Poëzie, Recensies

Anders blijven de woorden in hun sluimerfase

Orang/oetan

Gustaaf Peek

Gustaaf Peek (1975) behoort niet tot de schrijvers van de tweede generatie die het Indische wiel nog maar eens opnieuw uitvinden. Zo publiceerde hij Verzet! Pleidooi voor communisme (2017) en was zijn laatste roman A.D. (2021) een ambitieuze herschrijving van de koloniale roman. Dat deze prozaïst nu debuteert als dichter is niet helemaal verrassend. Het genre biedt in Nederland, zeker de voorbije jaren, veel ruimte aan experimenten met vorm en overstroomt haar oevers, politiek en geschiedenis achter zich aan slepend.. In Orang/oetan vinden we daar de sporen van, maar de bundel leest toch meer als het werk van een prozaschrijver dan als het debuut van een dichter.

De bundel opent met een programmatisch salvo: ‘Voortaan’. Daarin keert de dichter terug naar het woud, de wildernis. Dat het Indonesische titelwoord ‘bosmens’ betekent, maakt aan de lezer duidelijk dat de dichter in deze bundel verwildert, zich naar de dierlijkheid, een oerstaat begeeft. De ‘oplettende kijker’, oftewel de observerende, kritische en analytische geest op wie Peek in zijn eerdere werk een beroep deed, krijgt voortaan gezelschap van de ‘heilige bezielde mens’. Dat is een figuur die schaduwzijden niet verloochent, maar ze omarmt. De dichter wil met deze bundel niet alleen de gewelddadige koloniale geschiedenis verkennen, maar ook een innerlijke, metafysische ruimte sonderen. De bundel markeert voor Peek daarmee de geboorte van de lyriek:

Droommens kruis met mij je armen
We zijn de vallende vruchten het bijenveld
De blakende zeilen de stof het edele deel

Kijk naar de zee zie je het enkele lijf nu schitteren?

 

Deze ‘droommens’ is een bron van vitaliteit waaruit de dichter wil putten. ‘Er is licht in mij in jou / Kijk naar de sterren zie je de schreeuw?’ De dichter zet het sociale masker af, want ‘wat niets weegt / kan alleen maar zingen’. Maar het woud is ook de ruimte waar de voorouders leven, vooral de voormoeder, de ‘moeder aarde’ die Peek wil ontworstelen aan de ‘modder aarde’ om het met het woordspel uit de titel van een van de reeksen uit deze bundel te zeggen.
Daarom is dit niet de zoveelste bundel waarin een dichter zijn wortels herontdekt. Peek gaat zowel filosofischer als concreter te werk, zoals de eerste reeks van de bundel bezwerend duidelijk maakt. ‘Eerste generatie je bent een ster!’ spoort de eerste generatie Indo’s, die in Nederland op zichzelf waren aangewezen, met ironische aanmoedigingen aan – ditmaal niet om zich aan te passen, maar juist om contact te maken met de voorouderlijke wereld die zij hebben achtergelaten. Zij, die ‘zeldzaam beschenen’ zijn, worden in het gedicht ‘Aanbod’ opgeroepen om ‘zand uit het slot’ te blazen, en donker te zijn voor ‘Wanneer ze komen’:

Het huis spant als een huid bemantel de spiegels

Ontzenuw het altaar het gezang de wilde cirkels
Die je ouders dansten je kent de verhalen
Nu denk je nog dat je niet opendoet

Om zich in Nederland een plaats te verwerven, moesten deze Nederlanders, van wie er velen nog nooit een voet in dat land hadden gezet, allerlei geboden en verboden in acht nemen. Aan deze zelfverloochening wil Peek een einde maken. Hij roept hen op om wat donker in hen is te belichamen. Dit aanbod strekt de dichter ook uit naar zichzelf: hij spreekt als lid van de tweede generatie de eerste generatie toe, opdat zij zichzelf in hun verdringing ontmoeten. Op deze wijze wordt de dichter ook met zijn eigen verdringing geconfronteerd en wil hij bovendien de kloof tussen de generaties opheffen door een gedeelde collectieve ervaring te creëren die niet wortelt in de koloniale cultuur, maar in diepere, metafysische lagen.
In een ander gedicht, ‘Instructies’, roept hij de eerste generatie op om ‘doorvoelde gereedschappen’ niet te vergeten en een ‘perk aan een archief’ te leggen, ‘alle ruggen naar de zon’ te draaien en vol te houden, omdat anders de ‘woorden in hun sluimerfase’ blijven. Met deze formulering sluit Peek nauw aan bij Indolente (2023) van Dewi de Nijs Bik, een bundel die een volstrekt nieuw geluid liet horen in de postkoloniale literatuur over Indië. Beide dichters wantrouwen de taal als transparant doorgeefluik voor de werkelijkheid en identiteit en zoeken hun heil meer in een doorleefde omgang met het verleden. Peek roept zijn voorouders dan ook op om ‘zich buit te laten maken’ in plaats van losgeld te betalen:

Kijk daar vliegt al

Wat de hemel niet weigerde

Wat we niet als losgeld oplieten

Orang/oetan past daarmee in de grootscheepse herlezing van het koloniale archief die de voorbije tien jaar op gang gekomen is. Deze poëzie is echter ook een poging om de geschiedenis te ontstijgen via de mythe, hoewel Peek tegelijkertijd erkent dat ook deze mythe onvermijdelijk gekleurd is door het archief. Die conceptuele frictie staat in het hart van de bundel. Dat was al zo bij de Nijs Bik, die de nostalgische herinneringscultuur rond Indië demythologiseerde. Peek graaft net als De Nijs Bik onder de herinneringscultuur naar diepere structuren, zonder die te willen romantiseren (‘Een batterij komt uit ook de duistere aarde maar werd daar niet geboren’.). Beide dichters sluiten aan bij het project van Tjalie Robinson (1911-1974), de Indoschrijver die op visionaire wijze de Indocultuur probeerde te verbinden met de wereldcultuur. Robinson was ervan overtuigd dat de Indo ook buiten de verstokte koloniale herinneringscultuur bestaansrecht had en zag in hem een moderne uitgave van de mestizo. Deze expansieve visie op de Indo-identiteit stond echter op gespannen voet met de wens van de eerste generatie om zich vlot aan te passen in plaats van de hemel te bestormen. De politieke en artistieke experimenteerlust met de Indo-identiteit als zelfbewust project botste op deze meer behoudsgezinde groep, die veel minder negatief tegenover assimilatie stond. Door de eerste generatie op te roepen ‘een perk aan het archief te leggen’ lijkt Peek vooral naar die artistieke vormgeving van de Indomythe te lonken, die in Robinsons allegorisch getoonzette verhalenbundels Tjies en Tjoek zo subliem wordt ontvouwd. Deze eerste reeks roept echter ook de vraag op of deze mythe niet instort onder druk van de historische omstandigheden van destijds en de projectiedrift van het nu. Het dramatiseren van deze spanning tussen het door nood ingegeven realisme van de eerste generatie en Peeks wens om de verbeeldingskracht op te rekken had deze reeks gelaagder kunnen maken.
In ‘De ballade van Saartje Specx (Hirado, 1617-Formosa, 1636)’ keert Peek terug naar de stof van zijn roman, de vroege koloniale periode. Hier wordt de frictie tussen geschiedenis en mythe wel verder op de spits gedreven. Was de voormoeder die in het begin van de bundel nog een mythische aanroep, in deze reeks krijgt ze een concrete gestalte in Saartje Specx, wier met de koloniaal geweld en ontheemding verweven levensloop de dichter hier invoelend reconstrueert. De heilige bezielde mens verdwijnt hier meer naar de achtergrond, terwijl de oplettende kijker waarvan Peek eerder afscheid leek te willen nemen juist steeds tussenbeide komt. Het kernverhaal draait om de liefde tussen Saartje Specx, dochter van een VOC’er, en een gemengdbloedige vaandrig, Pieter Kortenhoef, die buiten de echt seksuele relaties aanknopen. Als ze worden betrapt, is de gouverneur van Batavia J.P. Coen meedogenloos: stokslagen voor Saartje, terwijl Kortenhoef wordt onthoofd en te kijk gesteld. Peek schetst de dramatische gebeurtenissen, met name het lot van Saartje Specx, in een hakkelende, brokkelige stijl die doet denken aan A.D. In die roman is dat functioneel, omdat we steeds van perspectief naar perspectief springen en er geen centrale focalisatie is, hoewel Peek altijd de slachtoffers en ontheemden aan het woord laat. Hier lezen we eerder de woorden van een verteller die zoekt naar een moreel centrum waarin hij zijn visie op de koloniale geschiedenis, die voor Peek zeker door zijn geschiedenis van moederskant persoonlijk geladen is, kan verankeren. Maar Saartje praat terug tegen deze aanspraak:

10

Je gaat te ver net als
De anderen wil je me claimen
Om een twistpunt

Een driftig geheugen

Ik zou dit geen gevangenschap

Noemen noch onderdrukking woorden

Die je me als geschenken aanreikt
Om mijn getuigenis te sturen

Veel is me overkomen maar
Geloofde je dat niemand
Mij hier bediende

Saartje laat zich niet claimen. Dat de dichter deze projectiedrang zo rechtuit benoemt getuigt van moed. Het maakt dit gedicht tot tekst en metatekst ineen: Saartje eist ruimte op, los van de dichter die zowel zoekt naar een mythisch voormoederverleden als historische kritiek beoefent. Het roept wel de vraag op waar de heilige, bezielde mens gebleven is, nu ook Saartje wordt opgevoerd als de oplettende kijker die de dichter corrigeert. Bereikt de dichter de oerstaat die hij zoekt of blijft hij uiteindelijk een toeschouwer van zijn verwildering? Van mij had Peek de balladevorm, met zijn nationale, moraliserende intenties, nog verder stuk mogen schrijven, om ruim baan te geven aan de persoonlijke inzet:

Ik denk aan de moeder
Van mijn moeder van wie

Geen enkele brief of foto bestaat

De ethische claim die de voormoeder in de bundel legt op de geschiedenis is immers niet om haar onze taal te geven, maar om de stilte die zij beleeft te laten resoneren:

Om de woorden die haar al vroeg insloten
Ze begreep dat vaders zich in papier staken

Ze las zich los

Om haar geweldige stilte te beleven

Niet willen insluiten, maar loslezen: dat is de houding die Peek zichzelf in zijn poëzie toestaat ten opzichte van zijn historisch-kritische proza. Het resultaat is een splitsing in het oeuvre – een die wellicht al door de slash in de titel van de bundel wordt gesuggereerd. Waar de romanschrijver Peek het archief verruimt en op schitterende wijze bevolkt met stemmen die lang zijn verstomd, probeert de dichter Peek de geschiedenis misschien juist te laten rusten in een ‘geweldige stilte’. Toch laat de oplettende kijker zich niet zomaar wegsturen door de droommens. Orang/oetan is daarmee een bundel die meer overtuigt als intellectueel protest tegen de taal van het archief dan door lyrische verbeeldingskracht. Misschien laat de geschiedenis van de Indo zich, anders dan in de tijd van Tjalie Robinson, niet langer als mythe schrijven.

Querido, Amsterdam, 2025
ISBN 9789025319427

Geplaatst op 02/06/2026

Tags: Gustaaf Peek, Indonesië, kolonialisme, Orang/oetan, Saartje Specx, Tjalie Robinson

Categorie: Poëzie, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.