Poëzie, recensie

De maatschappij op de korrel

Troostpogingen

Twan Vet

De jongste generatie Nederlandstalige dichters is een nieuw debuut rijker: dat van Twan Vet (1998). Afgelopen juni verscheen zijn bundel Troostpogingen bij De Bezige Bij. Ondertussen werd dit werk bedolven onder de recensies en genomineerd voor de Granate Prijs, die de poëziebundel met de meest betekenisvolle titel bekroont.

Vertrekpunt: het alledaagse
Deze bundel, die uit 34 gedichten bestaat die gemakkelijk afzonderlijk kunnen gelezen worden, is heel helder en toegankelijk geschreven. Wie voor een eerste keer van poëzie wenst te proeven, doet er goed aan Vet een kans te geven. De gedichten hebben een behapbaar formaat en er loopt een duidelijke rode draad doorheen de bundel. De gedichten reageren op elkaar: de intieme, maar kille binnenwereld is regelmatig het spiegelbeeld van de grillige eveneens harde buitenwereld. De mens wil vluchten van die negatieve buitenwereld maar deze blijkt dichtbij en soms in zichzelf aanwezig te zijn.

Die duidelijke opzet sluit aan bij de titel Troostpogingen. Troosten gaat namelijk om intermenselijk contact, waarbij het ene individu het andere probeert te bereiken. In deze toenadering zit echter een typisch menselijk falen. Het gaat immers om pogingen of inspanningen om de last van een ander te verlichten. Een dergelijke titel wekt bijgevolg de verwachting dat de bundel vooral gaat om de mens en diens goedbedoelde raadgevingen. In het gedicht ‘Adviezen’ gaat het heel expliciet over dat thema. Dat gedicht schippert tussen praktische richtlijnen zoals ‘Slaap altijd met je sokken aan’ en liefdesaanwijzingen zoals ‘post vijf keer in je leven een liefdesbrief / die beter zoekraakt dan gelezen wordt’. Met het elfde advies in de slotregels blijkt al die raad echter relatief: ‘luister nooit naar iemand / die je meer dan tien adviezen geeft’.

Vet vertrekt steeds vanuit het hier en nu: hij schept een herkenbare context en gebruikt klare taal. Deze alledaagse omgevingen zijn: de kroeg in ‘De zevende dag’, de slaapkamer in ‘Ochtendkrant’, de woonkamer in ‘Achtuurjournaal’, de tuin in het titelloze gedicht dat aanvangt met ‘Ik timmerde een houten kruis,’ de straat in ‘We onderbreken deze uitzending’ en de stad in ‘Wie van ons’.
Ook de mensen die zijn poëzie bevolken, zijn degenen die dicht bij de lezer staan: de vader, de ‘je’ als geliefde, de buurman, en ook het (onbestaande maar gewenste) kind in het prachtige ‘Het kind dat ik niet heb’. Al deze naasten roepen de zorg van de ‘ik’ op, en in het verlengde daarvan ook die van de empathische lezer. Door in een huiselijke sfeer directe aandacht aan zijn medemens te besteden en alledaagse personages te creëren voor wie de lezer automatisch sympathie voelt, hanteert Vet de hedendaagse poëzie als vehikel om soelaas te bieden voor de kwellingen van de huidige maatschappelijke toestand van oorlog, teloorgang en weltschmerz enerzijds en voor klein en groot persoonlijk verdriet anderzijds. Vet bevindt zich wat dat betreft in een brede literaire traditie die gebruik maakt van de troostende functie van de dichtkunst. Door de eeuwen heen schreven verschillende dichters (onder wie J.C. Bloem, Rutger Kopland, Judith Herzberg, Remco Campert) rond dit thema en werden bloemlezingen gepubliceerd die probeerden te troosten, dit met alledaagse onderwerpen en in concreet taalgebruik. Poëzie wordt nog steeds voorgelezen tijdens uitvaartplechtigheden, en in rouwadvertenties en op afscheidskaartjes geplaatst. Bij alle mogelijke aanleidingen tot verdriet worden speciaal daartoe samengestelde (verzamel)bundels cadeau gedaan, bijvoorbeeld 600 gedichten over leven, liefde en dood, Nieuw Groot Verzenboek (2021), samengesteld voor Jozef Deleu, Een van ons zal omkijken (2019) van Toon Tellegen, Een handjevol troost (2020) van Liz is More of Als enige kennisgeving (2023) van Jana Arns.

De momenten waarop de mens het meest troost nodig heeft, worden getekend door de liefde en het daarmee gepaard gaande verdriet. Zo ontbreekt de liefdeslyriek dan ook niet in Vets debuut. Neem bijvoorbeeld het titelloze gedicht dat aanvangt met ‘En op een dinsdag stond je voor mijn deur.’ en het einde van een relatie beschrijft. De kracht zit in het herkenbare en de rauwe realiteit: bij de scheiding worden spullen nuchter verdeeld, maar ontstaat er ook een grijs gebied. Als er een ‘ons’ is geweest, hoe delen we dan alles terug op in een ‘jouw’ en een ‘mijn’? De kat is oorspronkelijk dan wel van de ‘ik’, maar deze graaft zich in de schoot van de ‘jij’ in, wat de ‘ik’ ook zou willen doen. De ‘ik’ leest in een boek dat van de ‘jij’ is. De ‘jij’ en ‘ik’ waren tijdens de relatie versmolten en letterlijk en figuurlijk één geworden. De realistische regels ‘de tandenborstel waarmee je mij / vier dagen terug nog uit je mond had weggepoetst’ getuigen daar onverbiddelijk van. Het onverholen realisme van de directe taal en beelden troosten omwille van de herkenbaarheid, maar hebben tegelijk een erg confronterend effect, omdat de vinger daardoor rechtstreeks op de wonde wordt gelegd.

In het daaropvolgende eenzame ‘Diner’ wordt het leven van de kersverse vrijgezel beschreven met de nadruk op de stilstand en overleven: er is te veel lege ruimte, er wordt niet schoongemaakt, er worden maaltijden bezorgd in plaats van bereid. De lezer kan zich gemakkelijk identificeren met het persoonlijke relaas in een opnieuw heel huiselijke context, waarin de buitenwereld via een krant naar binnen glipt: ‘De tafel is sinds een maand te groot voor mijn bestaan: / loze ruimte rond de randen, Rorschachvlekken op het blad // en een vastgeplakte krant die ik kan lezen als ik te laat / wil weten hoe het de wereld is vergaan.’ Het voorgestelde realistische tafereel troost door herkenning en door de ook minder mooie details te benoemen: de vrijgezel heeft de wil of energie niet om schoon te maken.

De man onder vuur
Door in zijn poëzie vooral oog te hebben voor de directe wereld van de mens kan Vet tegelijk kritiek op de maatschappij leveren. In verschillende gedichten is de aanleiding een nieuwsbericht. Zo dringt de negatieve buitenwereld ook de woonkamer binnen in ‘Achtuurjournaal’ en belaagt zij het veilige huis van de gewone man, die zich wil verstoppen voor andermans leed:

Het journaal vult traag de kamer, de nieuwsberichten
dijen uit tot alle muren kraken – je wilt het wel,
maar krijgt de treurbuis niet meer uitgezet.

Ook in het slotgedicht ‘Ochtendkrant’ raadt het lyrisch-ik aan te wachten met het lezen ‘over de wereld’, omdat ‘leed in de ochtend zwaarder weegt’. Tegenover de rauwe realiteit van het nieuws stelt de ik de schoonheid van de literatuur, misschien wel specifiek de poëzie: ‘citeer zacht / de mooiste regels die je kent en sluit het raam’. In dit goedbedoelde advies ontwaren we een neoromantische bijna antiburgerlijke houding van de dichter die zich wil afschermen van de buitenwereld.

De weervrouw in ‘Weersverwachting’ pakt het echter anders aan: de negatieve berichtgeving wordt niet gewoon vermeden, maar ontwapend met uitgesproken wensen. Zij neemt initiatief door met gewoonten te breken en stapt over van haar weersvoorspellingen naar verhoopte-toekomstvoorspellingen. Op deze manier laat Vet de weervrouw het medium van de televisie ombuigen van een indringer met grauw nieuws tot een hoopgevend instrument, zij het niet zonder gevolgen voor haarzelf, te oordelen aan de reactie van de woedende regisseur:

Rob Trip wees nog in een laatste wanhoopsdaad
naar de autocue die door bleef draaien, maar het
was te laat: de weervrouw was al bezig de dagen
op te klaren, voorspelde haast bezeten alle dingen
die ze wekenlang omwille van de waarheid
had verzwegen. De regisseur zwaaide woedend
met zijn draaiboek en stapte vol in beeld terwijl
de weervrouw met haar laatste adem nog even
een kabinetsval, langer zwangerschapsverlof
en wereldvrede voorspelde. Daarna snelde ze
de studio uit met haar zender nog om en liep
fluitend de stromende herfstregen in
met het geloof dat alles wat ze had
voorspeld gebeuren ging.

Het valt op dat de bundel nog heel wat meer maatschappijkritische gedichten bevat, waaronder het om zijn eenvoud en helderheid aangrijpende ‘Aangenaam’. Dit gedicht verenigt de ik, een dakloos persoon, een demente man, een kind en een moeder: ‘Ik heb mezelf in deze straat / al zo vaak in een mens herkend’. Zijn verzet trekt Vet door in ‘Hier wordt gewerkt aan uw terugkeer’, waarin hij verwijst naar de vluchtelingenproblematiek. Daar hanteert hij de wij-vorm om een gevoel van verbinding te bekomen: ‘We wisten het land te liggen, kruisten hoopvol / een plaatsnaam aan en besloten om te gaan.’ De kille, stereotyp ‘mannelijke’ houding van de (rechtse) machten en instanties wordt op deze manier voor het voetlicht gebracht.

Vet hekelt niet alleen de stereotyp mannelijke houding van de ‘moderne’ man tegenover de maatschappij als geheel, maar ook diezelfde houding die gericht is op het individu. Hij waarschuwt in ‘Het kind dat ik niet heb’ voor ongewenste mannelijke aandacht of hevig grensoverschrijdend gedrag: ‘In elke jongen die ik zie op / straat zie ik een monster dat alleen aan neuken / denkt en haar straks ook de hel in naait.’ Het titelloze gedicht dat begint met ‘De dag gromt als een kennel vol gekooide honden,’ kan gelezen worden als een gelijkaardige aanklacht op de boze buitenwereld, waarin de vrouw zich in een mannenmenigte bestaand uit ‘beesten’ moet bewegen. Het daarop volgende gedicht ‘Wij zijn het beest’ is enerzijds ludiek en karikaturaal (‘in de slappe holster van ons ondergoed hangt een pik / waarin de kern van onze argumenten zit’), en bikkelhard (‘maar wij zijn het beest dat hijgt, kwijlt en bijt’) en nietsontziend (‘De rot slaapt in ons zieke vlees – ’) anderzijds. De man is ziek en zich daarvan bewust. De enige oplossing is te vinden in onderwijzen of genezen: ‘wij kwispelen van onvermogen tot iemand ons / weet af te richten of geneest’.

Elders is Vet wat milder voor de ‘moderne’ man. In ‘Roofgedachten’ kruipt hij in het hoofd van een man die vrouwen wil belagen, maar zich nog net kan inhouden. Vet bezorgt de lezer op die manier een bijna voyeuristische, intieme en kwetsbare inkijk in de gedachten van zijn protagonist, die inzicht en zelfbeheersing heeft:

Die vervloekte meisjesbenen: ze rennen door
je hoofd en ze zijn glad en jong en bang en jij,
bijna de verkeerde man, op de verkeerde dag,

op de verkeerde plaats vandaag –
je raapt jezelf bij elkaar, denkt aan de thee,
lijnt je gedachten aan en gaat.

Vet verrast met een dergelijke aanpak. Vernoemde gedichten komen bij de nietsvermoedende lezer scherp binnen wanneer hij ze vindt tussen de liefdeslyriek en mijmeringen over een betere wereld. Met hun directe taalgebruik en prangende beelden missen ze hun doel niet en behoren daarom tot de gedichten die het meest beklijven. Ik stel me de vraag of de (mannelijke) lezer het zichzelf toelaat zich ook hier gemakkelijk te identificeren met de beschreven ‘wij’ en ‘je’ van deze gedichten of dat deze protagonisten toch “de Ander” blijven, ver weg van het beeld dat iemand van zichzelf kan of wil hebben. Ik hoop op het eerste.

Ondanks de grillige beelden ligt dit gedicht in lijn met bijvoorbeeld ‘Weersverwachting’ en ‘Ochtendkrant’: de harde werkelijkheid wordt verdraaid of tegengehouden. De man beheerst zich, het slechte nieuws wordt afgeremd. De poëzie biedt ruimte voor een vredig alternatief. Op deze manier reageren de gedichten op elkaar: Vet slaat en zalft.

Ook in het uiten van onvrede met de huidige maatschappelijke toestand sluit Vet zich aan bij een bestaande traditie. Poëzie wordt wel vaker bij actualiteitsgebeurtenissen geschreven: Stijn De Paepe becommentarieerde in een ‘Dagvers’ als gelegenheidsdichter in De Morgen elke dag het nieuws en de Klimaatdichters publiceerden Zwemlessen voor later (2024) en binnenkort ook Tongval van het verdwijnen (2026). In een artikel in de lage landen worden Charles Ducal, Anne Provoost en Han van der Vegt genoemd als dichters die focussen op wat misloopt in de buitenwereld.

Religieuze invloeden
Overal zijn zichtbare sporen van godsdienst in de stad en in een mensenleven te vinden. Op deze manier dringt het de literatuur en bijgevolg ook Vets gedichten binnen, waarmee de dichter bijgevolg verder borduurt op een gekende traditie.

In ‘De zevende dag’, dat verwijst naar de laatste dag van de christelijke scheppingsweek, blijkt God echter een vrouw te zijn. Ze schept de kroeg en na haar vierde glas rode wijn ‘bedenkt’ ze de ‘ik’. Beiden belanden stomdronken in bed en hebben (bevredigende, want God komt tweemaal klaar) seks. Na afloop maken ze het nog gezellig, want de ‘ik’ zet koffie en kruipt met twee kopjes terug in bed. Vet eindigt romantisch en tegelijk met een knipoog naar de voltooiing van de schepping: ‘In het eerste ochtendlicht hield ik haar vast / en God zag dat het goed was.’

Dit gedicht is voor mij persoonlijk één van de sterkste uit de bundel, omdat het Vets typerende eenvoud van helder taalgebruik en gekende hedendaagse beelden (religie, de kroeg, vrijblijvende seks) op een originele manier met elkaar combineert en er bovendien een verhaallijn is met een open slot. We kunnen ons afvragen of de ‘ik’ en God bij elkaar blijven. Het slot zet de lezer aan het denken. Wat zal het gevolg van deze relatie zijn voor de schepping en voor de ‘ik’ in het bijzonder?

Bovendien zet het een in onze contreien constante (God is een mannelijke entiteit) op zijn kop door Hem vrouwelijk te maken. De verhaallijn kunnen we beschouwen als een hervertelling van het christelijke scheppingsverhaal, maar met een wezenlijke verandering. Zoals universitair docent Griekse Talen en Culturen Jacqueline Klooster omschrijft in haar verhelderende Medusa in de spiegel: Wat mythen ons vertellen over wie we zijn (2025), is er bij hervertellingen vaak iets gewijzigd aan de rol van de vrouw in het patroon van het gekende verhaal. In dit gedicht blijkt de scheppende kracht zelf dus een vrouw te zijn. De ‘eerste vrouw’ speelt hier geen onderdanige, maar een actieve en sturende rol.

Overigens is dit niet vergezocht: er zijn voldoende scheppingsverhalen uit andere culturen dan de onze waarin een vrouw leven geeft zonder tussenkomst van een mannelijke goddelijke schepper. Verder hoeft Zij geen Eva te maken voor Haar Adam, want Zij is het zelf al en Ze deelt bijgevolg het bed met hem. De vraag is of het op zijn kop zetten van een gekende scheppingsmythe een andere en betere uitkomst biedt. Ook het fenomeen van incestueuze seks is niet ongekend in mythologie en oude (scheppings)verhalen. Bovendien raakt het gedicht terloops aan een hedendaagse topic: seks tussen mensen met ongelijke machtsverhoudingen. Dit gedicht is dus op verschillende manieren sterk cultureel geladen en ingebed.

Religieuze beeldspraak komt overigens elders ook naar voren. Zo is er sprake van de verlossingsmetafoor in het titelloze gedicht dat aanvangt met ‘Het eenzaamste schaap ter wereld is gered, uit de stilte’: ‘En dat we niet hoeven gered zolang we samen / in de stilte van de kamer kunnen zijn.’ In het gedicht dat begint met ‘Ik timmerde een houten kruis,’ komt de kruissymboliek terug, net als in ‘De laatste generatie’: ‘er is niemand die ons / einde als een plastic kruis wil dragen – // de laatste God trad jaren terug uit schaamte af en lacht.’ Met de keuze van het woord ‘aftreden’ legt Vet bovendien een link met politiek. Hij houdt het echter in deze verzen voldoende vaag en tijdloos, waardoor zijn gedichten niet louter als commentaren op bepaalde concrete actualiteitsgebeurtenissen gelezen worden, maar binnen onafzienbare tijd relevant blijven. De religieuze beeldspraak markeert de dramatische en narratologische ontwikkeling van het lyrisch ik: de ik is zoekend en ziet zich geconfronteerd met leed.

Ten slotte wordt in ‘We onderbreken deze uitzending’ de Apocalyps aangekondigd. Toch breken er geen paniek en chaos uit, zoals we vaak zien in dergelijke verhalen, en biedt Vet opnieuw een alternatief in zijn poëzie. Wel wordt orde op zaken gesteld en wordt er schoongemaakt: auto’s worden netjes geparkeerd, de tuin wordt geharkt, gevels schoongespoten. Allemaal in afwachting van het definitieve einde van de mens: ‘Men keek elkaar nog één keer aan, / tevreden haast, berustend in het lot.’ Het verstandige gebruik van de religieuze symboliek zorgt voor een geslaagde, mooie, mystieke, geladen ondertoon van de regels.

Het is niet vreemd dat Vet een dergelijke keuze heeft gemaakt. Religie is een antwoord uit alle tijden op deze vertwijfeling. Ik heb een voorliefde voor de gebruikte beelden: ze belichamen de historische continuïteit in de zoektocht van de mens naar betekenis in lijden en naar de verhoopte verlossing. Door iets op zijn kop te zetten biedt Vet bovendien een alternatieve werkelijkheid en zet hij de lezer aan het denken. Kunnen de dingen met een vast patroon ook anders, waardoor een positief einde bekomen wordt? Wanneer je de bundel dichtslaat, wordt de echte werkelijkheid er des te harder op.

De sluipende dreiging van de dood
Vet houdt het niet alleen bij God als ‘groots’ personage, ook de dood sijpelt zijn gedichten binnen. In ‘Visite’ wordt de dood gepersonifieerd in een ‘oude man’ die in een gewoon rijtjeshuis woont. Door een kier in de gordijnen gluurt hij naar een paar (vrienden, geliefden, broers?) die belletje trekken en net ‘de hoek’ omlopen. Door deze subtiele woordkeuze kunnen we ons afvragen of deze kwajongens het er uiteindelijk levend vanaf brengen. Opnieuw geeft Vet ons een verhaal met een open einde. Gaat de getergde dood achter de mensen aan die zich voor het plezier in een risicovolle situatie begaven?

In ‘Visite’ komen personages misschien nog weg met het onbezonnen gedrag, maar het gevoel van onraad is veel sterker bij ‘Aan de achterkant’. In de reflectie van spiegels en winkelruiten leeft het lyrisch ik als een alter ego of spiegelbeeld van de ‘hij’. De ik waarschuwt in de slotregels: ‘Ooit breek ik door gespiegeld glas / en dan gaat hij eraan.’ Dit wil de ik doen omdat de hij ‘een lul zonder / benul van wat ik voor hem over heb’ is. Wat vinden we van onszelf wanneer we in de spiegel kijken? Zoals gewoonlijk verrast Vet dankzij het contrast tussen helder taalgebruik en maatschappijkritische onderwerpen. Dit gedicht kan gelezen worden als het relaas van een man die diep van binnen weet hoe hij zich moet gedragen, maar die telkens vervalt in oude gedragspatronen: achter de vrouwen aanzitten, tot laat in de kroeg blijven plakken, feesten zonder grenzen. De man probeert zichzelf voor dat gedrag te waarschuwen met een fysiek dreigement als climax. Het gedicht past goed in de eerder aangehaalde thematiek waarin Vet de hedendaagse man op de korrel neemt, op een manier waarop dit ook gebeurt in het werk van Piet Paaltjens, Lévi Weemoedt en Ingmar Heytze, waardoor Vet aansluit bij een gekende literaire traditie.

De dreiging van de dood is ook elders in de bundel aanwezig. Het overlijden van een huisdier wordt vereeuwigd in het intieme ‘Ik timmerde een houten kruis,’ waarin de dichter het klein en persoonlijk (en des te aangrijpender) houdt. In het titelloze gedicht dat begint met ‘Wat is het eenzaam hier. Liever vloog ik weg,’ gaat het dan weer om een grootser concept: het uitsterven van een volledige diersoort door toedoen van de mens: de dodo. Vet verweeft op ingenieuze manier historische weetjes in zijn regels: de dodo kon niet vliegen (‘het is lastig vliegen met wat veren / die men vleugels noemt.’) en het taaie gevogelte was helemaal niet smakelijk (‘Schrale troost: ik hoef die blik vol walging / niet te zien als ze mijn vlees verslinden.’). Vet presenteert deze wetenswaardigheden niet als kale feiten, maar verkleedt ze in de persoonlijke mening van de verloren vogel. Op deze manier beperkt hij zich niet tot het navertellen van een gekend verhaal, maar geeft hij er een originele twist en extra laag aan.

Troostpogingen van Twan Vet nodigt zodoende uit tot herlezen, zelfbezinning en reflectie op de maatschappij. Vet maakt het ons daarbij gemakkelijk: hij biedt ons het comfort van herkenbare beelden en toegankelijk taalgebruik zonder vakjargon. Het hanteren van deze tijdloze esthetiek van onopgesmukte eenvoud blijkt een scherp instrument om tegen heilige huisjes (God, de moderne man) te schoppen. Verhaallijnen verlevendigen zijn gedichten en beklijven daardoor des te meer. Ik hoop dat we niet al te lang hoeven wachten op een volgende bundel, want geduld is niet één van mijn sterkste christelijke deugden.

 

Een recensie van Troostpogingen van Twan Vet door Elise Vos.

De Bezige Bij, Amsterdam, 2025
ISBN 9789403134130
48p.

Geplaatst op 06/02/2026

Tags: debuutbundel, Dood, Geloof, Mannelijkheid, Poëzie, poëziebundel

Categorie: Poëzie, recensie

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.