Proza, Recensies

Let it rage

Mother Mary Comes to Me

Arundhati Roy (vert. Lucie Van Rooijen en Inger Limburg)

God’s Own Country

‘Ze koos september, die schitterende maand, om toe te slaan. De moesson was net voorbij en Kerala lag als een smaragdgroene strook te glinsteren tussen de bergen en de zee’. Zo begint Arundhati Roy (1961) haar ‘moederboek’ Mother Mary Comes to Me (2024). In het vliegtuig dat haar na haar moeders dood van Delhi naar de Zuid-Indiase staat Kerala brengt, mijmert ze erover hoe haar moeder en haar heimatstaat Kerala onlosmakelijk met elkaar verweven zijn: ‘Nooit eerder had ik dit dierbare landschap gezien, nooit eerder had ik het in mijn verbeelding of herinnering opgeroepen, zonder dat zij er deel van uitmaakte.’ Het weelderige en groene Kerala – met zijn eindeloze rijstvelden, theeplantages, kokospalmen en dichte tropische bossen, met zijn beroemde backwaters waar vissersboten langzaam voorbijglijden en waar tijdens de moesson de lucht zich met de geur van natte aarde vult – wordt door de plaatselijke toeristische dienst niet zonder reden gepromoot als ‘God’s Own Country’.

Kerala is waarschijnlijk ook de meest ‘linkse’ deelstaat van India, zeker sinds de jaren vijftig van vorige eeuw toen de communistische partij er via democratische verkiezingen aan de macht kwam. Kerala investeert al decennialang in toegankelijk onderwijs en gezondheidszorg, wat geleid heeft tot de hoogste alfabetiseringsgraad van India en een van de best functionerende publieke gezondheidssystemen op het subcontinent. Er zijn sterke vakbonden en sociale bewegingen actief, die opkomen voor arbeidersrechten, milieubescherming en gendergelijkheid. Thema’s als secularisme, sociale rechtvaardigheid en de bescherming van minderheden vormen een vaste kern van het politieke discours. Het is dan ook geen toeval dat de Indiase premier Narendra Modi en zijn extreemrechtse, hindoenationalistische BJP nauwelijks voet aan de grond krijgen in het rode Kerala.

Het is dit paradijselijke Kerala dat Arundhati Roy op amper zestienjarige leeftijd verruilt voor New Delhi. India’s hoofdstad ligt ‘een treinreis van drie dagen en twee nachten verwijderd van Kochi, dat een autorit van drie uur verwijderd ligt van onze woonplaats Kottayan, dat weer een paar kilometer verwijderd ligt van het dorp Ayemenem, waar ik de eerste jaren van mijn leven heb doorgebracht.’ Voor Roy was Delhi een andere land. De taal, het eten, het klimaat – alles was er anders. Roy:

Er wonen hier meer dan twintig miljoen mensen, die de lucht vervuilen en het grondwater opmaken, en toch ben ik de stad er elke dag dankbaar voor dat ze me heeft gered, me heeft verlost van een toekomst die me de rillingen bezorgt als ik eraan denk.

Delhi betekende voor Roy een vlucht – weg van haar moeder én weg van Kerala: ‘Ik had de banden met mijn moeder niet doorgesneden omdat ik niet van haar hield, maar om van haar te kunnen blijven houden.’ En dat geldt tot op zekere hoogte ook voor haar relatie met Kerala. Ondanks het prachtige landschap en de onmiskenbare sociale verwezenlijkingen waarvoor Kerala bekendstaat, had het Zuid-Indiase provinciestadje waar Roy opgroeide ook iets conservatiefs en zelfs benauwends. ‘Al vroeg kwam ik erachter dat de plek waar ik me het veiligst voel juist de gevaarlijkste kan zijn’ – het is een gedachte die meerdere keren terugkeert in Roys boek. Vaak gaat het dan over haar moeder,  maar ook over Kerala. Want voor Roy is Kerala geen evidente thuishaven, maar een plek vol tegenstrijdigheden: het is het landschap van haar moeder, van jeugdherinneringen en familiaal ongemak, maar ook van culturele complexiteit en politieke inspiratie.

 

Mijn schuilplaats en mijn storm   

Arundhati Roy is geen veelschrijver. Nadat ze in 1997 met haar romandebuut en bestseller The God of Small Things  (Ned.: De God van Kleine Dingen) de Bookerprijs won en op die manier via de grote poort de literaire wereld betrad, was het twintig jaar lang wachten op een opvolger: The Ministry of Utmost Happiness (Ned.: Het ministerie van Opperst Geluk, 2017). Tussendoor kwam Roy vooral in het nieuws door politiek activisme en schreef ze bijna uitsluitend non-fictie. Ze publiceerde essays en reportages over waterpolitiek (o.a. over de beruchte Sardar Sarovar-dam in Gujarat), mijnbouw (lees bijvoorbeeld Walking with the Comrades (2011)), waarin ze als embedded journalist op pad ging met de maoïstische opstandelingen in Oost-India), kastendiscriminatie, de opkomst van het hindoenationalisme, het neokolonialisme van de Verenigde Staten, het staatsterrorisme van Israël en – uiteraard – Kasjmir. Ze doet dit vaak vanuit een uitgesproken linkse ideologie, wat haar zowel bewonderaars als felle tegenstanders oplevert. Waarbij vooral de Indiase overheid zich met de regelmaat van de klok geroepen voelt om te proberen haar via juridische weg het zwijgen op te leggen.

In zekere zin zou je Mother Mary Comes to Me kunnen beschouwen als haar derde fictieboek. Zo denkt Roy er zelf over. In het eerste hoofdstuk omschrijft ze haar jongste boek ietwat voorspelbaar als een ‘roman’:

Die dag kwam ik erachter dat de meeste mensen een levende, ademende soep zijn van verbeelding en herinnering, en dat we zelf misschien niet de aangewezen persoon zijn om die twee te onderscheiden. Dus lees dit boek alsof het een roman is. Hogere aspiraties heeft het niet. Maar iets hogers bestaat er ook niet. Fictie is dat rare, rokerige iets waar schrijvers nooit echt vat op krijgen, ook al denken ze van wel.

Met Mother Mary Comes to Me keert Roy opnieuw terug naar de ruimte waar haar literaire verbeelding ooit begon – Kerala, de deelstaat van haar jeugd, én naar de figuur die altijd op de achtergrond van haar werk heeft gestaan – haar moeder. Het boek is geen conventionele (auto)biografie, maar een hybride vertelling waarin rouw, herinnering, politieke reflectie en taalexperiment elkaar afwisselen. Zoals altijd bij Roy wordt het persoonlijke daarbij nooit los gezien van bredere sociale verbanden: haar portret van een uitzonderlijke, eigenzinnige moeder is tegelijk een portret van een land in verandering. En – niet te vergeten – van de evolutie die ze zelf als Indiase vrouw heeft doorgemaakt.

Dat Mother Mary Comes to Me in belangrijke mate over Arundhati Roy zelf gaat, blijkt al direct uit de omslag van het boek. Op de covers van zowel de Engelse als de Nederlandstalige uitgave prijken twee foto’s van Roy: op de voorflap zien we haar als jonge vrouw, met een sigaret tussen de lippen; op de achterflap als een iets oudere versie van zichzelf. In beide beelden is haar blik afgewend, alsof ze naar iets buiten het kader kijkt – of juist in gedachten verzonken is. Die introspectieve houding sluit nauw aan bij de titel, ontleend aan het Beatlesnummer ‘Let It Be’, waarin ‘Mother Mary’ verschijnt als een figuur van troost in tijden van verwarring. In Roys geval krijgt die figuur een zeer persoonlijke invulling: haar moeder Mary Roy is een terugkerend referentiepunt in het boek. Niet als heilige moederfiguur, maar als krachtige, vaak ongenaakbare aanwezigheid die Roys leven, denken en schrijverschap diepgaand heeft gevormd, en dit niet altijd op een positieve manier. Zo wordt de titel tegelijk ironisch én intiem, politiek én persoonlijk geladen.

De Nederlandse uitgever heeft er goed aan gedaan om de oorspronkelijke Engelse titel te behouden – dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Duitse vertaling, die als titel Meine Zuflucht und mein Sturm (‘Mijn schuilplaats en mijn storm’) meekreeg. De Engelse titel resoneert niet alleen thematisch en is gelaagder, maar maakt ook deel uit van de soundtrack van Roys jeugd en jonge volwassenheid. Zo verwijst Roy geregeld naar westerse muziek: The Beatles (‘She’s Leaving Home’), The Rolling Stones (‘Gimme Shelter’), Janis Joplin (‘Piece of my Heart’) of de destijds zeer populaire rockopera Jesus Christ Superstar  (1971) van Andrew Lloyd Webber en Tim Rice.

De Duitstalige titel, ontleend aan de laatste woorden van het allereerste hoofdstuk van Roys boek, vat dan wel weer de complexe, tegenstrijdige natuur van Mary Roy mooi samen: ‘haar intelligentie, haar excentriciteit, haar radicale goedheid, haar militante moed, haar genadeloosheid, haar onbaatzuchtigheid, haar wreedheid, haar autoritaire gedrag, haar zakeninstinct en haar onstuimige, onvoorspelbare temperament’. Enerzijds stichtte ze als alleenstaande moeder met twee jonge kinderen een tot op de dag van vandaag gerenommeerde school in Kerala die bekendstaat om haar progressieve pedagogische principes, en won ze een grensverleggende rechtszaak bij het Indiase Hooggerechtshof waardoor (Syrisch-christelijke) vrouwen dezelfde erfrechten kregen als mannen. Anderzijds was ze in haar privéleven tegenover haar twee kinderen vaak genadeloos streng, harteloos, brutaal en zelfs gewelddadig.

Als lid van de Syrisch-christelijke kerk in Kerala ontsnapte Mary Roy aan haar ouders – en vooral aan haar agressieve vader – door te trouwen met Micky Roy, een lid van de Bengaalse bourgeoisie. Ze verliet hem toen deze verslaafd raakte aan alcohol. Ze nam haar kinderen, Arundhati en haar anderhalf jaar oudere broer Lalith (ofte: KLC), mee naar een huisje in Tamil Nadu dat toebehoorde aan hun grootvader van moederskant. Kort daarna werd ze door haar eigen moeder en broer gedwongen haar huis te verlaten op grond van wetten die de erfrechten binnen hun gemeenschap regelden: ‘dochters hadden geen recht op het eigendom van hun vader en we moesten het huis onmiddellijk verlaten’. Uiteindelijk vestigden Mary en haar kinderen zich in Ayemenem, een dorp in Kerala, waar ze aanvankelijk bij familie verbleven – ‘buitengewone, excentrieke, kosmopolitische mensen, verslagen door het leven’. Toen Mary ook met hen ruzie kreeg, kocht ze haar eigen huisje, om uiteindelijk – bescheiden beginnend in een achterafzaaltje van de plaatselijke Rotary-club – een school te stichten die ook ver buiten Kerala bekend zou worden.

 

Gangster

Mevrouw Roy, zoals ze door haar leerlingen én haar eigen kinderen genoemd werd, had onmiskenbaar grote verdiensten. Toch is Mother Mary Comes to Me allerminst een hagiografie. In haar meedogenloze portret beschrijft Arundhati Roy ook de duistere kanten van haar moeder – niet als kleine kanttekening, maar als wezenlijk onderdeel van haar karakter. Het eerste hoofdstuk van het boek heet niet toevallig ‘Gangster’. En een ‘geslepen gangster’ was mevrouw Roy inderdaad: een vrouw met lichte én zeer donkere tinten, en veel grijs daartussenin.

Ze kon op een volstrekt irrationele manier verschrikkelijk gemeen zijn tegen haar eigen kinderen. Zo herinnert Arundhati zich hoe haar moeder haar als straf alleen achterliet aan de kant van de weg omdat ze zich slecht had uitgedrukt tijdens een gesprek. Schrijnender is de herinnering aan het geweld tegen haar oudere broer, na een tegenvallend schoolrapport:

Ik deed alsof ik sliep toen ze op een avond mijn broer kwam wekken en hem meenam naar haar kamer – een slaapwandelend lammetje op weg naar de slachtbank. Zo zacht mogelijk sloop ik achter ze aan en door het sleutelgat zag ik dat ze hem sloeg tot de dikken houten liniaal brak. ‘Ik pik het niet dat mijn zoon thuiskomt met een rapport waar ‘middelmatig’ op staat.’ Ze ging tegen hem tekeer met een stem die niet boven gefluister uitkwam, om de andere kinderen in ons tehuis-huis niet wakker te maken. Die fluistertoon maakte het nog angstaanjagender. […] De volgende ochtend gaf ze me een knuffel en zei: ‘Wat een mooi rapport’. Ik werd bevangen door schaamte. Ik haatte mezelf. Sindsdien gaan al mijn persoonlijke prestaties gepaard met een onheilsgevoel. Wanneer ik word toegejuicht of toegedronken, heb ik altijd het gevoel dat er in de aangrenzende kamer iemand anders, iemand die heel stil is, een pak slaag krijgt.

Haar broer had het, als zoon, sowieso zwaarder te verduren. Als tiener kreeg hij van zijn moeder te horen: ‘Je bent dom en lelijk. Als ik jou was, zou ik mezelf van kant maken.’ Arundhati Roy: ‘Mijn broer was nu eenmaal de enige man die voorhanden was, de enige man die ze kon straffen voor de zonden van de wereld.’ Als vijfjarige werd hij uitgemaakt voor ‘male chauvinist pig’. Ook Arundhati zelf moest het ontgelden: haar moeder noemde haar op een dag een ‘teef’. En op een ander moment zei mevrouw Roy, die haar leven lang worstelde met overgewicht en zwaar astmatisch was: ‘Ik kan alle momenten doodgaan, en wat zal jij dan doen en waar zal jij dan leven?’ Dit soort voorvallen maakten een verpletterende indruk op Arundhati. Of nog:

Als ze boos op me was, deed ze mijn stem na. Dat kon ze heel goed, en dan hoorde ik hoe belachelijk ik klonk. Deze voorvallen staan me stuk voor stuk tot in de kleinste details voor de geest. Ik weet zelfs nog wat ik aanhad. Het voelde alsof ze me – mijn silhouet – met een vlijmscherpe schaar uit een prentenboek had geknipt en vervolgens verscheurde.

Dezelfde vrouw die haar twee kinderen kon terroriseren, zei op een ander moment dan weer: ‘Ik ben je moeder en je vader en ik hou dubbel zo veel van je.’ Hoe kunnen liefde en geweld, bescherming en vernietiging in een en dezelfde persoon bestaan? Het is een van de vragen waarop Arundhati Roy in haar boek een antwoord zoekt.

 

Money!

Wie De God van Kleine Dingen gelezen heeft, zal ongetwijfeld de overeenkomsten opmerken tussen Mother Mary Comes to Me en Roys debuutroman. Net als Rahel en Estha, de tweeling uit de De God van Kleine Dingen, was Roy het kind van een gemengd huwelijk: een vader uit een hindoeïstische familie en een moeder uit een Syrische christelijke minderheid. Ammu, de moeder van de tweeling, trouwt net zoals Mary Roy jong om aan een gewelddadig gezinsleven te ontsnappen, maar keert terug wanneer het huwelijk onhoudbaar wordt door het drankgebruik van haar man. In De God van Kleine Dingen is het Ammu’s verboden liefde voor Velutha, een jongere man van een lagere kaste, die de tragische gebeurtenissen in gang zet. Die romance was verzonnen. De enige grens die Mary Roy nooit overschreed, zo lezen we in Mother Mary Comes to Me, was die van ‘seksuele integriteit’.

Toch blijft de resonantie tussen beide werken onmiskenbaar. Net als in haar roman onderzoekt Roy in Mother Mary Comes to Me hoe persoonlijke keuzes worden vervlochten met de rafelranden van geschiedenis en patriarchaat. In beide teksten worden vrouwen niet alleen getekend door hun omgeving, maar vormen ze ook een tegenkracht, een schurende aanwezigheid die het systeem uitdaagt. Wat in De God van Kleine Dingen nog verhuld werd door verboden liefdes en gebroken beloftes, krijgt in Mother Mary Comes to Me een rauwe helderheid. Het is alsof Roy, decennia later en nu haar moeder overleden is, de moed en het taalvermogen gevonden heeft om niet alleen de mythe te schetsen, maar ook haar fundamenten bloot te leggen.

Opmerkelijk is ook dat beide werken zijn opgedragen aan dezelfde personen: aan Mary Roy en Arundhati’s broer LKC. In De God van Kleine Dingen schrijft ze: ‘For Mary Roy who grew me up. Who taught me to say ‘excuse me’ before interrupting her in Public. Who loved me enough to let me go.’ Over haar broer: ‘For KLC, who, like me, survived’. Vijfentwintig jaar later lees je een dergelijke opdracht nu vanuit een heel ander perspectief. En in Mary Mother Comes to Me schrijft Roy respectievelijk ‘For LKC. Together we have reached the coast’ en ‘For Mary Roy, who never said Let It Be’.

Beide boeken openen ook met een citaat van kunstcriticus en schrijver John Berger. De God van Kleine Dingen wordt ingeleid met: ‘Never again will a single story be told as though it’s the only one.’ Met dit citaat maakt Roy komaf met eenzijdige, gezaghebbende verhalen ten gunste van meervoudige, vaak tegenstrijdige stories – iets wat kenmerkend is voor het non-lineaire en multiperspectivistische karakter van haar roman. Het Berger-citaat waarmee Mother Mary Comes to Me begint, klinkt cryptischer: ‘The guests as they left / kissed the crown of her head / and she knew them / by their voices.’ Zoals de vrouw in Bergers vers de gasten herkent aan hun stemmen, zo schrijft Roy haar familie en verleden opnieuw tot leven via taal – als een vorm van herkenning en misschien ook verzoening, lijkt Roy te suggereren. Berger zelf verschijnt overigens kort in Mother Mary Comes to Me. Als een soort surrogaatvader moedigt hij zijn geestesgenote aan om verder te werken aan haar tweede roman: ‘En als er iets gebeurt waardoor je even van de wijs raakt, bedenk dan dat ik als een oude olifant achter je met mijn oren sta te wapperen om je koelte toe te wuiven.’

De God van Kleine Dingen is om een nog andere reden belangrijk voor Arundhati Roy. Met naar schatting acht miljoen verkochte exemplaren maakte het haar rijk en katapulteerde het haar naar internationale bekendheid – niet alleen als schrijver, maar ook als publieke denker met een uitgesproken moreel en politiek kompas. De ongekende aandacht en erkenning die het boek genereerde, gaf haar het symbolisch kapitaal én de vrijheid om zich nadien toe te leggen op activisme, essayistiek en sociale strijd, vaak in scherpe oppositie tot de macht. Over die aanvaringen met de macht gaat het tweede deel van Mother Mary Comes to Me – gaande van protesten tegen de Sarovar-dam tot haar steun voor maoïstische rebellen en haar activisme rond Kasjmir. Tegelijkertijd bewijst ze daarmee dat ze – tegen wil en dank – de dochter van mevrouw Roy is en even genadeloos als haar moeder durft inbeuken tegen de gevestigde orde.

Voor iemand van relatief arme afkomst en voor iemand die na haar studies architectuur in Delhi een tijdlang in een slum heeft gewoond, voelt rijkdom niet vanzelfsprekend aan. Roy:

Het leek wel of ik een gat had geslagen in de pijpleiding die alle rijkdom in de wereld  rondpompt tussen alle rijken in de wereld, en het geld recht in mijn gezicht spoot. […] Dat was het beste wat je met geld kon doen: het met anderen delen. En dat deed ik dan ook. Ik gaf het aan mijn moeder, mijn broer, mijn vrienden en verder aan iedereen die het wat mij betreft verdiende. Voor mij was het ondenkbaar om het geld op te potten terwijl mijn dierbaren en anderen die ik het gunde niets hadden. […] Zolang we in een oneerlijke wereld leven, kun je het maar het beste (met beleid) weggeven.

Ik kan me voorstellen dat menig (cynisch) lezer bij dit soort passages de wenkbrauwen fronst. Arundathi Roy komt er echter mee weg. Zeker wanneer je Mother Mary Comes to Me uitgelezen hebt.

 

Rivier

Ondanks de stevige thematiek is Mother Mary Comes to Me bij momenten ook lichtvoetig en grappig. Na De God van Kleine Dingen en Het ministerie van Opperst Geluk weten we dat Roy met veel humor, liefde en diepgang onvergetelijke figuren tot leven weet te wekken. Ook in dit boek maken we kennis met enkele memorabele karakters. Zo is er Arundhati’s oom, G. Isaac. Hij was een van de eerste Indiërs die met een beurs aan de universiteit van Oxford had gestudeerd, met name Griekse en Romeinse mythologie. G. Isaac was het type dat aan de Indiase dis zomaar kon opmerken: ‘Is het niet heerlijk dat er een god van de wijn en de vervoering bestaat?’, om vervolgens een bevlogen exposé te geven over Dionysos. Hij was eigenaar van een picklesfabriek. En marxist. Als fabrieksdirecteur richtte hij een vakbond op voor zijn werknemers – voornamelijk vrouwen – en moedigde hen aan om tegen de directie (tegen hem dus) te staken. Hij liet zelfs een tent aanrukken zodat ze tijdens hun staking in de schaduw konden zitten. Op een dag stelde hij voor dat de vrouwen het beheer van de fabriek zelf zouden overnemen – een aanbod dat ze beleefd afsloegen, waarna ze gewoon weer aan het werk gingen. Diezelfde G. Isaac had zijn zus Mary Roy echter jaren eerder met haar twee jonge kinderen het huis van hun vader uitgezet, omdat zij er als vrouw geen wettelijk erfdeel op kon claimen volgens de destijds geldende erfrechtregels. Een daad die later, ironisch genoeg, zou leiden tot Mary Roys historische rechtszaak – en de hervorming van het erfrecht in heel India.

Even onvergetelijk is Micky Roy, Arundhati’s vader. Een ‘nietsnut’, zoals Mary Roy hem noemde – verslaafd aan alles waaraan een mens maar verslaafd kan raken, en een toegewijde fan van de legendarische Australische cricketspeler Don Bradman. De reünie van Arundhati, haar broer en hun vader in een sjofel hippiehotel in Delhi – doordrenkt van de geur van marihuana en urine – is een komisch tafereel dat je als lezer nog lang bijblijft:

Hij lag op zijn buik, met zijn voeten zwaaiend naar het plafond. De as van zijn sigaret was op het bed gevallen. Toen hij me zag, schoot hij zijn sigaret weg en wreef de as in de lakens. Daarna ging hij op het bed staan en stak zijn hand naar me uit. Om bij hem te komen moest ik op het bed gaan staan. Ik trapte mijn schoenen uit en stapte erop. We gaven elkaar een hand. Mijn broer, die breeduit stond te grijnzen, stapte er ook op. Zo bleven we een tijdje staan, licht verend om in evenwicht te blijven op het zachte, sponzige matras.

Een ander ‘personage’ dat geregeld opduikt in Mother Mary Comes to Me is de Meenachil, de rivier waaraan Ayemenem ligt en die als een zilveren draad door Arundhati Roys herinneringen stroomt. Het is een rivier die niet alleen het landschap van Kerala doorkruist, maar ook de bedding vormt van haar innerlijke wereld. Hier trekt de jonge Arundhati zich in volledige eenzaamheid terug, communiceert ze met vogels, vissen, bomen en planten, en overschouwt ze de wereld om zich heen. Hier wordt ook een deel van de as van Mary Roy uitgestrooid – een laatste gebaar van overgave aan het land dat hen beiden gevormd en getekend heeft. Maar de Meenachil is meer dan een plek van afscheid; het is de plaats waar Roy haar taal vindt, haar schrijversstem, haar ‘taaldier’, zoals ze het zelf noemt. De rivier wordt zo het begin van haar schrijverschap – een ruimte van herinnering én verzet. In de kronkels van de Meenachil vindt Roy de stem die weigert te zwijgen. En het is precies daar, aan het water, dat haar vrijheid begint.

Mother Mary Comes to Me is een mooi en moedig boek. Roy schrijft met open vizier, zonder zichzelf en haar moeder te sparen, en met een zeldzame combinatie van intellect, verbeelding, humor en morele urgentie. Hoewel het boek literair misschien niet de stilistische verfijning en gelaagdheid bereikt van De God van Kleine Dingen, blijft het een indrukwekkend en belangrijk werk. Ondanks de ‘gangsterpraktijken’ van mevrouw Roy, is Mother Mary Comes to Me een ode aan ongehoorzaamheid, aan vrouwen die weigeren te zwijgen, en aan de kracht van taal als verzet. Roy bevestigt nogmaals dat schrijven voor haar niet louter een esthetisch spel is, maar een daad van vrijheid:

Jarenlang trok ik door oerwouden en rivierdalen, dorpen en grenssteden in een poging mijn land beter te begrijpen. Tijdens die reizen schreef ik. Dat was het begin van mijn rusteloze, recalcitrante leven als opruiende schrijfster-verraadster. Vrije vrouw. Die vrij schreef. Zoals Mother Mary me had geleerd.

Wereldbibliotheek, 2025
Vertaald door: Lucie Van Rooijen en Inger Limburg
ISBN 9789028454088
352p.

Geplaatst op 11/11/2025

Tags: Arundhati Roy, John Berger, Kerala, Moederboek, Mother Mary Comes to Me, New Delhi, Patriarchaat

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.