Poëzie, Recensies

Zwak!

Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver

Notities bij John Baldessari

Dirk van Bastelaere

‘Een hernieuwde reflectie op de vraag naar het “zelf”, dat steeds minder ruimte krijgt om “zwak” te zijn’ – daar stuurde Daniël Rovers op aan, als conclusie van een essay over het oeuvre van de Belgische dichter Dirk van Bastelaere (1960), gepubliceerd in de bundel Bunzing uit 2005. Wat is een zwak zelf? Het is een individu dat zich bewust is van de relativiteit van iedere keuze. Vooral gaat het om een subject dat er ernstig aan twijfelt of het een subject is. In plaats van een man of een vrouw uit één stuk, treedt een mens naar voren met contradictorische en tijdelijke eigenschappen, die het niet zo goed weet, ook omdat de buitenwereld zich voortdurend opdringt en elke zekerheid aan het wankelen brengt.

Een dergelijke analyse van de condition humaine wordt als postmodern omschreven, maar is ook ‘gewoon’ modern. Het is vooral de ontwikkeling van media en technologie die deze crisis van het zelf veroorzaakt: we worden, in toenemende mate sinds het midden van de negentiende eeuw, aan splinters gebombardeerd met informatie, producten, gebeurtenissen, uitspraken, adviezen, opinies en beelden die elkaar eindeloos opvolgen, zodat het moeilijk wordt om te onderscheiden wat belangrijk en wat nutteloos is. Het gevolg: we weten niet meer wie we zijn, net zoals we niet meer kunnen achterhalen wat we willen of wat goed voor ons is. Zoals Ger Groot het samenvatte in een tekst uit 1988 over ‘het zwakke denken’ van de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo: ‘Noch over de wereld, noch over onszelf bezitten wij ooit een uitputtende waarheid.’

De consequenties zijn verstrekkend en moeilijk – omdat ze complex en theoretisch zijn, maar ook lastig en persoonlijk. Vooral hebben ze met taal te maken, want het woord ‘ik’ wordt er problematisch door. ‘Ik’ bestaat niet want ‘ik’ besta niet – ik ben slechts een optelsom van de invloeden die onophoudelijk op mij inbeuken. Als ‘ik’ spreek, dan zijn het al die invloeden die het woord proberen nemen – alle taal die in mij ontstaat is taal die ik eerder heb gehoord of gelezen. Authenticiteit is onmogelijk: wie schrijft of spreekt is een doorgeefluik van het oneindig aantal frasen, woorden en uitroepen dat rondzweeft – en sinds de uitvinding van (draadloos) internet gebeurt dat letterlijk, en bovendien wereldwijd. Teksten die door AI of door Large Language Models worden gemaakt zijn wat dat betreft niks nieuws of origineels, behalve dat de productie ervan aan automaten wordt uitbesteed.

Om het al te eenvoudig samen te vatten is de poëzie van Dirk van Bastelaere een vertaling of een explicitering van deze situatie. In zijn gedichten neemt het zwakke subject het woord, en dat is om twee redenen makkelijker dan het lijkt. Een zwak subject is niet sterk genoeg om het woord te nemen – een zwak subject wordt genomen door de taal, dus hoe zou het dan aan de basis van poëzie kunnen liggen? De poëzie van Van Bastelaere omschrijven als de ‘dichtkunst van het zwakke subject’ is echter ook contradictorisch omdat weinigen de auteur ervan als zwak zouden beschouwen. Van Bastelaeres essaybundel Wwwhhoooosshhhh uit 2001 is een van de meest polemische boeken uit de Nederlandstalige literatuur, waarin de auteur de maat neemt van dichters die wel menen zich als ‘sterke subjecten’ te kunnen gedragen, omdat ze hun emoties en ideeën niet alleen menen te kennen maar ze ook nog eens verkondigen, en daarbij de taal beschouwen als een vanzelfsprekend instrument – iets wat Van Bastelaere echter zelf ook doet in zijn hoedanigheid van essayist en criticus. Het leidt tot een ‘botsing tussen poëzie en poëtica’ die door Gaston Franssen als ‘desastreus’ werd omschreven, en die inderdaad doet denken aan de paradox van Epimenides, de Kretenzische filosoof die met overtuiging beweerde dat Kretenzers altijd liegen.

Dat de zwakte van het subject zo sterk mogelijk bevestigd wordt is niet de enige onmogelijkheid die typisch is voor deze dichter. Wat zijn werk nog interessant maakt, is het geproclameerde sociale aspect ervan – de ondertitel van Wwwhhoooosshhhh is niet toevallig Over poëzie en haar wereldse inbedding. Het zwakke subject is een sociaal wezen omdat het niet narcistisch is. Als het in de spiegel kijkt, dan ziet het zichzelf niet, laat staan dat er een spiegelbeeld verschijnt dat bewonderd, beschreven of beklaagd kan worden. Het is zoals Dale Cooper die in een beroemde scène uit Twin Peaks van David Lynch de spiegel met zijn voorhoofd kapot beukt en het grijnzende gelaat van Bob ziet verschijnen, of het is zoals John Ashbery schrijft in Self-Portrait in a Convex Mirror – een lang gedicht dat Van Bastelaere analyseert in Wwwhhoooosshhhh:

 

… This otherness, this

            ‘Not-being-us’ is all there is to look at

            In the mirror, though no one can say

            How it came to be this way.

 

Waarschijnlijk verrassend is dat deze onzekerheid solidariteit tot stand kan brengen met andere mensen. Wat ons verbindt is dat we niet met onszelf samenvallen en aan twijfel en tegenspraak zijn overgeleverd. Eerder dan klassieke inleving, empathie of herkenning, is er sprake van het tegendeel: het universele komt niet tot stand dankzij gedeelde eigenschappen, gevoelens, trauma’s of identiteiten, maar net dankzij de vaststelling dat eigenschappen niet te fixeren zijn – het enige echte trauma waar we allemaal samen onder lijden. Omdat de aanwezigheid van anderen daar voortdurend aan herinnert, kunnen mensen elkaar verhinderen om sterke subjecten te worden, op voorwaarde dat ze met elkaar rekening houden.

 

Een intellectuele dichter

Als Rovers in 2005 dus schreef, naar aanleiding van de poëzie van Van Bastelaere, over een zelf ‘dat steeds minder ruimte krijgt om “zwak” te zijn’, dan signaleerde hij ook, kort na de eeuwwisseling, een veranderend politiek en cultureel klimaat, en een ‘politiek buiten’ dat steeds minder te negeren valt. Het is alsof het arme, geteisterde subject het na de eeuwwisseling niet meer uithield, en zich zodanig in het nauw gedreven voelde dat er maar één ding op zat: terugslaan en weer sterk worden. In elk geval installeerde er zich even stelselmatig als wereldwijd een meer identitair denken, binnen een maatschappij en een aandachtseconomie waarin subjecten worden aangezet om inderdaad scherper te worden, om hun contradicties en onzekerheden te vergeten of althans te verbergen en om hun eigenschappen duidelijker en sneller in de verf (en in de markt) te zetten. Literair leidde het tot de aanzwellende tendens om meer autobiografisch te schrijven én te lezen, vanuit de aanname dat het subject weer tot leven is gekomen en dat het bovendien zonder enige problemen over een transparante taal beschikt om zich mee tot uitdrukking te brengen. Daar was ik weer, met andere woorden, en dat ‘ik’ kon ook steeds meer expliciete overtuigingen verkondigen en zich volgens die overtuigingen engageren.

Het leidde, pakweg vanaf 2008, tot een ondertussen klassiek geworden kritiek op het ‘postmodernisme’: de crisis van de moderniteit is verworden, om bijvoorbeeld een tekst van Sven Vitse uit 2012 te citeren, tot een ‘uitgangspunt voor een lichtvoetig en ironisch spel’ dat leidt tot een al te makkelijke acceptatie van ‘de crisis als inherent en onoverkomelijk onderdeel van elk systeem’. Prat gaan op het cultiveren van een ‘zwak zelf’ wordt vanuit die optiek als naïef beschouwd, als geprivilegieerd of als onverantwoordelijk en oneerlijk, en als politieke vaandelvlucht. Vooral wordt het ‘zwakke zelf’ geassocieerd met een periode die ergens eind jaren zestig begon en die onherroepelijk voorbij is. Conform de nieuwe dominante logica, krijgt het alsnog de persoonlijke identiteit aangemeten van de auteurs die erover schreven of die het tot uitdrukking wilden brengen. Om kort te gaan: er zijn ondertussen heus ernstiger problemen dan de theorietjes van wie zich kan bezighouden met pakweg de ‘paratactische logica’ van het essayistische denken. Of nog anders: ‘Er is een klasse van intellectuelen die graag baadt in de weldadige postmoderne leegte.’

Deze laatste kritiek, op de poëzie en de positie van Van Bastelaere, werd in 2015 geformuleerd door Frank Keizer, kort na het verschijnen van Fallicornia bij Druksel. In een reeks brieven aan Van Bastelaere gepubliceerd in nY schreef Keizer dat deze bundel ‘ook in 1994 geschreven had kunnen zijn’, als ‘een dichtbundel die uit een la lijkt te zijn gerold, een tijdscapsule’, met poëzie ‘die is geschreven in een gecodificeerde, hoog symbolische taal, waar niets uit lekt, die niet doorlaatbaar is, alleen geschikt om mee te bingoën’, ‘juist omdat er niets op het spel staat’. Het was een polemische afwijzing die voortkwam uit de poëtica van Keizer, die inderdaad haaks lijkt te staan op die van Van Bastelaere. En toch was er minstens gedeeltelijk van vadermoord sprake, wegens de dominante positie van Van Bastelaere in de poëziegeschiedenis tot kort voorbij de eeuwwisseling, maar ook gezien de bewust prozaïsche, sterk theoretische passages in recenter werk van Keizer.

Om het allemaal nog complexer te maken werd Van Bastelaere van 2014 tot 2016 woordvoerder van de rechts-conservatieve partij N-VA – een aanstelling die, samen met de politieke implicaties ervan, uitgebreid aan bod kwam in de kritische brieven van Keizer. Volgens Van Bastelaere was er nochtans niets aan de hand, aangezien hij een ‘duidelijke lijn’ zag tussen zijn oeuvre als kunstenaar en zijn werk daarnaast: ‘Ik zou mijn literatuur nooit voor een politieke kar willen spannen. Poëzie laat zich niet opsluiten in een finale betekenis.’ Volgens Keizer was deze Brotjob echter in hoge mate betekenisvol: alles is immers politiek en gepolitiseerd, en wie het omgekeerde beweert, maakt zichzelf wat wijs, en gelooft in een ‘dichterlijke vrijheid’ die niet bestaat. Meer nog: leidt het nihilistische postmodernisme van Van Bastelaere niet automatisch tot een omarming van het neoliberalisme en de vrije markt als enige grote, overgebleven verhaal? De ware aard van zijn poëzie, zijn poëtica én van zijn politiek werd in 2014 voor iedereen zichtbaar toen hij op de payroll van de N-VA ging staan – wat Keizer leidde tot de suggestie hem te omschrijven als ‘een vermoeide neoliberaal’.

Of dat klopt is, opnieuw, niet zeker. In het vaak verwarrende gescherm met politieke etiketten – de schijnbaar ongedaan gemaakte scheiding tussen betekenaar en betekenis – lijkt het alleszins opmerkelijk dat, in de afkeer voor deconstructie en postmodernisme, niet zozeer Van Bastelaere en de N-VA elkaar kunnen vinden, als wel Keizer en Bart De Wever, toch nog steeds de enige echte woordvoerder van die partij en ondertussen, in Vlaanderen, al meer dan twintig jaar de meest dominante stem. (Dat de argumenten van een dichter en een politicus probleemloos met elkaar vergeleken kunnen worden – het zegt veel over het primaat van het politieke denken, dat zowat alle andere kennisgebieden en vocabulaires gedurende de afgelopen twintig jaar verdrongen heeft.) Tijdens een recente boekvoorstelling van het laatste deel van de ‘essayistische’ trilogie van De Wever – Over welvaart (2026), volgend op Over woke (2023) en Over identiteit (2019) – maakte hij nog maar eens duidelijk hoezeer zijn politieke project is terug te brengen tot niets minder dan een contrarevolutie tegen het postmodernisme. Zo noemde hij het ‘nefast’ dat we ‘al vijftig jaar’ ‘in intellectuele kringen’ afscheid hebben genomen van ‘nationale identiteit’ en ‘inclusief burgerschap’ – noties die ‘we hebben afgebroken, gedeconstrueerd’. ‘Als je niet meer gelooft in wie je bent, niet meer trots bent in waar je vandaan komt, dan verlies je ook je vooruitgangsgeloof.’

Voor alle duidelijkheid: de politieke overtuigingen van Keizer zijn diametraal tegenovergesteld aan die van De Wever, die de denkfout maakt – heel handig voor hem en zijn partij – de neoliberale economische deregulering die sinds de jaren tachtig toeneemt (en die hij desondanks wil versterken om zogezegd ‘de welvaart’ te garanderen) te verbergen achter een kritiek op het filosofisch postmodernisme. En toch is het zo dat zowel de politicus als de dichter, vanuit tegenoverstelde posities en vanuit andere disciplines, het spook van het postmodernisme bekritiseert met als doel een toekomstgericht project te definiëren. Die projecten zijn, nogmaals, totaal verschillend, maar ze onderschrijven één ding: het moet nu eindelijk eens gedaan moet zijn met dat cultiveren van het ‘zwak subject’! Sterk moet het subject weer worden, omdat langs de ene kant alleen op die manier nationalisme mogelijk wordt (als dekmantel voor een ultraliberale oligarchie), of omdat, langs de andere kant, alleen op die manier naar een nieuwe en progressieve collectiviteit gezocht kan worden.

 

Pistolen

Wat heeft dit alles nog met de poëzie van Dirk van Bastelaere te maken? Zijn werk werd jarenlang bekritiseerd als poëzie die slechts theorie of filosofie zou verklanken, zodat de gedichten op de tweede plaats komen. Gezien de lange inleiding zal deze recensie van zijn recentste bundel daar weinig aan verhelpen. Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver verscheen eind 2025 bij het balanseer, met als ondertitel ‘Notities bij John Baldessari’. Het boek kwam tot stand op uitnodiging van Bozar in Brussel, bij een overzichtstentoonstelling van het werk van deze kunstenaar. Net als in zijn eerder werk zijn het beelden, en meer bepaald artistieke beelden, die poëzie mee tot stand helpen brengen.

Van Bastelaere vertrekt, in het openingsgedicht ‘Geologie en pistolen’, letterlijk bij de naam van de Amerikaanse staat waarin Baldessari woonde en werkte: Californië. Het gedicht vangt aan met een vertaling van ‘Californië’ in verschillende talen, maar ook in verschillende tekensystemen, inclusief de fonetische schrijfwijze. Dan volgt, na een witregel, een zin die voornamelijk in het Duits is opgesteld – ‘Weil du dich area in spanish nichts mit beach kalifornien ja california california state of california promo videos und autounternehmens’ – en deze alinea:

 

Een naam een conventie, als een fluctuerend verhaal

            op een landkaart, handgeschreven

            in de geografie als een pedagogisch systeem,

            bestuurlijke zones in een landschap. Er is in Californië een toeloop van

            tekens, data, late

            gedomesticeerde dieren en hier en daar een ratelslang onder palmbladeren, observaties buiten

            het systeem en meer beelden per seconde.

 

Van bij aanvang wordt opnieuw duidelijk dat taal binnen dit poëtisch universum niet vanzelfsprekend kan zijn: elk woord is een ‘fluctuerend verhaal’ waarvan de betekenis niet vaststaat. De Amerikaanse staat Californië is een verhevigd en geconcentreerd pars pro toto voor de hedendaagse wereld, waarin zich ‘een toeloop van tekens’ voordoet, maar waarvoor ook geldt: ‘De ruis overstemt het signaal.’ Tegelijkertijd is Californië een onwaarschijnlijke mengvorm tussen natuur en cultuur, tussen prehistorisch landschap en menselijke aanwezigheid, of tussen – zoals de titel van het openingsgedicht aangeeft – geologie en pistolen. Er zijn weinig gebieden ter wereld die zodanig ‘ongerept’ en vermenselijkt tegelijkertijd zijn: de meest gesofisticeerde steden als Los Angeles en San Francisco (inclusief trouwens ook Silicon Valley als het digitale ‘hoofdkwartier’ van de wereld) bevinden zich vlak bij woestijnen, gletsjers, meren en stranden.

Deze schizofrene context is bepalend voor Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver. Wat dat vooral impliceert is dat het om een context gaat die niet te hulp schiet door te contextualiseren. Californië helpt niet of nauwelijks om een fenomeen te duiden of te begrijpen, gewoon omdat het zich in Californië bevindt. ‘De deixis is altijd sukken,’ schrijft Van Bastelaere, maar ook, even voordien: ‘Wat jij hier / penetrant noemt, komt elders vandaan.’ De taalkundige term deixis wijst op het geheel van taalmiddelen waarmee uitingen verankerd kunnen worden – met het woordje hier als bekendste voorbeeld. Het probleem is echter dat dergelijke verankeringen nooit echt zijn omdat ze nooit helemaal te verifiëren vallen: waar is ‘hier’, immers, en wat is het precies? ‘De deixis is sukken’: dat we moeten terugvallen op deixis om taal te begrijpen is moeilijk en vervelend, en als instrument blijkt het niet eens te voldoen – iets wat ook danig suckt omdat het enkel verwarring met zich meebrengt. Vandaar ook de volgende regel: ‘De aarde kan zich elk moment onder je voeten openen – daar hebben we Californië niet voor nodig’. Waar we, binnen deze bundel, Californië wel voor nodig hebben is voor de bewerkstelling van dat meer algemene en nooit plaatsgebonden besef: dat we altijd weer tot het inzicht kunnen komen dat onze inzichten ficties zijn.

‘Transport als linguïstisch probleem,’ schrijft Van Bastelaere. ‘Ook voor de man die stippen op gezichten schildert?’ Die man is John Baldessari, die als kunstenaar inderdaad gezichten achter gekleurde stippen is gaan verbergen – meer bepaald vanaf 1985, zoals hij aangaf in een interview met Ann Cesteleyn dat recent in De Witte Raaf werd gepubliceerd. Belangrijk is bovendien dat deze gezichten reeds bestaan, net als de afbeeldingen waarvan ze deel uitmaken. ‘Als een beeld al bestaat,’ aldus ‘Geologie en pistolen’, ‘hoef je geen nieuw te maken.’ Het is het uitgangspunt van de deconstructie als kritische theorie – eerder dan zelf iets uit het niets op te bouwen, is het beter bestaande constructies te ontmantelen – maar het is ook de levenshouding van het zwak subject. Volstrekt nieuwe beelden tot stand brengen is onmogelijk, dus is het beter om de pretenties van bestaande beelden aan het wankelen te brengen, ook door ze met elkaar te confronteren. Dat deed Baldessari bijvoorbeeld in het werk Kiss/Panic uit 1984: tien zwart-witfoto’s van handen die een geweer vasthouden, gepositioneerd rondom een close-up van twee paar lippen en een foto van straatprotesten. Het leidt tot de voorlaatste regel in het openingsgedicht van Van Bastelaere, en ook tot de titel van de bundel: ‘Een revolver in een vierkante opening is een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver’.

Vierkanten bieden zich ook aan in het volgende gedicht, ‘No paragraphs on Instagram for John Baldessari’. Instagram is immers een ‘sociaal medium’, in California ontstaan, dat het mogelijk maakt om vierkante afbeeldingen te delen, al dan niet van tekst voorzien. Voor Van Bastelaere is het een aanleiding tot kritiek: ‘Je weet zo dat het fout afloopt, de wereld als vierkant.’ Het is een formulering die doet denken aan Schopenhauers De wereld als wil en voorstelling maar ook aan Houellebecqs De wereld als markt en strijd, en die aangeeft hoe verstrekkend en alomvattend het wereld- en mensbeeld is dat Instagram installeert, opnieuw verwijzend naar algemenere verschuivingen die zich maatschappelijk voltrekken. Het ‘ronde’ subject dat op Instagram verschijnt, in de portretfoto die hoort bij een profiel, wordt ‘het handelend vermogen’ toegedicht ‘van een personage op zoek naar een sponsor. De eenvoudige fictie, die er altijd was.’ Dat mensen een figuurlijk afgeronde identiteit hebben: het is een eeuwenoude wensdroom die dankzij Instagram letterlijk werkelijkheid wordt. Ook dat blijkt dus een antwoord, geformuleerd door big tech en Silicon Valley, op de uitnodiging tot ‘een hernieuwde reflectie op de vraag naar het “zelf”’ – dit zelf is zeker niet zwak (want dan zou het zich niet afbeelden of aanprijzen zonder enige vorm van zelfreflectie), maar dat het echt sterk zou zijn is ook een illusie, zoals alleen al blijkt uit de laatste regel van dit gedicht, als een opsomming van barrières die de handelingsvrijheid van Instagramgebruikers inperken: ‘Shadow ban, contentschendingen, community standards, caught in 4K. Importtarrieven. Controle. Keys to the square world as words.’

‘No paragraphs on Instagram for John Baldessari’ geeft aan, net als deze bundel in het geheel, hoe het onderwerp van de poëzie van Van Bastelaere evolueert – iets wat in mindere mate gezegd kan worden van het werk van Baldessari, zoals Nadia de Vries aangaf. De methode blijft die van de semiotiek, de beeldkritiek en de deconstructie, maar er spreekt een inhoudelijke verschuiving uit de aandacht die aan een fenomeen als Instagram wordt besteed. Daarnaast is er een stilistische of eerder vormelijke evolutie, die enerzijds maakt dat klassieke versbouw bijna volledig afwezig is, maar ook dat er leestekens opduiken die traditioneel nauwelijks in dichtbundels zijn terug te vinden, zoals vierkante haken (die de ingreep symboliseren van een ‘sterkere’ instantie die niet met de ‘zwakkere’ auteur samenvalt), schuine strepen of slashes (die aangeven dat er een nieuwe regel zou moeten beginnen zonder dat het gebeurt), doorhalingen (die een term als onbruikbaar doorstrepen maar desondanks, bij gebrek aan beter, toch leesbaar houden) en ‘oplijstingen’ met bullet points (die een reeks eigenschappen aangeven in willekeurige volgorde, inderdaad zoals AI dat doet).

Wat hetzelfde blijft is een analyse én een demonstratie van wat taal aanricht – van de even gigantische ambities van de taal, van beelden en van teksten, zowel voor elke mens als voor de wereld, net als van de meestal onbedoelde gevolgen ervan. Zoals in dit fragment, uit het gedicht ‘Vier statements niet door John Baldessari’:

 

De restbestanden. De gluurder / De vader bij de kerstboom / De lifter in het toxisch blauw van de regen / De hangende man (schrappen wat niet past), houdt op een individu te zijn en wordt in plaats daarvan een substituut voor afwezigheid zelf, waarmee wordt bewezen dat identiteit in beelden nooit over het subject gaat, maar over de wanhopige behoefte van de kijker om te reconstrueren wat is ontnomen.

 

Het is een opsomming van beelden en scènes, ontleend aan het oeuvre van Baldessari, die worden ingezet in een filosofische uiteenzetting over de onmogelijkheid van foto’s om iets of iemand aanwezig te stellen en over de vaststelling dat beelden, net als trouwens ook woorden, altijd veel meer wegnemen dan ze lijken te geven. Maar het gaat ook over het al te menselijke verlangen over een identiteit te beschikken, vooral als we kijken – de wil een sterk subject te zijn, gecounterd door het pijnlijke inzicht ondanks alles zwak te moeten blijven, gewoon omdat het tegendeel een verloochening zou betekenen van elk kritisch zelfinzicht.

 

Waarom?

Tot slot, en met woorden ontleend aan een blogpost uit 2005 van Jeroen Mettes: waarom voel ik me geroepen Dirk van Bastelaere te verdedigen? Om te beginnen omdat deze zwakke dichter wel degelijk te verdedigen valt, zij het niet tegen kritische aanvallen maar tegen onverschillige vergetelheid. De bundel Een revolver zonder vervolg, net als de volgende revolver is slechts één keer kort besproken, en daarnaast slechts hier en daar gesignaleerd. Als er nog maar iets aan was van het onderscheid dat Van Bastelaere zelf maakte, in een bespreking in 1999 van het debuut van Paul Demets, tussen ‘ethische’ en ‘esthetische’ postmodernisten, dan is het alleszins duidelijk wie er gewonnen heeft.

Daarnaast blijft de poëzie van Van Bastelaere op een oneigentijdse manier filosofisch en kritisch, wat vooral wil zeggen dat bestaande praktijken, ook binnen de tekst zelf, veeleer worden ondergraven dan dat er nieuwe worden voorbereid. Niet in de eerste plaats de wereld en al haar vreselijke gebeurtenissen staan centraal, als wel de manier waarop we naar de wereld kunnen kijken en die wereld kunnen kennen. Deze dichter blijft benadrukken dat betekenissen niet bestaan, en dat mensen alleen in de moeilijkheid van dat onbestaan elkaar vinden.

Dat wil niet zeggen dat er geen alternatief zou zijn voor deze poëtica. Actief aan subjectvorming proberen doen door middel van gedichten, en betekenissen produceren die de weg plaveien naar een andere en betere maatschappij – het kan, maar het is toch ook vooral wat een flink en gepolitiseerd subject, aan gelijk welke kant van het politieke spectrum, in de eenentwintigste eeuw verondersteld wordt te doen. Zwakheid wordt daarom nauwelijks nog toegestaan, niet het minst omdat er steeds minder media op toegesneden zijn. Poëzie als een vrijplaats om de zwakheid van het menselijk subject zowel te garanderen als tot stand te brengen… Toegegeven: het getuigt niet van de ‘hernieuwde reflectie’ waar Daniël Rovers in 2005 om vroeg. En toch kan net die hardleerse trouw aan verondersteld ‘restafval’ van de intellectuele geschiedenis nieuwe relevantie verwerven, meer dan twee decennia later.

het balanseer - Bozar, Gent, 2025
ISBN 978-9-08-349999-4
61p.

Geplaatst op 19/03/2026

Tags: Bart De Wever, Californië, Daniël Rovers, Dirk van Bastelaere, Frank Keizer, John Baldessari, net als de volgende revolver

Categorie: Poëzie, Recensies

Naar boven

Reacties

  1. hans demeyer

    Boeiend stuk, Christophe, maar ik moet zeggen dat ik toch de wenkbrauwen fronste bij de suggestie dat Keizers poëtica en poëzie een einde zouden willen maken aan het zwakke subject, en dat zij daarin vanuit een diametraal tegengestelde positie een overeenstemming vertonen met De Wevers Vlaams-nationalisme en verwerping van het postmodernisme. Meer nog, het stuk lijkt te suggereren dat de gehele literatuur na het postmodernisme verlangt naar zo’n sterk subject.

    Nu heb ik Keizers essays van een decennium geleden niet meer paraat, maar in de poëzie is er toch veeleer sprake van zoekende, aftastende lyrische subjecten die naar een nieuwe collectiviteit zoeken die zich net níet baseert op een sterke identiteit. In een recent verschenen stuk over hedendaagse poëzie voor de Spiegel der Letteren, schrijven Sven Vitse en ik o.m. over Keizers tweede bundel, /lief slecht ding/: in de bundel valt “een verandering waar te nemen van het verlangen naar de realisatie van een overkoepelend links verhaal met een collectief subject en revolutionaire toekomst, naar een meer fysieke en collectieve methode die zich (…) in de wereld ontvouwt in de verkenning van nieuwe mogelijkheden’, en die verkenning gebeurt door lichamen en subjectiviteiten die zichzelf niet definiëren in relatie tot vaste identiteitskenmerken. (Misschien zijn de essays anders, maar als de scheiding poëzie-essayistiek voor Van Bastelaere kan worden gemaakt, dan ook voor Keizer).

    Keizer en de literatuur na het postmodernisme verschillen dan ook in die zin van de positie van De Wever dat zij op zich geen verwerping zijn van het postmodernisme, maar zowel een erkenning van de inzichten ervan als een poging om verder te gaan en/of om eraan voorbij te gaan. Meer zelfs, wanneer je schrijft dat vanuit het zwakke subject solidariteit mogelijk is, dan zou ik zeggen dat net die zoektocht naar solidariteit vanuit het zwakke subject is wat Keizers poëzie en veel hedendaagse literatuur tracht te doen, én dat het postmodernisme net dat niet deed – of ophield bij die vaststelling. Zo schreef Laclau over Derrida dat die een verkeerde vertaalslag maakt wanneer hij besluit dat vanuit de ontologische onmogelijkheid van een in zichzelf besloten aanwezigheid (of subject) een ethische injunctie zou volgen om open te staan tot het heterogene, het andere etc. — een suggestie die evenzeer in deze tekst met zijn verdediging van Van Bastelaere en het zwakke subject besloten ligt. Niets is natuurlijk minder waar: vanuit de erkenning van zwakte kan evenzeer net het verlangen naar sterkte worden aangewakkerd. Hedendaagse poëzie/literatuur lijkt dergelijke verlangens, subjectposities en sociale patronen net te exploreren in de relatie tot een nieuwe collectiviteit die voorbij de bekende patronen gaat.

    Tot slot en in verband met de laatste alinea van de bespreking, vraag ik me af of ‘politisering’ hier niet al te eng en al te ‘modernistisch’ begrepen wordt in termen van een collectief subject dat zich rond een bepaalde identiteit organiseert. Het lijkt mij dat hedendaagse literatuur en ook politieke filosofie kijken naar andere manieren van politisering. En nu werkelijk tot slot: ik vraag me af welke werken of welke vormelijke / thematische kenmerken je dan in gedachten hebt die voor jou een sterk subject uitdrukken? Of concreter: wat in Keizers poëzie drukt nu een duidelijk ‘sterk’ subject uit?

    ps: dit is geen aanval op Van Bastelaere 😉

    Beantwoorden

  2. Christophe Van Gerrewey

    Bedankt voor je reactie, Hans, die aangeeft dat ik in een poging om te begrijpen wat er veranderd is, de afgelopen decennia, te veralgemenend of schematisch heb geredeneerd, en onder meer Frank Keizer de ‘splitsing’ tussen essay en poëzie te weinig toesta (in tegenstelling tot het krediet dat ik Dirk van Bastelaere verleen). Dat de poëzie van Keizer in deze recensie betrokken is geraakt, komt – voor alle duidelijkheid – door de onverholen afkeer die hij in 2016 voor het werk en de persoon van Dirk van Bastelaere uitdrukte, en die ik eveneens heb proberen begrijpen – met een lichte overdrijving was het de laatste keer dat een dichter of een schrijver in het Nederlandse taalgebied een andere dichter of schrijver zo openlijk, uitvoerig, beargumenteerd en fundamenteel bekritiseerde. In je reactie lijk je te suggereren dat uit hun twee poëticale oeuvres het zwakke subject spreekt, maar er moet toch een verschil zijn, en wat is dat verschil dan – wat is dan die post-postmoderne ‘zwakheid’ die een stap verder durft te gaan? Het hangt er natuurlijk van af wat je onder een ‘sterk’ of ‘zwak’ subject verstaat, maar misschien gaat het, opnieuw kort gesteld, om de ‘sterke’ poëticale ambitie de wereld te veranderen eerder dan het ‘zwakke’ streven de bestaande wereld te bekritiseren – Marx in plaats van Nietzsche, om hen als totems te introduceren. Flauw om die paratekst erbij te halen, maar het is wel handig: op de flaptekst van ‘De introductie van het plot’, de recentste bundel van Keizer uit 2022, staat: ‘Hoe kunnen we stoppen met de roofbouw die het kapitalisme pleegt op onze lichamen en de aarde? En wat kunnen we leren van elkaar om beter voor onze gedeelde wereld te zorgen?’ Het zwakke subject, zoals ik het versta (en zoals ik het ben, vrees ik), barst wanhopig in tranen uit bij de kolossale omvang van die taak, zelfs in de vraagvorm gesteld, als toelichting of aanprijzing bij een poëziebundel. Natuurlijk: valt de wanhoop om die taak ondanks alles aan te vatten niet te verkiezen boven de wanhoop dat er allemaal niets aan te doen valt? Vast wel. Maar dan blijft de vraag hoe poëzie met een dergelijk programma alsnog de uitdrukking kan blijven van een ‘zwak subject’. Nogmaals: het gaat niet om de zinvolheid of de noodzakelijkheid van dat programma, maar wel om het besluit het tot de inzet van poëzie te maken. Om terug te keren tot het uitgangspunt, bij deze recensie, in het essay van Daniël Rovers uit 2005: het gaat om de ruimte die het ‘zelf’ krijgt om zwak te zijn, ook in en dankzij de poëzie. Ik denk dat die ruimte is gekrompen, en dat dat enerzijds heeft geleid tot autobiografische bekentenisliteratuur, en anderzijds tot een verstrekkend engagement van planetaire schaal, en tot het opladen (of ook: het verantwoorden en instrumentaliseren) van poëzie met dat engagement – een splitsing die elkaar toch weer treft in het alomtegenwoordige adagium ‘het persoonlijke is politiek’. Blijkt uit mijn recensie overigens niet ook dat ik niet ‘zwak’ genoeg durfde te zijn, bijvoorbeeld omdat ik inderdaad schreef, zoals je aangeeft, over het zwakke subject: ‘Waarschijnlijk verrassend is dat deze onzekerheid solidariteit tot stand kan brengen met andere mensen.’? Is dat niet te sterk uitgedrukt, op bevel van het maatschappelijke superego dat ons allemaal verplicht onze zwakte te laten varen en met oplossingen aan te komen zetten? Had er niet moeten staan: ‘Verrassend is dat deze onzekerheid medelijden tot stand kan brengen met andere mensen.’?

    Beantwoorden

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.