
Voorbij de ongebreidelde artistieke vrijheid
Frank Keizer
Over Het geluk van de kunst van Marc Reugebrink
De Bezige Bij Antwerpen, Antwerpen, 2012,
ISBN 9789085423423 / 224p.
(6) reactie(s) - geplaatst op 11-07-2012
Ruim anderhalf jaar geleden besprak ik voor deze site Menens, de laatste roman van Marc Reugebrink. In die recensie stelde ik de vraag of Reugebrink, in weerwil van zijn afkeer van de gedachte dat we met de Val van de Muur het einde van de geschiedenis hebben bereikt, niet zelf allang postpolitiek is geworden. Dankzij Het geluk van de kunst, Reugebrinks nieuwe essaybundel over de weinig florissante positie van de hedendaagse schrijvers, kan die vraag met minder reserves worden beantwoord. Het geluk van de kunst is symptomatisch voor de crisis waarin de literaire wereld, en bij uitbreiding, de kunstwereld zich bevindt. We krijgen aan de ene kant een bij vlagen woedende en verontwaardigde analyse te lezen van de verregaande verknooptheid van literatuur met de markt, waarin de menselijke maat is afgeschaft, alle waarden bij het grofvuil zijn gezet en literatuur tot een niche, een subcultuur is verworden. Maar aan de andere kant blijft het weerwerk machteloos, omdat Reugebrink uiteindelijk niet daadwerkelijk een politieke keuze wil maken. Het geluk van de kunst blijft zo een klaagzang uit het reservaat.
Daarin lijkt dit essay wel wat op De ja-sprong van Anna Tilroe. Waar Tilroe over de kunstmarkt schrijft die steeds inniger verstrengeld raakt met het financiële kapitalisme, daar bekritiseert Reugebrink de wijze waarop de literatuur, het onderwijs en de politiek steeds meer onder de tucht van de markt zijn gekomen. Beiden wijden vele pagina’s aan de verwoestende gevolgen van het neoliberalisme, maar stellen daar niets uiteindelijk niets tegenover, en grijpen aan het einde van hun betoog enkel terug op het waardenstelsel dat eerder nu juist uitgehold bleek. Het geluk van de kunst is weliswaar geen pamflet zoals De ja-sprong, maar in beide boeken blijft de affirmatie uit: het spook van het humanisme blijkt hardnekkig. Ik heb het dan over het ouderwetse morele engagement van kunstenaars, collectieve zinverlening en solidariteit, kortom ‘de strijd om de mens’ en ‘het geluk van de kunst’. Reugebrink durft ronkend te formuleren, maar de frasen die we in een essay als ‘De afgeschafte mens’ aantreffen zijn spasmen van een voorbije tijd, waaraan het neoliberalisme, dat de ontmanteling van de traditionele culturele infrastructuur, de methodische destructie van collectieven en de privatisering van zo ongeveer alles voorstaat, geen enkele boodschap heeft.
Het juiste schrijverschap?
En dat terwijl in Het geluk van de kunst wel het besef doorklinkt dat het ouderwetse literair-humanistische programma zo onderhand is uitgeput. Zo schrijft Reugebrink in ‘Het juiste schrijverschap’ (opgenomen in de afdeling ‘Dagwerk’, dat opiniestukken bevat die hij schreef voor kranten en tijdschriften) over het veelbesproken bezoek van Nederlandse schrijvers aan de Chinese boekenbeurs. Reugebrink raakt hier de kern van het probleem. De afgevaardigde auteurs prediken waarden die in het huidige bestel volstrekt geen betekenis meer hebben, maar louter dienen als window dressing:
Schrijvers als Möring, maar ook de Chinagangers die hij hypocriet noemt, zien hun eigen positie niet goed. [...] Wat telt is hun economische waarde, niet hun moraliteit. Het is van daaruit dat een literaire schrijver vandaag moet beginnen te denken – ook, júíst als hij de wereld wil veranderen. Het eerste wat dan wel eens zou kunnen sneuvelen is die eis van een ongebreidelde artistieke vrijheid.
Reugebrink rekent terecht af met de zelfverklaarde autonomie van schrijvers als Möring en Nasr, die nog altijd een onaantastbaar aura lijkt te bezitten, maar in de praktijk neerkomt op onderhorigheid aan de markt. Hij beseft dat kunst haar relevantie alleen kan herwinnen als ze zich bewust is van de positie die ze inneemt, daar waar een absoluut autonomiebegrip de auteur alleen maar verder onder de stolp drijft – een strategie waarmee het sloopwerk van neoliberalen en populisten overigens handig wordt gefaciliteerd. Het is de verdienste van Reugebrink dat hij zich in Het geluk van de kunst bereid toont om vanuit die ingekapselde positie te denken. Maar gaat hij daar ver genoeg in, en ziet hij zijn eigen positie wel goed?
Het ongeluk van links
Dat is zeer de vraag. Voor de goede orde: dat is niet als jij-bak bedoeld, als een gemakzuchtig verwijt aan een schrijver die volgens sommigen vanuit een tamelijk gerieflijke positie – Reugebrink won in 2007 De Gouden Uil – toch maar gemakkelijk praten heeft, zoals her en der werd gesuggereerd. Dergelijke criticasters laten de eigen positie maar al te vaak buiten schot. Bovendien miskennen zulke verwijten dat Reugebrink zelf bepaald niet naïef is op dit punt, zoals zijn kritiek op de China-affaire demonstreert. Nee, met die kritiek doel ik eerder op het feit dat het inzicht in de beginsituatie waarvoor hij pleit, waarbij de auteur in de cultuurindustrie geïntegreerd is, zelf reeds door allerlei tegenstrijdigheden en problematische aannames wordt geteisterd – tegenstrijdigheden die uiteindelijk niet belicht worden. Zo wijst Reugebrink terecht de klassieke, modernistische autonomie af, maar stelt daar geen heldere, hedendaagse variant tegenover. Het omgekeerde is het geval: de zo bekritiseerde autonomie van weleer keert op verschillende plaatsen in deze bundel terug, alsof hij niet kan of wil ontsnappen aan die kunstopvatting.
Tijdens mijn lectuur bekroop mij dan ook de gedachte dat Reugebrink, die in dit boek flink worstelt met zijn positie als schrijver, uiteindelijk terugdeinst voor de conclusies die hij op grond van zijn analyse zou moeten trekken. Ook denkt hij niet door op het moment dat het echt oncomfortabel en confronterend wordt. Ergens lijkt Reugebrink toch bevroren in zijn cultuurkritische habitus. Het essay ‘Het geluk links te zijn’ is a case in point. Hierin doet hij op persoonlijke wijze verslag van zijn jeugd in een gematigd links milieu, en schetst hij, in de figuur van zijn grootvader, de opkomst en neergang van het socialisme. Reugebrink besluit met een zelfverklaarde heimwee naar de tijd van voor de Val van de Muur, omdat die een tussenpositie – tussen individu en collectiviteit – mogelijk maakte die op dit moment node ontbreekt. Uit die wens valt al op te maken dat hij uiteindelijk niet schrijft uit naam van een vastomlijnde ideologie of politiek project, maar vooral uit een existentiële noodzaak. Reugebrink wil ‘blijvend ontkomen’, zoals hij het zelf noemt, bevrijd worden van elke ideologie die hem op voorhand wil definiëren – ook al is de vrijheid die daarmee gewonnen wordt in de huidige tijd een vrijbrief geworden voor grenzeloos consumentisme. Het is deze wurgende paradox waar het hele oeuvre van Reugebrink om draait, en het valt in Het geluk van de kunst steeds meer op hoe wankel deze positie is.
Hoewel Reugebrink bezweert dat het geluk links te zijn niets met nostalgie van doen heeft, vinden we hier geen uitwerking van een hedendaags links programma. Eerder zien we een heropvoering van klassiek linkse thema’s, waartoe Reugebrink zich, zo blijkt uit dit essay, tamelijk ambivalent verhoudt. Enerzijds is hij kritisch ten aanzien van mensen als Tony Judt, die in Het land is moe pleit voor een terugkeer naar de uitgangspunten van de sociaaldemocratie, en Stéphane Hessel, de oud-diplomaat die de Indignados inspireerde met zijn pamflet Indignez-vous! (2011). Judt en Hessel zoeken het antwoord op de crisis van links in bestaande structuren. Volgens Reugebrink voldoet dit niet, en met instemming citeert hij Žižek die schrijft dat politiek de parameters van het mogelijke en denkbare moet verzetten. Anderzijds blijft het ontwerp van die nieuwe structuren en vormen uit en blijft Reugebrink steken in een niet onsympathieke, maar weinig pertinente verdediging van de waarden die nu juist onder druk staan. We moeten het ‘links’ van deze titel dan ook niet begrijpen als een programma voor een nieuwe politiek, maar eerder als een rehabilitatie van de instituten van de sociaaldemocratie en haar consensus tussen markt en staat. Reugebrink lijkt vooral de traditionele positie van kunst in de burgerlijke samenleving te willen herstellen – ook al is die positie kritisch en antiburgerlijk. Maar het is precies deze consensus die van literatuur een reservaat heeft gemaakt, en van de schrijver de ingekapselde homo opinicus die hij nu is. De wens om ‘blijvend te willen ontkomen’ heeft dan niet veel meer dan een symbolische waarde.
Die contradictie lijkt me de fundamentele feil van dit boek. De door Reugebrink geambieerde tussenpositie tussen het individualisme en de collectiviteit, een product van de Koude Oorlog zoals Reugebrink zelf toegeeft, is uiteindelijk regressief en blijft zonder grond als het neoliberale denken de hegemonie bezit. Zoals Joost de Bloois heeft betoogd, kunnen kunstenaars zich niet meer opstellen aan de zijde van de sociaaldemocratie of traditioneel links, omdat die domweg niet meer bestaan: het neoliberalisme heeft geen tegenstanders meer. Er is geen buiten, zoals Reugebrink zelf maar al te vaak heeft benadrukt. Het is tekenend dat hij, op Žižek na, niet in discussie gaat met filosofen als Alain Badiou of Jacques Rancière, om maar twee namen te noemen die het debat over de relatie tussen progressieve politiek en kunst de laatste jaren domineren. Wel citeert Reugebrink uit de toespraak die Paul Verhaeghe onder de titel ‘We strike back’ hield tijdens de algemene staking in België op 30 januari 2012, waarin die pleit voor een nieuw burgerschap dat het individualisme beteugelt en inwisselt voor collectieve zinverlening, en dat de basis zou kunnen vormen voor collectief verzet. Verhaeghe – en met hem Reugebrink – vraagt zich echter niet af of zulk verzet nog wel effectief kan zijn. Het morele appel blijft krachteloos zolang er geen politieke consequenties aan worden verbonden, wanneer het enkel genoegen neemt met de verbeelding van een gemeenschappelijke noemer als tegenwicht tegen de destructieve werking van de markt.
Een nieuwe tussenpositie
In plaats van een nieuw handelingsperspectief te ontvouwen eindigt Reugebrink zo bij de vaststelling dat de schrijver vanuit een positie van inkapseling moet beginnen te denken. We krijgen geen zicht op literaire en esthetische strategieën waarmee de literatuur en de kritiek weer aan relevantie zou kunnen winnen. Enkel positieve recensies schrijven in kranten, om zo het sterrensysteem van beoordelingen te ondergraven, zoals Reugebrink voorstelt, lijkt me eerder een capitulatie voor de dwingelandij van de markt dan een pervertering ervan. Het achterwege blijven van dergelijke strategieën maakt dit boek tot teleurstellende lectuur, en de oproep tot een verdediging van wat we van als ‘links’ beschouwen tamelijk sleets. Verontwaardiging en jammerklachten over een geknecht bestaan genoeg in Het geluk van de kunst, maar we zullen een nieuwe tussenpositie niet ter wereld brengen door met de nodige pathetiek (‘literatuur als lotsbestemming’) te stellen dat literatuur nog altijd van het grootste belang is voor de maatschappij, wanneer net omstandig is aangetoond dat literatuur juist steeds verder gemarginaliseerd wordt. Daar is meer voor nodig.
Het is daarom spijtig dat de weg naar een literatuur voorbij de ongebreidelde artistieke vrijheid, die in Het geluk van de kunst af en toe op een kier staat, uiteindelijk toch wordt afgesneden. Zo wordt een poging als die van Thomas Vaessens – hoe problematisch ook – om tot een ander begrip van de autonomie van kunst en literatuur te komen door Reugebrink onmiddellijk kaltgestellt met een verwijzing naar het socialistisch realisme: ‘Het is een redeneerwijze die doet denken aan die van communisten die ten tijde van de Sovjet-Unie het socialistisch realisme dwingend voorschreven als enige kunstvorm die acceptabel was’, schrijft Reugebrink over zijn Revanche van de roman. Net als Reugebrink betwijfel ik sterk of literatuur aan relevantie wint door de agenda van de massamedia over te nemen. Maar daar gaat het me nu niet zozeer om.
De verwijzing naar het socialistisch realisme laat vooral zien dat dit boek zich maar met moeite aan oude reflexen weet te ontworstelen. Alsof een alliantie met een politiek programma meteen het einde van de literatuur betekent, en alsof literatuur in de praktijk niet allang het instrument van een andere staat is geworden, de neoliberale – dat toonde het bezoek van de schrijvers aan China immers feilloos aan. Daar moeten we beginnen te denken, zoals Reugebrink zelf stelt, maar ook waar we verder moeten gaan. Hopelijk wordt een volgend boek van Reugebrink dan ook minder het weemoedige portret van een schrijver die zijn nog veel te keurige woede etaleert, uit angst om maar niet voor (post-)nostalgisch te worden versleten, en meer het splijtende, écht conflictueuze relaas van een auteur die het reservaat verlaat en zichzelf, bij wijze van spreken, in Terzake zou willen opblazen.
6 reacties
Aanmelden
Vooraleer u reacties kan doorzenden dient u zich aan te melden of te registreren.
Wachtwoord vergeten?


12-07-2012, om 4:12:29