Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Een filosoof meent een onderwerp ontdekt te hebben dat door al zijn collega’s de voorbije millennia over het hoofd is gezien. Begrijpelijkerwijze prijst hij zich gelukkig en hij neemt zich voor als eerste een boek aan dat thema te wijden. De onderneming draait echter anders uit. Het onderwerp blijkt wel degelijk diepgaand behandeld te zijn bovendien heeft het uiteindelijke boek van de filosoof er nauwelijks iets nieuws over te melden.
Zo valt, als in een parabel, ongeveer samen te vatten wat Emanuele Coccia is overkomen met Filosofie van het huis, een boek dat in 2021 verscheen in het Italiaans, en dat ondertussen in vele talen is vertaald, ook in het Nederlands. Coccia, geboren in Italië in 1976, is een van de zichtbaarste en succesvolste filosofen van de laatste jaren. In zekere zin is hij, na het overlijden van Bruno Latour in 2022, de vaakst geadresseerde internationale denker in tijden van klimaatverandering en ecologische crisis. Bovendien schrikt hij er niet voor terug, zoals Tessa de Vet eerder dit jaar aangaf in een kritisch portret in De Witte Raaf, om deel te nemen aan allerhande culturele en artistieke evenementen, of om bijdragen te leveren aan talloze kunstboeken en catalogi. Meer nog: ‘de bezigheden van Coccia’, aldus De Vet, ‘richten een gegentrificeerd spiegelpaleis op, waarin de commerciële kunst- en modewereld steeds opnieuw, vol zelfgenoegen, de legitimatie krijgt aangereikt van een obsessie met constante vernieuwing’.
Aan die obsessie lijdt Coccia zelf ook, en Filosofie van het huis is er een symptoom van. De Italiaanse filosoof geeft aan dat hij de huizen van mensen, en dus het wonen als activiteit, opnieuw wil definiëren en heruitvinden. Dat verlangen suggereert dat er over het wonen is nagedacht en dat er concepten over ontwikkeld zijn. Desondanks schrijft Coccia in de inleiding: ‘Toch heeft de filosofie altijd heel weinig over het huis gesproken.’ Het is een van de contradicties die aan de basis ligt van dit boek: nooit is er zogezegd ernstig over het huis nagedacht, en tegelijkertijd bestaan er stelselmatig enkel verkeerde opvattingen over.
Dat het huis nooit een filosofisch onderwerp geweest zou zijn, is uiteraard onzin. Hestia was bijvoorbeeld de Griekse godin van de haard en van het huis en zij speelt een belangrijke rol in enkele Platoonse dialogen, ook wanneer Socrates haar als model stelt voor de filosoof die thuisblijft en precies dankzij die stabiliteit wijsheid kan ontwikkelen. Filosofen hebben zich enkel met de organisatie van de stad en de politiek beziggehouden, zegt Coccia, en in steden kan je niet wonen – we wonen immers in huizen. Ook dat is een sofisme van jewelste, want steden zijn niet anders te definiëren dan als concentraties van woningen samen met de voorzieningen, van kerken over ziekenhuizen tot aan supermarkten, waarin de woning niet zelf kan voorzien. In de twintigste eeuw – de eeuw van de middenklasse – is de filosofie dan ook verzadigd geraakt met boeken en teksten over wonen. De psychoanalyse van Sigmund Freud steunt op het onderzoeken van private aangelegenheden en huiselijke conflicten; Walter Benjamin noemde wonen niets minder dan zijn favoriete onderwerp; Martin Heidegger noteerde vlak na de Tweede Wereldoorlog, in volle heropbouwperiode, dat de Duitsers niet kunnen bouwen omdat ze niet weten hoe ze moeten wonen; en hoe zou er een feminisme kunnen bestaan dat niet op een of andere manier patriarchale opvattingen over huiselijkheid ter discussie stelt? Eerder dan op deze ontwikkelingen voort te bouwen, besluit Coccia ze te negeren om zijn eigen filosofie op te trekken, als een splinternieuwe fata morgana.
De keukens van de planeet
Filosofie van het huis bestaat uit een inleiding en een besluit, en daartussen uit twaalf korte hoofdstukken die zakelijk over aspecten of onderdelen van het wonen lijken te gaan – ‘Badkamers’, ‘Kasten’, ‘Huisdieren’ – maar die vaak in andere richtingen uitwaaieren: ‘Liefdes’, ‘Sociale media’ en ‘Witte poeder’, de titel van een hoofdstukje over de ‘psychedelische’ kracht van taal. De methode van Coccia bestaat erin anekdotes te vertellen over zijn wisselende woonsituatie (door persoonlijke en professionele omstandigheden is hij in zijn nog relatief jonge leven al dertig keer verhuisd), maar ook over zijn kinderjaren of over zijn dochter. Deze uit het leven gegrepen ervaringen zijn zelden herkenbaar of algemeen te noemen, al was het maar omdat niet iedereen een wereldberoemde filosoof is die aan vele instituten les heeft mogen geven en meerdere invitaties per dag ontvangt. Toch moeten de ontboezemingen over zijn ervaringen Coccia in staat stellen om krachtige uitspraken te doen en wensdromen of dictaten uit te spreken. Iets ‘moet’ omdat Coccia het zegt.
Zijn afkondigingen lijken inderdaad iets nieuws voor te spiegelen, maar dan vooral omdat er moeilijk een redelijke invulling aan valt te geven. Deze ‘metafysische theses’, om opnieuw De Vet te citeren, zijn zonder uitzondering overweldigend en ze komen inderdaad tegemoet aan het irrationele verlangen dat zo typerend is voor de huidige tijd: alles moet anders, want alles wat de mensheid de voorbije twee millennia heeft gedaan was ronduit verkeerd. Het moet mogelijk zijn, zo suggereert Coccia meermaals, terug te keren – individueel of collectief, peu importe – tot een betere levenswijze die voorafging aan al die vergissingen en verkeerde denkbeelden. Het maakt hem tot een welgekomen kruising van een messias en een sjamaan – iemand die met bovennatuurlijke krachten een vaak ook bovennatuurlijke toekomst voorspiegelt, en die meteen ook pretendeert als eerste en als enige de waarheid in pacht te hebben.
Op iedere bladzijde van Filosofie van het huis duikt minstens één zin op die duidelijk maakt dat we anders moeten gaan wonen. Al die zinnen samen zouden een aforismenbundel kunnen vormen, materiaal voor een scheurkalender of quotes voor op Instagram. ‘We zouden moeten leren de gedachte aan wonen in één enkel huis te verafschuwen en onderling van huis moeten ruilen, net zoals we met kleding doen, elkaars huizen betreden zoals we elkaars kleding aantrekken.’ ‘Uiteindelijk zou het huis van de toekomst moeten lijken op een radicale uitbreiding van de logica achter Airbnb.’ ‘In plaats van het bed te isoleren in geheime en ontoegankelijke kamers – en te blijven doen alsof de nachtelijke ineenstortingen van het ego een incident zijn – zouden we moeten leren om steden opnieuw te bedenken en te herstructureren op basis van deze machines van psychische afwisseling en omschakeling.’ ‘We zouden moeten leren om huizen te bouwen waarin we niet meer weten of we mensen zijn of kanaries, katten of planten.’ Of met de laatste twee zinnen van dit boek: ‘Het huis van het verleden was een onderscheidende machine, maar zal in de toekomst een collectieve discipline van vermenging moeten worden: vermenging van klassen, van identiteiten, van volken en culturen. Huizen zullen de keukens van de planeet zijn: daarbinnen zal de Aarde een nieuwe smaak moeten vinden.’
Het is dan ook in het hoofdstukje over keukens dat Coccia het helderst of alleszins het brutaalst wordt. De geciteerde zinnen laten het misschien niet vermoeden, maar het zou niet eerlijk zijn om te suggereren dat zijn denken geen coherent fundament heeft. De vitalistische basisgedachte is dat alle leven op aarde met elkaar verbonden is en ook voortdurend in elkaar transformeert. Alles wat bestaat, is eigenlijk een variatie of een metamorfose van iets anders wat al eerder bestond. Onderscheid aanbrengen, verschillen installeren, grenzen markeren, tijdperken afbakenen, identiteiten definiëren – het zijn al te menselijke, rationele en moderne neigingen, die veel onheil aanrichten, omdat ze de ware aard van het leven miskennen en die daarom beter achterwege blijven.
‘Ik kon jarenlang niet koken’, geeft de filosoof grootmoedig toe, maar hij maakt er meteen ook een algemeen menselijk gebrek van. We kunnen nog niet koken, omdat we nog niet afdoende beseffen wat koken is, namelijk een basismetafoor voor alle levensprocessen op aarde.
Koken betekent niet alleen dat we de dingen om ons heen transformeren, maar vooral dat we onze eigen metamorfose in gang zetten en voorbereiden via datgene wat we hebben gesneden of gehakt, geraspt of fijngemalen, gestoofd of gefrituurd, gekookt of gegrild. Het is een afspraak waartoe niet gerelateerde delen van het universum worden opgeroepen, en die delen zullen nadien nooit meer dezelfde aanblik, vorm of beleving hebben. Elke maaltijd is een wederzijdse inwijding in een mysterie waaraan het hele universum kan deelnemen.
Het zorgt er volgens Coccia voor dat de keuken niet langer exclusief menselijk is.
Varkens, kippen, runderen, tarwe, cacao, koffie, maïs, hazelnoten, peren, appels, bananen, sla: de meest uiteenlopende levens ontmoeten elkaar op één enkele plek op de wereld om atoom voor atoom de materie van ons lichaam te vervangen. In deze ruimte bekennen we dat we niets menselijks hebben: we reïncarneren als vreemde monsters van Frankenstein door het leven van lammetjes, peren, asperges en eekhoorntjesbrood. We nemen hun vlees of laten hen voortleven via ons lichaam en onze vorm: we zijn kosmische slagerijen waarin tientallen verschillende soorten sterven en in andere vormen herrijzen.
In deze passages wordt terloops nog iets anders ontmaskerd. De indruk zou kunnen ontstaan dat Coccia de ultieme filosoof is voor het post-antropoceen, als de denker die eens en voor altijd een theorie ontwikkelt ter meerdere eer en glorie van werkelijk het hele leven op ‘Aarde’, inclusief het leven van de aardbol zelf. Op het eerste gezicht lijkt hij dat ook te doen, door te filosoferen over de continuïteit van materie en over vormen van leven die nooit echt verloren gaan – de asperges worden geplukt en de kip wordt geslacht, maar ze leven voort als brandstof voor een ander metabolisme. Het gastronomische voorbeeld, hoe metaforisch het ook wordt opgevat, onthult echter dat Coccia het antropocentrisme ten top voert eerder dan het af te voeren. In keukens zijn het immers altijd mensen die achter het fornuis en het kapblok staan. Kippen hebben geen keukens en ze koken niet. In een keuken wordt al het niet-menselijke leven ondergeschikt gemaakt aan het leven van de mens, aan de continuïteit en het genot ervan.
Coccia’s redeneringen dienen dus vooral om het menselijke bestaan te rechtvaardigen. ‘Er bestaat,’ zo schrijft hij in een hoofdstuk over bossen en tuinen, ‘tussen alle soorten een perfecte gelijkwaardigheid’, maar het neemt niet weg dat zijn filosofie van het huis een rechtvaardiging vormt voor de menselijke aanwezigheid op aarde. Herhaaldelijk doet hij pogingen om het tegendeel te bewijzen, om duidelijk te maken dat ook hij natuur, dier en mens op één lijn zet, zoals dat vandaag al te makkelijk wordt verwacht. In het hoofdstuk over huisdieren noemt hij ‘het hedendaagse huis in de eerste plaats een actieve genocide van alles wat niet tot onze soort behoort’. Het is een definitie die slechts ten dele klopt, omdat huizen altijd boordevol onzichtbaar leven zitten, en waar hij bovendien niets zinnigs tegenover weet te stellen, behalve dan een zoveelste imperatief: ‘Het huis moet de ruimte worden waarin we willekeurig leven kunnen bevrijden, zonder enige verder bepaling.’ Wie leest wat hier staat en het ernstig neemt – moet die zich voorbereiden op samenhokken met palingen, dineren met tijgers, douchen naast een bijenzwerm?
Gelukkig zijn
De ondertitel van Filosofie van het huis is Huiselijke ruimte en geluk. Geschreven tijdens de pandemie van 2020 – ‘Toen ik aan dit boek begon, had ik niet het minste vermoeden dat de hele planeet zich maandenlang in huis zou gaan opsluiten,’ zegt Coccia in het dankwoord – biedt dit boek zich op het eerste gezicht aan als een kritiek van de huiselijke quarantaine, terwijl het er uiteindelijk een lofzang op wordt. Doordat zijn eisenpakket over andere huizen zo idealistisch, abstract en imaginair blijft, suggereert Coccia vooral dat er weinig mis is met het huidige wonen, op voorwaarde dan dat er zo wild en vrijblijvend mogelijk over wordt gefantaseerd.
‘Alles is al goed zoals het is’ – dat is de bastoon van dit boek, geneuried door een filosoof die zijn wijsheid schraagt op een nietsontziend positivisme over de mensheid. Dat blijkt vooral uit het hoofdstukje over ‘Sociale media’ – niets minder dan een door covidkoorts ingegeven ode, op het cynische af. Facebook noemt Coccia ‘een gekke vorm van een draagbaar paradijs waarin iedereen zijn eigen Adam of Eva kiest’. ‘Instagram of WhatsApp zijn de droom van een vreemde vorm van een virtueel kloosterleven.’ Samenvattend: sociale media zijn ‘een soort collectieve openluchtroman waarin iedereen tegelijkertijd auteur, personage en lezer is van hoe zijn of haar leven verweven raakt met dat van anderen’.
Natuurlijk is het dapper en noodzakelijk om cultuurpessimisme te vermijden en om positieve interpretaties te ontwikkelen van fenomenen die verondersteld onvermijdelijk zijn, daarin berust de waarde van het denken van Coccia en meer nog de populariteit ervan. Even onverstoorbaar als voorwereldlijk toont hij hoe toverachtig en weldadig het nog steeds kan zijn, alles wat de mensen doen. Maar wat voor een tunnelvisie vergt het niet om de vele negatieve aspecten van sociale media onbelicht te laten, om alle historische, economische en technologische verschillen te veronachtzamen ten voordele van probleemloze continuïteit? Dezelfde menselijke cultuur die ooit het klooster en de roman bedacht, bewijst opnieuw de eigen intrinsieke goedheid door oude vormen te laten metamorfoseren in hedendaagse technologie! Achter de belofte van vernieuwing gaat in dit boek een geruststellende bevestiging schuil: niets verandert ooit echt en alles mag blijven zoals het is.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.