Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
De grootheid van een dichterschap is niet aantoonbaar. Geen ontwikkelde lezer met smaak zal bestrijden dat Dante, Shakespeare en Baudelaire grote dichters zijn, wier werken een onuitputtelijk potentieel lijken te hebben om betekenis te genereren. We aarzelen niet om er, alsof het vanzelf spreekt, de predicaten schoonheid en wijsheid aan toe te kennen. In de bijvoeglijke bepalingen ‘ontwikkelde’ en ‘met smaak’ schuilt echter een serieuze beperking. Ontwikkeling veronderstelt kennis, en welke kennis is dat dan? En hoe, in welke omgeving, wordt smaak gevormd? Rond kunstwerken die om wat voor reden dan ook enthousiasme en intellectuele belangstelling oproepen, ontstaat een discussie die de neiging heeft zichzelf voort te zetten, en zo wordt algauw de indruk gewekt dat het werk ertoe doet omdat er zo veel mensen iets over zeggen. Toch ligt het voor de hand aan te nemen dat het debat op den duur verflauwt als het werk niets nieuws meer te zeggen heeft. Bij de Ilias, Hamlet en Oorlog en vrede zal dat niet gauw gebeuren.
De poëzie van de Alexandrijn Konstandinos Kavafis (1863-1933) is nog niet uitgewerkt. Omdat Kavafis niet in een van de wereldtalen schreef en hij tijdens zijn leven slechts spaarzaam publiceerde, heeft zijn werk pas na zijn dood ruime bekendheid gekregen. We staan eigenlijk nog pas aan het begin van het gesprek over de waarde van zijn oeuvre. Daarbij komt dat hij een ongrijpbare persoonlijkheid was. Pas vorig jaar verscheen er een biografie die als enigszins definitief mag gelden (Gregory Jusdanis & Peter Jeffreys, Constantine Cavafy. A New Biography, New York: Farrar, Straus and Giroux 2025), en die is noodgedwongen gebaseerd op betrekkelijk weinig autobiografisch materiaal. Het mysterie van de gereserveerde intellectueel die zijn homoseksualiteit lange tijd niet openlijk kon belijden, de verarmde aristocraat, de estheet die in aandelen handelde, de dichter die geen boeken wilde uitbrengen, blijft intact. Wie was Kavafis? Geen idee.
Het door hemzelf erkende oeuvre omvat 154 gedichten. Dat is niet veel voor een halve eeuw dichterschap. Natuurlijk schreef hij er meer, maar zijn zelfkritiek was onverbiddelijk, en haast had hij duidelijk niet. Uitgepuurd werk, geen losse flodders, geen gelegenheidsversjes. Kavafis’ rigoureuze vakmanschap kan niet als bewijs dienen voor de kwaliteit van zijn werk, maar dat het iets bijzonders moet zijn blijkt alleen al uit het feit dat het een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent op vertalers. De soms afstandelijke taal is, zeker voor lezers die over een beperkte kennis van het Nieuwgrieks beschikken, bedrieglijk eenvoudig en wordt vaak zelfs prozaïsch genoemd, maar kennelijk wekken de formuleringen, beelden en anekdotes het verlangen op steeds nieuwe nuances bloot te leggen. Het potentieel is nog niet uitgeput.
In het Nederlands is het erkende oeuvre, maar ook een ruime selectie uit het nagelaten werk, vertaald door G.H. Blanken (1977) en door Hans Warren en Mario Molegraaf (1984). De jezuïet Ton van de Stap publiceerde in 2004 zeventig gedichten in een bibliofiele editie (Uitgeverij ’t Hogelaand). Het schijnt dat de linguïst Pieter Seuren (overleden in 2021) Kavafis heeft vertaald, maar die versie is nooit gepubliceerd. Ook Tom van Deel werkte, samen met Han Collewijn, aan een nieuwe vertaling, maar zijn dood in 2019 heeft dat project tot staan gebracht. Opmerkelijk is dat van genoemde vertalers alleen Blanken een specialist in het Nieuwgrieks was.
Een halve eeuw na Blanken heeft de Groningse neohellenist Hero Hokwerda nu de 154 gedichten vertaald en uitvoerig toegelicht. Bovendien krijgt de poëzie een rijke context doordat Hokwerda in een lijvig tweede deel ook vrijwel alle prozateksten van de dichter heeft opgespoord, vertaald en geannoteerd: dagboeknotities, aantekeningen bij de lectuur van Edward Gibbon en John Ruskin, een paar prozagedichten, het is allemaal te divers om op te noemen, aangevuld met een honderdtal pagina’s getuigenissen van vrienden, critici en kenners. Nog nooit konden we Kavafis zo goed leren kennen, toch blijft de kern van zijn persoonlijkheid een gesloten boek.
Kavafis’ thematiek
De thematiek van de poëzie laat zich vrij eenvoudig samenvatten. Veel gedichten gaan over nooit of lang geleden bevredigde verlangens, vaak presenteren ze zich als melancholische herinneringen aan (of voorstellingen van) vluchtige seks op duistere locaties. Een deel ervan is onverbloemd autobiografisch, andere gedichten projecteren de erotische belevenissen op al dan niet fictieve personages, in het Alexandrië van Kavafis’ eigen tijd of in een ver verleden. Daarnaast heeft de dichter een grote liefde voor de lange geschiedenis van wat we hellenisme zouden kunnen noemen, een kosmopolitische Griekse cultuur die in zijn ogen pas echt begint in de derde eeuw v.Chr., na de veroveringen van Alexander de Grote. Vooral de Late Oudheid (ca. 300-700) en de Byzantijnse periode (tot 1453) hebben zijn speciale belangstelling. Hem interesseert een culturele omgeving waarin het seculiere en het christelijke, het westerse en het oosterse, het rituele en het losbandige met elkaar zijn verweven of ten minste naast elkaar bestaan. Over alle situaties die hij met milde ironie schetst, hangt een zweem van tragiek, doordat niemand in staat is om zijn eigen positie in de geschiedenis te overzien.
Bij eerdere vertalingen kreeg men soms de indruk dat Kavafis een licht gestileerd parlando in een vrije versvorm hanteert, wat ook deed vermoeden dat de vertaler alle vrijheid mocht nemen om zijn eigen idioom te gebruiken. Hokwerda legt omstandig uit dat Kavafis’ taal een eigenzinnig amalgaam van verschillende verschijningsvormen van het Grieks is, wat ook de reden vormt waarom hij in zijn eigen tijd door sommige critici werd beschouwd als iemand die moedwillig buiten de mainstream stond. Die vreemdheid kwam in de meeste vertalingen tot nu toe niet tot haar recht. Verder laat Hokwerda uitvoerig zien dat Kavafis’ versificatie verre van willekeurig is. Alle gedichten hebben een jambisch metrum, vaak refereert de regellengte aan destijds gangbare Griekse genres, bovendien wordt er weliswaar niet consequent, maar toch veelvuldig gerijmd. Het is Hokwerda’s verdienste dat hij de technische aspecten van de gedichten heeft willen respecteren.
Dat heeft ook nadelen. Als een Nederlandstalig gedicht regels van ongelijke lengte heeft maar wel rijmt, ontstaat meteen de associatie met Sinterklaas, zeker wanneer er overduidelijk sprake is van rijmdwang. Hokwerda is een kundig verzenmaker, maar geen dichter. Fraaie vondsten en heldere beeldtaal worden soms ontsierd door verwrongen woordvolgorde en onhandig idioom.
Nemen we bijvoorbeeld het gedicht met de titel ‘Perasma’, een zelfstandig naamwoord dat de handeling van het passeren aanduidt. Bij Hokwerda wordt dat ‘Passage’, Blanken heeft ‘Voorbijgaan’ en Van der Stap ‘Overgangsrite’, dat beslist te specifiek is. In het korte gedicht zien we een mooie jongen voorbijkomen die heel even gelegenheid krijgt het domein van de Poëzie te betreden. Hokwerda vertaalt de eerste regels als volgt:
Waar hij op school zich nog beschroomd een voorstelling van had gemaakt,
ligt nu dan voor het grijpen. Hij zwerft over straat, nachtbraakt,
en laat zich vrijuit gaan. Zo is ’t (voor onze kunst) ook juist:
dat van zijn bloed, dat vers nog is en bruist,
de lust genieten kan.
Het rijm klinkt geforceerd, de plaatsing van ‘zich’ in de eerste regel is onnatuurlijk, ik heb nog nooit iemand ‘hij nachtbraakt’ horen zeggen, en de woordvolgorde van de laatste twee regels is stroef. Blanken deed het zo:
Wat hij zich schuchter had gedroomd, toen hij scholier was,
ligt nu onthuld en open vóór hem. En hele nachten doolt hij rond,
en laat zich gaan. En zoals dat (voor onze kunst) goed past,
vindt het genot een vol behagen in zijn bloed,
dat jong en warm is.
Het verschil is duidelijk. Hokwerda wil benadrukken dat dichten voor Kavafis behalve een inhoudelijke ook een formele aangelegenheid is. Om de jongen te laten toetreden tot de Poëzie, zoals later in het gedicht wordt gezegd, is een technische transformatie noodzakelijk, die per definitie kunstmatig is. De vertaling van Blanken klinkt natuurlijker, maar is in vormtechnische zin wel degelijk gemarkeerd, zij het minder opvallend: er is volop sprake van assonantie, alliteratie en binnenrijm. Je zou kunnen zeggen dat Hokwerda er een klassiek epigram van wil maken, maar dan wel met wat we in de Nederlandse traditie kreupele verzen noemen, terwijl Blanken aan de poëzie van Gerard Reve herinnert, die al even subtiel van klank is.
De vertaling
Hokwerda is op zijn best wanneer hij zich wat meer vrijheid kan gunnen. Misschien is ‘Wachtend op de barbaren’ Kavafis’ bekendste gedicht. Op het centrale plein van een laat-antieke stad, waarschijnlijk Constantinopel, staan de keizer en de senaat in ceremoniële kleding te wachten, omdat ze denken dat vandaag de barbaren zullen komen, iets waar ze blijkbaar hevig naar verlangen omdat hun eigen wereld door luxe en loze rituelen tot een staat van moedeloos ennui is vervallen. Helaas blijken de barbaren niet te komen. Sterker nog, men krijgt bericht dat er helemaal geen barbaren meer zijn. There is no exit, om Brett Easton Ellis aan te halen.
In een ongepubliceerde notitie zegt Kavafis zelf het volgende over het gedicht, dat in zijn optiek niet verstoken is van actuele relevantie:
De samenleving bereikt zo’n mate van weelde, beschaving en ergernis (= verdoving) dat ze, tot wanhoop gebracht door de positie waarin ze geen verbetering vindt die zich met haar gewone leven laat verzoenen, een radicale verandering besluit aan te brengen – een offer besluit te brengen, te veranderen, terug te keren, te vereenvoudigen. […] Maar wanneer het ogenblik van de uitvoering aanbreekt, wordt opeens duidelijk dat ze een utopie in gedachte had […].
Hokwerda’s titel, ‘In verwachting van de barbaren’, is met zijn associatie van zwangerschap een misser. Daar staat tegenover dat hij ‘agora’ terecht vertaalt als ‘forum’, waar Blanken ‘marktplein’ heeft. Beter dan de andere vertalers heeft Hokwerda hier in zijn gedragen stijl de plechtigheid van de scène weergegeven:
Waarom is onze keizer zo vroeg opgestaan vanmorgen
en is hij buiten bij de hoofdpoort van de stad gaan zitten,
met troon en al, in vol ornaat, en heeft hij zelfs zijn kroon op?
Omdat vandaag de komst van de barbaren is.
En onze keizer zit daar klaar voor de ontvangst
van hun aanvoerder. Zelfs heeft hij een oorkonde
om hem te geven laten maken, met daarin
een reeks van titels en benamingen geschreven.
Ook al heb ik soms moeite met Hokwerda’s versificatie, toch is deze editie, met alle context en toelichtingen, een enorme aanwinst voor wie zich in dit oeuvre wil verdiepen. Of het grote poëzie is weet ik nog steeds niet, maar ze laat me niet los, dat zou een goed teken kunnen zijn. Jammer is wel dat de editie niet voldoende grondig is geredigeerd. Met name in het prozadeel herhaalt Hokwerda zich voortdurend. Dat had veel compacter gekund. De transcriptie van het Grieks is niet helemaal consequent, de kolonelsjunta wordt in de eenentwintigste in plaats van de twintigste eeuw gedateerd, twee schrijvers die Proklos heten worden door elkaar gehaald, maar dat zijn kleinigheden. Foutloze boeken bestaan niet – behalve misschien de 154 gedichten van Kavafis zelf.
K.P. Kavafis, Als straks de schimmen komen. Poëzie, samengesteld, vertaald, ingeleid en van toelichtingen voorzien door Hero Hokwerda, Groningen: Historische Uitgeverij 2026, 360 p., ISBN 978 90 6554 0768,
K.P. Kavafis, Verborgen dichterschap. Proza, samengesteld, vertaald, ingeleid en van toelichtingen voorzien door Hero Hokwerda, Groningen: Historische Uitgeverij 2026, 440 p., ISBN 978 90 6554 0744
Naar aanleiding van het verschijnen van deze boeken organiseert het Griekenlandcentrum van de Universiteit Gent op 28 oktober een avond rond Kavafis.
.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.