Poëzie, Recensies

Indringend als een psalm?

Ik, mycelium

Een episch gedicht

Liesbeth Lagemaat

De schimmels zijn in opmars, niet alleen in de wereld, waar ze goeddeels onzichtbaar voortwoekeren, maar ook in de wetenschap en de kunsten. Een paar jaar geleden las iedereen ineens het fascinerende Entangled Life. How Fungi Make Our Worlds, Change Our Minds, and Shape Our Futures (2020) van Merlin Sheldrake, waarin voor niet-ingewijden aanschouwelijk werd gemaakt dat schimmels alomtegenwoordig zijn en over een intelligentie beschikken die aan het magische grenst. Eerder had Peter Wohlleben al aandacht getrokken met een boek waarin hij liet zien hoe beuken met elkaar communiceren via mycorrhiza, symbiotische verbindingen tussen schimmeldraden en boomwortels. Biologen zijn zich steeds dieper bewust van de onmisbaarheid van schimmels, die als levensvorm dichter bij het dier dan bij de plant staan. Als dan een dichtbundel Ik, mycelium heet, zijn de verwachtingen hooggespannen.

Liesbeth Lagemaat (1962), die in 2005 de C. Buddingh’-prijs ontving voor haar debuut Een grimwoud in mijn keel en in 2020 met Vissenschild. Een episch gedicht zelfs de Grote Poëzieprijs in de wacht sleepte, heeft van meet af aan een hang naar de duistere krochten van de ziel, zoals ze tot uitdrukking komen in dromen, sprookjes en mythen. Haar bundels vertellen verhalen die geworteld zijn in een traditie die geacht wordt terug te gaan tot in de prehistorie. Archetypische vertellingen zijn het, waarin de mens deel uitmaakt van een groter geheel, waarin hij zich desondanks niet altijd thuis voelt.

In Ik, mycelium wordt een familiegeschiedenis uit de doeken gedaan die in een paar zinnen valt na te vertellen. De ‘stamvader’, door de verteller haar overgrootvader genoemd, is kapper en heeft twee kinderen, een jongen en een meisje. Het jongetje overlijdt als peuter aan een longziekte, zijn zusje is, evenals de vader, ontroostbaar. Later krijgt deze vrouw twee dochters, die door hun moeder tegen elkaar worden opgezet om te voorkomen dat ze zich aan elkaar gaan hechten. In de meeste gedichten lijkt het Mycelium de verteller te zijn. Het wereldwijde schimmelnetwerk beschouwt het als zijn taak datgene wat gescheiden is geraakt weer met elkaar te verbinden. Maar het is de vraag of dat lukt.

De titels van de afzonderlijke gedichten, of episoden, beginnen allemaal met ‘Het lied van’. Van ‘de ander en de een’ (dat zijn de twee zusjes die niet met elkaar kunnen opschieten), van ‘de stamvader’, van ‘de schrijver’ of van Mycelium. Het voorzetsel ‘van’ is meerduidig, want soms wordt het lied inderdaad gezongen door het genoemde personage, op andere momenten gaat het over hem of haar. Het onderscheid tussen de ‘schrijver’, die blijkbaar een dochter van een van de boze zusjes is, en het Mycelium is niet helemaal duidelijk.

Zoals het schimmelnetwerk zich onder de aarde eindeloos vertakt, kunnen familieverhoudingen weergegeven worden als een ‘stratenplan’, zij het dat het soms moeilijk is om ‘van de ene steeg // naar de andere boulevard’ te komen omdat de kaart beschadigd is geraakt. Iedereen wil weten waar hij zich op de plattegrond bevindt en hoe hij in contact kan komen met verwanten in andere wijken. Hoewel het in mensenlevens gaat om contactpunten tussen de generaties, die zich dus in de dimensie van de tijd bevinden, is de weergave op de kaart ruimtelijk van karakter. Dat komt overeen met hoe het Mycelium zijn wijze van bestaan ervaart: ‘Mijn universum is opgebouwd uit ruimte.’ Voor schimmels is tijd niet relevant, hetgeen ze bij uitstek geschikt zou kunnen maken om connecties aan te brengen tussen punten die tientallen jaren van elkaar verwijderd zijn. Althans, dat is de suggestie. Maar werkt het ook zo?

Bij Lagemaat is het Mycelium een metafoor. We lezen hoe het zich ondergronds voortbeweegt en soms even boven de aarde uitsteekt, met uiteindelijk een paddenstoel als resultaat, maar het feit dat schimmels zich ook door de lucht verplaatsen, dat we met iedere ademteug zelfs duizenden sporen binnenkrijgen, wordt door de dichter niet benut. Een probleem is dat het Mycelium zelf beweert geen stem te hebben en geen invloed te kunnen uitoefenen op bovengrondse perikelen omdat zijn signalen niet verstaanbaar zijn voor andere levensvormen. Toch wil het ‘de verbindingslijn’ zijn tussen ‘al die lotgevallen, levensverhalen’. Maar hoe, als je niet kunt praten? In ‘alle stilte weef ik / mijn onoverkomelijk web’, zegt het, maar waarin die onoverkomelijkheid precies schuilt is niet helder. En is het wel handig een verteller aan het woord te laten die naar eigen zeggen niet over de taal van mensen beschikt, maar blijkbaar wel alles kan verstaan wat zij zeggen? Lagemaat lijkt de allegorie niet goed doordacht te hebben.

Pas helemaal aan het slot vindt er daadwerkelijk een verbinding plaats, wanneer de twee zusjes, elk in hun eigen land, fysiek in aanraking komen met paddenstoelen en zo via het mondiale netwerk aan elkaar worden gekoppeld, en dat onbewust ook voelen. ‘De een’ ziet in het bos een stapeling van zwammen en wordt daar op mysterieuze wijze naartoe getrokken: ‘Met mijn hand streel ik haar vertakkingen, de plooien en welvingen / van haar wezen. Een vinger in mijn mond. Smaak ik een druppel // van haar.’ De aanraking met de giftige schimmel leidt tot een paradijselijke hallucinatie: ‘Ik ben het mos, het blad, ik raak aan de zwammen op de verrotte / stam en weet onze wezens één.’

De beste passages in de bundel zijn die waarin het meisje dat haar broertje heeft verloren als kind pogingen doet met hem in contact te komen. Ze gaat stiekem naar het kerkhof, ‘de stenen tuin’, zet daar zelfs de schop in de grond, maar merkt algauw dat het ventje daar niet is. Ook kijkt ze aandachtig naar een engelachtig portret, net zolang tot ze de illusie heeft dat het tot leven komt, maar dat is altijd maar heel kort:

 

           Hoe het portret te begroeten?

           Dit luistert heel nauw.

 

            Eerst op de juiste wijze onder de inlijsting gaan staan,

            dat wil zeggen wanneer nog niemand anders in dit

 

            compartiment van het huis aanwezig is. Dan de ogen

            ont-sluiten, en het kindje zien ademen. (Dit duurt soms

 

            lang, in elk geval totdat hij op zijn beurt de ogen opent.)

            Dan, belangrijk: niet het broertje aanraken want dan

           

            valt hij uit elkaar.

 

Dit is een situatie die men zich goed kan voorstellen. Helaas heeft Lagemaat de neiging alle emoties en beweegredenen te expliciteren, voortdurend wordt de lezer ingewreven hoeveel verdriet er in de familie leeft. De ‘stamvader’ denkt dat de rouw van zijn dochter wel een keer zal slijten, maar voorlopig is ‘dit huis een huls van ontroostbaarheid’. Dat is niet erg subtiel. Misschien heeft de dichter zich te zeer geïdentificeerd met ‘de volkszanger op de hoek van de straat’ die enkele malen het woord krijgt. Zijn larmoyante lied is ‘niet slecht gemaakt,’ zegt de dichter, ‘de structuur cyclisch, / het refrein indringend als een psalm. Het thema verbluffend nieuw.’ Maar het blijft natuurlijk een smartlap, want hij ‘is het apparaat van de kitsch’.

Alle gedichten zijn opgebouwd uit strofen van twee regels, met soms een enkele losse regel. Voor het vertellen van een samenhangend verhaal is die vorm, als van een middeleeuwse ballade, heel geschikt. Lagemaat lijkt echter weinig besef te hebben van de technische aspecten van versificatie. Natuurlijk, de dichter is vrij, maar waarom zou je versregels van elkaar onderscheiden als de opbouw ervan vaak volkomen willekeurig is? De regelafbrekingen zijn inhoudelijk nauwelijks gemotiveerd, geregeld eindigen de verzen op nietszeggende woordjes, alsof de enige reden om af te breken gelegen is in het feit dat de bladspiegel nu eenmaal beperkingen oplegt aan het aantal woorden per regel: ‘Gevangen in een / glazen planeet’; ‘dwaalt mijn Zijn in het / knikkerplaneetje van uw bestaan’; ‘tegelijkertijd was dit een / afzweren van het systeem’. Poëzie is iets anders dan lukraak in stukken geknipt proza.

Toch zijn er genoeg momenten waarop het epos, als je het zo mag noemen, lyrische schwung krijgt. In dit ‘Lied van de moeder, als kind’ komt Lagemaat heel even in de buurt van de eenvoud van Herman Gorter:

 

             De witte duif is een engel.

             Een sneeuwvlok op de vensterbank is een engel.

 

             Het blaadje van een madelief is een engel.

             De tinkeling van zonlicht in een waterglas.

 

             Het broertje.

             Ik niet.

 

             Geen vleugels maar vuisten.

             Geen lied. Schor van schreeuwen.

 

             Verbrand me dan maar, hut van vuur.

 

Soms zijn de beelden verrassend en veelzeggend. De moeder van de twee meisjes is ‘een draaimolenlied uit een orgeltje met kapotte pijpen’, ze heeft ‘knieën als messen wanneer je op haar schoot’. Verschrikkelijker nog is dat ze zich opent als een juten zak:

 

               De moeder een hand die de zak dichtknoopt.

               Schudden met dat jute.

 

               De ander en de een zetten zich af tegen elkaar.

               De moeder schopt de zak voor zich uit.

 

Hier wordt even voelbaar hoe beschadigd de kinderen zijn geraakt doordat hun moeder haar verdriet nooit heeft kunnen verkroppen. Een andere kwaliteit van de bundel is dat het verhaal niet lineair wordt verteld, maar zich grillig vertakt als het schimmelweb dat de wereld hoopt te redden. Ik, mycelium is geen volmaakt kunstwerk, en misschien is dat in dit geval geen doorslaggevend bezwaar. Bij deze lezer won de ergernis het echter van de bewondering.

 

Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2025
ISBN 9789028454330
96p.

Geplaatst op 04/01/2026

Tags: familie, Liesbeth Lagemaat, mycelium

Categorie: Poëzie, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.