Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Over halve en anderhalve waarheden
‘Het aforisme valt nooit samen met de waarheid; het is ofwel een halve waarheid, ofwel anderhalve.’ Dit aforisme is niet van Franz Kafka (1882–1924), maar van Karl Kraus (1874-1936) – zijn Joodse generatiegenoot en net als Kafka zelf een onderdaan van de k.u.k.-monarchie. Kraus was een destijds beruchte én invloedrijke Weense satiricus en essayist, auteur van onder meer het eindeloos lange anti-oorlogsdrama Die letzten Tage der Menschheit (1922) en de legendarische uitgever van het eenmanstijdschrift Die Fackel. Hoewel Kraus vandaag bij een breder publiek wat in de vergetelheid is geraakt, wordt hij binnen de literaire en academische wereld nog altijd beschouwd als een van de belangrijkste ‘aforisten’ in de Duitse letteren. Dit is geen geringe prestatie, want vele groten – van Goethe, Lichtenberg, Schopenhauer en Nietzsche tot Canetti, Adorno, Botho Strauß en Peter Handke – hebben zich aan de aforistiek gewaagd.
Hoe het ook zij, met deze karakteristieke formulering vat Kraus het aforisme samen als een vorm van intellectuele overdrijving: het aforisme is geen drager van waarheid, maar een scherp geslepen fragment ervan. Kafka’s aforismen lijken dit uitgangspunt te bevestigen — en tegelijk te ondermijnen. Bij Kafka wordt de waarheid niet gehalveerd of verdubbeld, maar zo geformuleerd dat zij zichzelf in twijfel trekt. De anderhalve waarheid waarvan sprake in Kraus’ aforisme, wordt door Kafka als het ware systematisch weer in tweeën gebroken. Waar Kraus het aforisme inzet als polemisch wapen in zijn eenmanskruistocht tegen sensatiezucht, hypocrisie en gemakzucht — tegen de verminking van de taal en de innige verstrengeling van pers, politiek en kapitaal, kortom: tegen bijna alles en iedereen — werkt het bij Kafka als een existentieel experiment. Niet om de wereld te ontmaskeren, maar om te laten zien hoe elke poging tot inzicht haast onmiddellijk in een paradox verstrikt raakt. Kraus wil met zijn aforismen de lezer wakker schudden: ‘Zie je wel?’; Kafka daarentegen laat hem achter in onzekerheid: ‘Begrijp ik dit wel?’
Blutsturz
Kafka noteerde zijn aforismen tussen oktober 1917 en februari 1918 in het Boheemse dorpje Zürau (het huidige Siřem), waar hij – ver weg van de drukte van Praag en de eisen van zijn werk als verzekeringsagent – acht maanden met ziekteverlof doorbracht op de boerderij van zijn lievelingszus Ottla. Enkele maanden eerder, in de nacht van 13 augustus 1917, had hij tien minuten lang bloed verloren. In een brief van 29 augustus aan Ottla beschrijft hij het voorval met zijn kenmerkende mengeling van nuchterheid en vervreemding: ‘Ongeveer drie weken geleden had ik ’s nachts een longbloeding. Het was zo rond vier uur ’s ochtends, ik werd wakker, verwonderde me over de merkwaardige hoeveelheid speeksel in mijn mond, spuugde het uit, deed dan toch het licht aan en merkte dat het, merkwaardig genoeg, een bloedvlek was.’
De Blutsturz waar Kafka in deze openhartige brief over spreekt, werd door zijn arts omschreven als Lungenspitzenkatarrh — een eufemisme dat Kafka zelf ironisch doorprikt: ‘Dat is het woord, zoals je iemand biggetje noemt wanneer je eigenlijk zeug bedoelt.’ Het ging, zoals hij later in dezelfde brief meermaals benoemt, om tuberculose.
Zijn verblijf in Zürau deed Kafka zichtbaar deugd. Biografen zijn het erover eens dat deze maanden tot de gelukkigste van zijn leven behoorden. Hij hakte hout, ploegde, verzorgde de dieren, repareerde de omheining en werkte in Ottla’s groentetuin. Nadat een poging tot vervroegd pensioen na het uitbreken van zijn ziekte was mislukt, overwoog hij zelfs tijdelijk om zich als keuterboer op het Boheemse platteland aan de maatschappij te onttrekken.
Opmerkelijk is dat Kafka zich in Zürau – bewust of gewoon omdat de conflictvrije omgeving hem daartoe niet aanzette – grotendeels onthield van literair schrijven. Hij las en verdiepte zich vooral in filosofische en religieuze teksten, met name Kierkegaard en, in iets mindere mate, Schopenhauer. Met zijn verblijf in Zürau begon een periode van literaire terughoudendheid die, met enkele korte onderbrekingen, tot eind 1921 zou aanhouden. Wanneer hij in deze jaren toch schreef, ging het zelden om verhalen, maar om korte, vaak algemene beschouwingen en aforistische notities: teksten waarin persoonlijke nood wordt losgemaakt van haar biografische context en in dialoog treedt met filosofische en theologische vraagstellingen.
Tegen het einde van zijn verblijf in Zürau nam hij zijn aantekeningen door en maakte een genummerde selectie op losse vellen, mogelijk met de bedoeling deze nadien te publiceren. Twee jaar later zou hij nog acht nieuwe aforismen toevoegen. Na Kafka’s dood werden zijn Zürauer Aphorismen door zijn vriend Max Brod uitgegeven onder de titel Betrachtungen über Sünde, Leid, Hoffnung und den wahren Weg (1931). De aforismen werden minstens drie keer vertaald in het Nederlands: in 2006 door Jacq Firmin Vogelaar in Raster 114, in 2019 door Willem van Toorn en vorig jaar door Martin de Haan in Een kooi ging eens een vogel zoeken, uitgegeven bij Koppernik.
Beschouwingen
Over de eerste, door Max Brod uitgegeven versie van Kafka’s aforismen valt veel (negatiefs) te zeggen, niet alleen met betrekking tot diens redactionele ingrepen, maar ook wat betreft de manier waarop hij de lectuur van Kafka’s werk actief probeerde te sturen. Dat blijkt al uit de oorspronkelijke titel waaronder de aforismen werden gepubliceerd: Beschouwingen over zonde, lijden, hoop en de ware weg. Waar Kafka zelf geen titel, ordening of thematische hiërarchie aanbracht, legt Brod met deze benaming een moreel-religieus interpretatiekader op dat de open, paradoxale en vaak ondermijnende aard van de aforismen eerder toedekt dan ontsluit.
Het woord Betrachtungen (beschouwingen) heeft Brod dan weer wél goed gekozen. Strikt genomen zijn namelijk niet alle 109 teksten waaruit de Zürauer Aphorismen bestaan aforismen in de enge betekenis van het woord. Een deel van deze ‘beschouwingen’ voldoet zeker aan die benaming; andere teksten hebben eerder een uitgesproken verhalend karakter, neigen naar het parabelachtige of bestaan uit één enkel beeld — alsof ze zijn losgemaakt uit een poëtische context. Dat de Zürauer Aphorismen zich onttrekken aan een eenduidige genre-indeling is geen toeval. De formele instabiliteit van deze teksten weerspiegelt de manier waarop Kafka hier schrijft: niet om vast te leggen, maar om te onderzoeken.
Neem bijvoorbeeld het ultrakorte aforisme 16, waaraan de recente Koppernik-vertaling haar titel ontleent: ‘Een kooi ging eens een vogel zoeken.’ (‘Ein Käfig ging einen Vogel suchen’). Dit ogenschijnlijk simpele zinnetje illustreert hoe Kafka met minimale middelen een paradoxale situatie schetst die zich aan elke eenvoudige interpretatie onttrekt. De kooi wordt geactiveerd alsof het een zelfstandig wezen is, terwijl het tegelijk een object blijft. Wie of wat er met ‘kooi’ en ‘vogel’ bedoeld wordt, is niet meteen duidelijk: een vrouw op zoek naar een man, een firma die een werknemer probeert te vinden… Het aforisme probeert de lezer niet zoals bij Karl Kraus in de richting van een bepaalde waarheid of moraal te duwen, maar functioneert eerder als een denkexperiment: het opent een moment, een beeld of een beweging, en laat het vervolgens weer los. Zoals bij veel Zürauer-aforismen ligt de kracht juist in deze tussenruimte, in de spanning tussen wat beschreven wordt en wat impliciet blijft. De korte vorm dwingt Kafka tot extreme precisie, waardoor elke handeling, elk beeld en elk woord gewicht krijgt en tegelijk ruimte laat voor interpretatie.
Het resultaat is een tekst die tegelijkertijd concreet én abstract, beeldend én conceptueel is. De tekst laat de lezer voortdurend schakelen tussen visuele voorstelling en filosofische reflectie, tussen wat gezien wordt en wat gedacht wordt. In die zin zijn deze korte tekst in het bijzonder en de Zürauer-aforismen in het algemeen minder ‘uitspraken’ in traditionele zin dan wel pogingen om een ervaring, een waarneming of een paradox vast te leggen zonder haar definitief te consolideren. Het ultrakorte voorbeeld van de kooi en de vogel toont dat Kafka zelfs in een enkele zin een wereld opent waarin taal, logica en betekenis voortdurend onder hoogspanning staan.
Tegelijk is dit aforisme een perfecte illustratie van hoe verdomd moeilijk het is om Kafka te vertalen. Op het eerste gezicht lijkt het een fluitje van een cent om deze zes woorden in correct Nederlands om te zetten. Toch heeft vertaler Martin de Haan het woordje ‘ooit’ toegevoegd. In de oorspronkelijke Duitse tekst is er nochtans niets dat daarnaar verwijst. In een notitie op zijn website schrijft de Haan hierover:
Van die prachtige spreuk heb ik de titel van de Nederlandse bundel gemaakt. ‘Een kooi ging een vogel zoeken’, maar met het woordje ‘eens’ erbij voor het ritme. Andere ritmische optie, waarvoor zowel Vogelaar (!) als Van Toorn hebben gekozen: ‘Een kooi ging op zoek naar een vogel.’
Dit maakt duidelijk waarom het vertalen van Kafka nooit neutraal is: elke keuze fixeert een interpretatie. In de Zürauer-aforismen dragen woorden, ritme en syntaxis elk een eigen gewicht; zelfs minimale toevoegingen, weglatingen of verschuivingen kunnen beeld, paradox of spanningsboog doen kantelen. Kafka’s taal is zo precies en gecomprimeerd, zijn stijl zo subtiel ritmisch en zijn betekenissen zijn zo ondoorgrondelijk, dat vertalen hier een verraderlijk lastige opgave wordt waarin elk woord telt.
Duiding
Martin de Haan, die we in de eerste plaats kennen als vertaler uit het Frans van onder meer Michel Houellebecq en Milan Kundera, brengt het er op het eerste gezicht goed van af. Het vergt minstens een masterproef om zijn vertaling grondig te beoordelen en te vergelijken met wat Vogelaar en Van Toorn er van hebben terechtgebracht. Ook de – zoals steeds – piekfijn vormgegeven uitgave van Koppernik (met enkele tekeningen van Kafka uit de nalatenschap op de cover) verdient alle lof.
Toch maakt ook dit boekje een probleem zichtbaar waar alle uitgaven van Kafka’s aforismen mee worstelen: kies je als uitgever voor een overvloedig geannoteerde versie met een stevig voor- en nawoord, voor de kale tekst of voor iets daartussenin?
Een kooi ging eens een vogel zoeken opteert eerder voor een minimalistische benadering: na de 109 in het Nederlands vertaalde aforismen krijgen we een korte ‘verantwoording’ van nauwelijks anderhalve pagina waarin De Haan de ontstaansgeschiedenis van de Zürauer Aphorismen toelicht. Aan het einde van zijn nawoord verwijst hij naar zijn persoonlijke website, waar je alle 109 aforismen in het Duits kan lezen. Bij een veertigtal aforismen heeft de Haan een persoonlijke (en vaak zeer interessante) notitie geschreven. En daarmee moeten we het als lezer doen.
Het kan ook anders. In Du bist die Aufgabe (2019) van Kafka-biograaf Reiner Stach, bijvoorbeeld, wordt elk aforisme gevolgd door een pagina met achtergrondinformatie: belangrijke correcties van Kafka, parallelle aantekeningen uit zijn notitieboekjes en toelichtingen over de veelzijdige thematische en beeldende relaties tussen de aforismen. Ook worden verbanden met Kafka’s brieven, dagboeken en literaire werken belicht. In een uitgebreid nawoord gaat Stach ten slotte in op de omstandigheden waarin de aforismen zijn ontstaan.
Persoonlijk neig ik naar optie twee en had ik graag meer duiding gekregen. Kafka’s aforismen lezen allesbehalve gemakkelijk, en enige hulp bij het ontsluiten van het vaak hermetische beeldvocabularium zou welkom zijn geweest. Zo’n benadering laat zich bovendien combineren met een reflectie op de receptiegeschiedenis van Kafka’s aforismen, die zo uiteenlopende lezers als Walter Benjamin, Gershom Scholem, Theodor W. Adorno, Maurice Blanchot en Roberto Calasso hebben aangezet tot interpretaties die variëren van messiaans-theologisch tot negatief-dialectisch.
Tegelijk valt de keuze van uitgever en vertaler te begrijpen. Kafka’s geheimzinnige beelden kunnen ook voor zichzelf spreken — misschien moeten ze dat zelfs. Weinig oeuvres zijn zo kapot geïnterpreteerd als dat van Kafka. Het is niet zonder reden dat Susan Sontag in haar beroemde essay ‘Against Interpretation’ expliciet naar Kafka verwijst wanneer zij stelt dat zijn werk ‘onderworpen is aan een massale verkrachting door maar liefst drie legers van interpretatoren’. In plaats daarvan pleit Sontag voor een herstel van de zintuiglijke ervaring: ‘It is important […] to recover our senses. We must learn to see more, to hear more, to feel more.’ Vanuit die optiek is Een kooi ging eens een vogel zoeken een geslaagde uitgave: sober, terughoudend en uitnodigend tot een lectuur die minder verklaart dan ervaart.
Hemel en aarde
Kenmerkend voor het aforisme is dat het een van zijn directe context geïsoleerde, korte prozatekst is die deel uitmaakt van een reeks. Kafka’s aforismen waaieren dan ook alle kanten uit: religie, taal, strenge levensregels, zonde, schuld, dood, vrijheid, sterfelijkheid en de grenzen van het menselijk bestaan zijn maar enkele van de uiteenlopende thema’s die in zijn aforismen aan bod komen. Toch is de verleiding groot om in zo’n aforismenverzameling op zoek te gaan naar de rode draad die alle teksten met elkaar verbindt. Aforisme 66 zou daarbij wel eens richtinggevend kunnen zijn:
Hij is een vrije en beschermde burger van de aarde, want hij is aan een ketting gelegd die lang genoeg is om hem vrijelijk in alle aardse gewesten te laten komen en toch maar net zo lang dat niets hem over de grenzen van de aarde heen kan trekken. Tegelijk is hij ook een vrije en beschermde burger van de hemel, want hij is ook aan een precies zo berekende hemelketting gelegd. Wil hij nu naar de aarde, dan wordt hij gebreideld door de halsband van de hemel; wil hij naar de hemel, dan door die van de aarde. En toch heeft hij alle mogelijkheden en voelt hij dat, ja weigert hij zelfs de hele situatie terug te voeren op een fout bij de eerste ketening.
Hoewel hij geroepen lijkt tot de volmaakte vrijheid van de hemel, is de mens gevangen tussen hemel en aarde. Omdat hij denkt, overstijgt hij het louter eindige. Zijn gebondenheid aan de aarde presenteert zich daardoor als een ‘fout’ die om correctie vraagt. Om de vrije hemel te bereiken, zou de aardse keten moeten worden doorbroken: ‘Een eerste teken van beginnend inzicht is de stervenswens’, schrijft de aan tuberculose lijdende Kafka in aforisme 13. Het lijdt geen twijfel dat de vrijheid van de hemel eerder vandaag dan morgen bereikt zou moeten worden. Daartoe grijpen de aforismen terug op de mythe van de zondeval en leiden daaruit het denkvermogen van de mens af, dat hem sinds mensenheugenis inzicht in vrijheid en sterfelijkheid verschaft. Toch blijven de aardse ketenen onaangetast: de mens houdt van het leven, schrikt terug voor de dood en wil zichzelf niet vernietigen. De aforismen kunnen daarom noch de doodsethiek, noch het voortbestaan onbeperkt rechtvaardigen.
Ook met betrekking tot een ander belangrijk thema van de aforismen, de taal, is een zekere radeloosheid waarneembaar. Aforisme 57 benoemt het probleem:
Taal kan voor alles buiten de zintuiglijke wereld alleen suggererenderwijs, nooit ook maar bij benadering vergelijkenderwijs worden gebruikt, omdat ze naar de aard van de zintuiglijke wereld alleen betrekking heeft op bezit en de ermee verbonden relaties.
Taal beschrijft uitsluitend de omstandigheden van de begrensde, aardse wereld. Het domein van het ‘buiten’ – datgene waar Kafka naartoe wil, de onbeperkte vrijheid of de hemel – is daarentegen onbegrensd en laat zich niet direct uitdrukken. Kafka wijkt daarom uit naar de techniek van de suggestie: niet expliciet benoemen wat bedoeld wordt, maar er indirect op wijzen. Zelfs zo bereikt de taal nooit volledig het doel van Kafka’s teksten, het gebied van het ‘buiten’, omdat ook de meest abstracte woorden nog steeds taalkundige tekens zijn die alleen over aardse omstandigheden kunnen spreken. Aforisme 15: ‘Als een weg in de herfst: amper schoongeveegd of hij raakt weer bedekt met droge bladeren.’ En in hun taalscepsis houden de aforismen ten slotte de literatuur een spiegel voor, zoals aforisme 80 laat zien: ‘Waarheid is ondeelbaar, kan zichzelf dus niet herkennen; wie haar herkennen wil, moet leugen zijn.’ Nergens heeft Kafka zijn wereldbeeld en poëtica zo ‘expliciet’ verwoord als in de Zürauer-aforismen.
Anderhalf
‘Een aforisme hoeft niet waar te zijn, maar het moet de waarheid overvleugelen. Het moet haar met één zin voorbijstreven’, stelde Karl Kraus ooit in een ander beroemd aforisme. Elk fragment opent een spanningsveld waarin taal, logica en betekenis verschuiven, en waarin de lezer voortdurend balanceert tussen houvast en ontregeling. Kafka presenteert in zijn Zürauer-aforismen geen waarheid die vast te houden is. Waarheid verschijnt hier niet als bezit, maar als ervaring: fragiel, paradoxaal, altijd onvolledig. Soms een halve waarheid, soms iets wat haar overstijgt. Anderhalf.
Reacties
Eddy Vennekens
Hartelijk dank voor deze verhelderende analyse en verklaring. Ze geeft me de illusie dat ik weer een stapje dichter ben gekomen bij een zinvolle lectuur. Maar ik maak mij geen illusies: mijn “denktijd” raakt op… Jouw heldere en doorleefde commentaar stuurt en begeleidt, maar mijn brokkelige denkstructuren voelen als kaas: kleverig, maar onduidelijk in de perceptie. Ik ga me maar meer verdiepen in de taalstructuur van Jeroom (mijn laatste kleinkind) – kwestie van aansluitend niveau. “Een opa ging liever zijn kleinzoon zoeken”. Knap gedaan, Wim!
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.