essays al hadden. Wanneer Van Gerrewey aan de hand van Flaubert (en Erich Auerbachs lectuur ervan) bijvoorbeeld uitlegt dat ‘goede literatuur’ voor hem het beste ‘door een ernstige nabootsing van het alledaagse’ in de taal probeert weer te geven ‘wat het betekent om in leven te zijn’, dan is dat in deze bundel niet zozeer belangwekkend omdat hij in een notendop zijn poëtica uit de doeken doet, als een handleiding voor wie zijn romans leest. Het interessante is dat je ziet hoe die poëtica juist vorm krijgt en vorm geeft aan zijn eigen schrijfpraktijk door een bewustzijn over het leven dat voortdurend wordt aangescherpt door te lezen. Een opmerking uit The Pale King (2011) van David Foster Wallace waarover hij in 2013 een lovende kritiek schreef (‘Een doodsaai boek’) – ‘Again, something big threatens to happen but doesn’t really happen’ – wordt dan ineens een schakel tussen zijn poëticale uitklaring van het onderscheid tussen Madame Bovary (1856) en L’éducation sentimentale (1869) en het centrale non-event van zijn eigen roman, Trein met vertraging (2013). Of je ziet simpelweg hoe de lectuur van de Kosmikomische verhalen (2010) van Italo Calvino zijn inzicht scherpt in de kortzichtigheid van de hedendaagse literatuur(kritiek). ‘In een tijdperk waarin gevaarlijke literatuur gelijk wordt gesteld aan het napraten van het journaal en het herkauwen van onbenullige actualiteiten, zou men – bij voorkeur vanaf de Maan – de gehele aardbol met deze Kosmikomische verhalen moeten bombarderen,’ klinkt het.

De keerzijde van de meerwaarde die ik aan de conversatie tussen lezen en schrijven in deze bundel toeken, is dat de kritische essays over architectuur er tot mijn verwonderde ontgoocheling wat schril bij afsteken. De stukken over Xaveer de Geyter, het MAS in Antwerpen, de stadshal in Gent en Office Kersten Geers David Van Severen zijn weliswaar voortreffelijk geschreven, aanschouwelijk en met kennis van zaken. Maar ze voelen droog en soms zelfs plichtmatig aan, mogelijk omdat de spanning tussen denken en doen hier minder speelt voor Van Gerrewey zelf. Ik had ze in elk geval uit deze verzamelbundel weggelaten. Dat geldt minder voor de andere kunstvormen die slechts in een beperkt aantal teksten behandeld worden – een handvol essays over beeldende kunst, twee teksten over theater (Jan Fabre, Damiaan De Schrijver), een kritische reflectie over de films van Quentin Tarantino, en een stuk over, nu ja, popmuziek (Sonic Youth)… Maar dat komt dan bijna altijd omdat Van Gerrewey bij die kunstenaars in hun specifiek gebruik van taal een insteek vindt om ze kritisch te benaderen – het al te betekenisvolle discours waarmee Luc Tuymans de gebrekkige werking van zijn beelden fixeert en versluiert, de intertekst die de kunst van Cy Twombly zo sprekend maakt… Die talige benadering laat Van Gerrewey toe om de andere kunstvormen op de thema’s te betrekken die ook zijn literaire en cultuurfilosofische kritieken kenmerken – zoals de illusie of het goede leven (in het geval van het ‘wonderlijke’ kijkboek Sonne, Mond und Sterne van het kunstenaarsduo Fischli & Weiss). Het is dan ook jammer dat hij er niet voor gekozen heeft om zijn kritisch werk van de voorbije jaren aan de hand van zulke thema’s te clusteren en zo leidraden te formuleren tussen zijn diverse tussenkomsten. De tekst over Dan Graham, die vindt dat een kunstenaar zich ‘niet in de eerste plaats met beelden maar met ruimtes en plaatsen’ moet bezighouden en die als beeldend kunstenaar zelf ook een kritische praktijk heeft ontwikkeld, had zo bijvoorbeeld een uitnodigende brug kunnen slaan naar de architectuurkritieken.

Het beste voorbeeld van zo’n kritische leidraad werd onlangs nog door Van Gerrewey zelf geformuleerd in een essay in het tijdschrift nY (nr. 25), dat helaas niet werd opgenomen in Over alles en voor iedereen: ‘het verdwijnen van plezier’. Hij leest er de kritische ontvangst van een politiek en historisch explosieve tentoonstelling, Exhibit B (2013), als een tekenend voorbeeld van wat ‘een groot deel van het publiek, tijdens het voorbije decennium [van crisis], van kunst is gaan verwachten’: scherpe kritische uitvallen. ‘Naar kunst kijken, met kunst omgaan, schrijven over kunst, betekent dan: zo snel mogelijk het politieke of maatschappelijke probleem identificeren dat door het kunstwerk wordt bekritiseerd.’ Dat is uiteraard vaak goed bedoeld, maar men instrumentaliseert zo de kunst en de esthetische ervaring, overeenkomstig de kapitalistische logica van rendement, als een nuttige bijdrage aan het bewustzijn rond ‘overbekende, gemediatiseerde en daarom enkel zogenaamd kritische thema’s,’ stelt hij. Het schrijnende gevolg is dat ‘het bestaan van artistiek plezier niet meer wordt getolereerd, wat resulteert in een nog ééndimensionalere samenleving dan reeds het geval was.’ In die context wordt het verdedigen van ‘het plezier van de tekst’, juist omdat het zich niet onledig houdt met politiek en met de organisatie van de samenleving’, volgens Van Gerrewey zelf ‘een diepgaande politieke en geëngageerde daad’. En in die zin is ook Over alles en voor iedereen dat, als uiting van het ‘gigantische plezier’ dat luidens de inleiding voor hem besloten ligt in het lezen van kritische beschouwingen over boeken, films, theaterstukken die hijzelf ook heeft ervaren. Of als poging om door te schrijven iets terug te geven aan het culturele plezier dat hemzelf blijft vormen. Dat kan paradoxaal klinken of onwerelds – er zijn minder cerebrale manieren om ‘plezier’ op te vatten of om een wereld te delen – maar daarop vormen zijn essays keer op keer een antwoord, ‘tegen de keer’. Het plezier van de paradox ligt juist niet in zijn oplossing, maar in de ervaring van zijn onoplosbaarheid.

Dat brengt me bij een onvermijdelijke slotvraag.

Waaraan heeft de hedendaagse Nederlandstalige literatuur een fenomeen als Christophe Van Gerrewey te danken? Aan het kritische klimaat zal het niet liggen. Dat is, paradoxaal genoeg, te kritiek of bedreigd om zijn veelzijdige productie gewoon als een logisch gevolg te beschouwen van de wereld in crisis die we delen. De prijzen die hij meteen al bij zijn aantreden als criticus en romancier heeft verdiend – te beginnen met de ‘Prijs voor Jonge Kunstkritiek’ (2008) en de Debuutprijs 2013 voor Op de hoogte – doen weliswaar het tegendeel vermoeden, maar die onmiddellijke erkenning van zijn onmiskenbare talent heeft ook iets van een vreugdedans om een onverwachte bloem in de woestijn. Het verhult hoe eenzaam zijn positie is en dreigt hem uit enthousiasme te vertrappelen. Ook de moedige bundeling van vijftig essays in Over alles en voor iedereen is in die zin niet onschuldig: de louter alfabetische ordening geeft de indruk zijn kritische kapitaal wat overhaast te willen verzilveren. Maar de sterke essays tonen waaraan Van Gerrewey zijn literaire energie dankt, en wij de zijne: aan het plezier van de tekst, of het nu om literatuur, architectuur, beeldende kunst of om een ander cultureel discours gaat. Dat plezier is oneigentijds, vanuit hedendaags perspectief tegendraads. Voor sommigen is het wellicht een aanleiding om Van Gerrewey weg te zetten als een te late nakomeling van de erudiete traditie van twintigste-eeuwse auteurs waarop zijn denken is geënt: Adorno, Benjamin, Roland Barthes, of zijn rechtstreekse leermeesters Bart Verschaffel en Geert Bekaert, respectievelijk promotor en onderwerp van zijn doctoraat in de architectuur. Maar dit is juister: het is door het radicale plezier dat Van Gerrewey bij die auteurs heeft geleerd dat hij, ondanks alles en iedereen, een toekomst aankondigt, in zijn dubbele rol als romancier en criticus. Het stelt hem in staat een stem te geven aan wat we missen.

0 reacties

Aanmelden

Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?